---
title: "Contrainte, Motivation des actes administratifs · Cour d&#x27;appel d&#x27;Anvers, 27 septembre 2016, 2014/AR/2813"
description: "Contrainte, Motivation des actes administratifs, Droit à déduction, Fraude, Amendes fiscales. Cour d'appel d'Anvers (Belgique), 27 septembre 2016, 2014/AR/2813."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/contrainte-motivation-actes-administratifs-droit-cour-appel-anvers-2016-09-27-15d0"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Contrainte, Motivation des actes administratifs, Droit à déduction, Fraude

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Anvers

**Numéro de rôle**

2014/AR/2813

**Date**

27 septembre 2016

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

**Sens lu par le SPF**

favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

154 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d’appel d’Anvers dd. 27.09.2016 (2014/AR/2813)

WF 707-15-13/011794

\[Favorable à l’administration\]

*Taxe sur la valeur ajoutée – Contrainte – Motivation des actes administratifs – Droit à déduction – Fraude – Amendes fiscales*

## Dispositions légales

[Article 45, § 1er, du Code de la TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45)

[Article 167 et suivants de la directive 2006/112/CE](https://juriel.be/fr/droit-union/directive-tva-2006-112/article-167)

Arrêt de la Cour de justice de l’Union européenne du 6 décembre 2012, Bonik, [C-285/11](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-285-11-arret)

Loi du 29 juillet 1991 relative à la motivation formelle des actes administratifs

## Résumé

Les faits litigieux

L’assujetti est actif dans le secteur de l’informatique. Lors d’un contrôle, une infraction au régime des déductions a été constatée. Le litige concerne essentiellement une infraction au régime des déductions relatif à l’achat de matériel informatique pour lequel la TVA n’était pas exigible. Selon l’administration, le fournisseur n’était pas propriétaire des biens et, dès lors, ne pouvait pas céder la propriété des biens. Par conséquent, la TVA ayant grevé l’achat supposé ne pouvait pas être déduite. Une contrainte portant notamment sur l’infliction d’une amende fiscale de 200% a été décernée.

L’arrêt

1\. La contrainte est un acte administratif qui est soumis aux dispositions de la loi relative à la motivation formelle des actes administratifs. L’assujetti considère que la contrainte est imparfaitement motivée. Selon lui, elle ne lui permet pas de connaître l’infraction qu’il a commise. La cour juge cependant que la contrainte à laquelle est joint en annexe le procès-verbal contient en elle-même les considérations et les indications suffisantes pour considérer qu’elle est correctement motivée.

2\. L’assujetti insiste sur le fait que les biens mentionnés sur la facture litigieuse ont été effectivement livrés physiquement et payés en partie par le biais de sommes privées et en partie par le biais d’un emprunt. L’administration estime qu’il ressort d’un ensemble de faits consignés dans le procès-verbal que le fournisseur ne pouvait pas être civilement propriétaire des biens et considère que le requérant n’apporte pas la preuve du paiement de l’achat des biens. En outre, aucune preuve n’est fournie que les biens achetés ont ensuite été revendus à un client établi à Bangkok. De plus, aucun élément de preuve n’est apporté justifiant la différence entre le prix d’achat et le prix de revente.

La Cour de justice a jugé à plusieurs reprises que le droit à déduction prévu aux articles [167 et suivants](https://juriel.be/fr/droit-union/directive-tva-2006-112/article-167) de la directive 2006/112 fait partie intégrante du mécanisme de la TVA et ne peut en principe être limité. En particulier, ce droit s’exerce immédiatement pour la totalité des taxes ayant grevé les opérations effectuées en amont (arrêt du 6 décembre 2012, Bonik, [C-285/11](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-285-11-arret), point 26 et jurisprudence y mentionnée). Lorsque les conditions requises sont réunies, le droit à déduction ne peut, en principe, pas être rejeté.

Le bénéfice du droit à déduction ne saurait être refusé à un assujetti qu’à la condition qu’il soit établi, au vu des éléments objectifs, que cet assujetti, auquel les biens ou les services servant de base pour fonder le droit à déduction ont été livrés ou fournis, savait ou aurait dû savoir que, par l’acquisition de ces biens ou de ces services, il participait à une opération impliquée dans une fraude à la TVA commise par le fournisseur ou un autre opérateur intervenant en amont ou en aval dans la chaîne de ces livraisons ou de ces prestations (arrêt Bonik, susmentionné, point 40 et jurisprudence y mentionnée).

L’assujetti n’ignorait pas qu’il n’y avait pas eu de véritable livraison et que, dès lors, la facture relative à cette livraison fictive était fausse. L’[article 45, § 1er, du Code de la TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45) prévoit uniquement un droit à déduction pour la T.V.A. qui est due légalement. Il n’y a pas par conséquent pas de droit à déduction.

3\. L’infraction commise dans l’intention d'éluder ou de permettre d'éluder la taxe est indubitablement prouvée et l’amende fiscale de 200% est dès lors légalement et correctement motivée.

Texte de l’arrêt

***L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale***

### Corps de la décision

## Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen

**dd. 27.09.2016**

**(2014/AR/2813)**

**B. T.**, wonende te …, … eiser in hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. **A. K.-W.**, advocaat te …, … tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 02 juni 2014

**tegen**

**DE BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, sector btw, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn 1000 BRUSSEL, op vervolging en benaarstiging van de heer directeur te Antwerpen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2000 ANTWERPEN, ltaliëlei 4 bus 4 en in de persoon van de bevoegde adviseur, eerstaanwezend inspecteur verbonden aan de Algemene Administratie van de Inning en Invordering, Team Rechtspersonen Antwerpen 1 verweerder in hoger beroep, De heer **V. K.** (fiscale ambtenaar).

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Antwerpen van 2 juni 2014 waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 6 november 2014, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

### 1. Voorafgaande feiten en procedure

1.1. Voorwerp van de betwisting.

De betwisting betreft het verzet tegen het dwangbevel met nummer … uitgevaardigd lastens de heer **T. B.**, eiser in hoger beroep, op 4 december 2012 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 6 december 2012, alsmede het aangehechte proces­verbaal dd. 22 november 2012 beide ter kennis gegeven op 25 januari 2013.

1.2. Voorgaande feiten.

Eiser is hoger beroep werd geregistreerd als btw-belastingplichtige onder het btw­ identificatienummer … voor de activiteiten ontwerpen en programmeren, computerconsultancy, gegevensverwerking en webhosting.

Op 19 augustus 2011 werd een controle verricht ter plaatse door de belastingadministratie met betrekking tot de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake btw voor de periode van 1 januari 2011 tot 30 juni 2011 op het adres … te … en op het domicilie van eiser in hoger beroep, … te ….

Naar aanleiding van deze controle werd vaststelling gedaan van een aantal inbreuken. Enerzijds werden inbreuken vastgesteld op de aftrekregeling ten aanzien van handelingen waarvoor de medecontractant zelf de belasting moet voldoen op basis van [artikel 20, van het koninklijk besluit nr. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-20-0588) van 29 december 1992. Eiser in hoger beroep had meer bepaald de btw met betrekking tot uitgevoerde verbouwingswerken dewelke hij als medecontractant verschuldigd was verkeerdelijk in aftrek gebracht (factuur MIA 11-097).

Anderzijds werden inbreuken vastgesteld op de aftrekregeling ten aanzien van handelingen waarvoor de btw niet opeisbaar is. Het ging in dit verband om de factuur inzake de aankoop van informaticamateriaal van de **NV M. C.** (factuur MIA 11-096-stuk 27 administratief dossier). Volgens de belastingadministratie bleek uit vaststellingen van de Algemene Administratie van de Fraudebestrijding dat de **NV M. C.** geen eigenaar was van de betreffende goederen. De eigendom van deze goederen kon bijgevolg niet overgedragen worden aan eiser in hoger beroep en aldus ook geen belastbare handeling uitmaken. De btw die over deze vermeende aankoop werd aangerekend kon dan ook niet in aftrek worden gebracht.

Deze vastgestelde inbreuken werden opgenomen in een correctieopgave dewelke op 21 september 2011 werd verzonden naar eiser in hoger beroep met het verzoek deze correctieopgave uiterlijk tegen 27 september 2011 voor akkoord te ondertekenen of binnen dezelfde termijn zijn bezwaren te formuleren (stuk 13 administratief dossier).

Op 27 september 2011 verklaarde eiser in hoger beroep zich per e-mail akkoord met de verwerping van de factuur inzake de verbouwingswerken (factuur MIA 11-097). Eiser in hoger beroep verklaarde zich evenwel niet akkoord met de verwerping van de aankoopfactuur MIA 11-096 voor het computermateriaal (stuk 14 administratief dossier).

Aangezien niet tot een akkoord werd gekomen met betrekking tot de aankoopfactuur voor computermateriaal (factuur MIA 11-096) werden de vastgestelde inbreuken in dit verband opgenomen in een proces-verbaal dd. 22 november 2012 (stuk 1 administratief dossier).

Op 4 december 2012 vaardigde de belastingadministratie een dwangbevel met nummer … uit dat geviseerd en uitvoerbaar verklaard werd op 6 december 2012 (stuk 2 administratief dossier).

Volgens dit dwangbevel was eiser in hoger beroep volgende bedragen verschuldigd:

-btw in hoofdsom: … euro

-proportionele geldboete (art. 70, §§ 1-3, §5 en 71 WBTW): … euro

-interesten ([art. 91, §1 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91) vanaf 21 december 2012) : … euro

Bij aangetekend schrijven dd. 25 januari 2013 werd eiser in hoger beroep in kennis gesteld van dit dwangbevel samen met het voormelde proces-verbaal (stuk 3 administratief dossier).

1.3. Procedure voor de eerste rechter.

Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen op 8 februari 2013, vorderde eiser in hoger beroep het dwangbevel, uitgevaardigd op 4 december 2012 en uitvoerbaar verklaard op 6 december 2012, te vernietigen en van nul en generlei waarde te verklaren, dan wel integrale ontheffing te verlenen van de daarin genoemde bedragen en eiser in hoger beroep te ontslaan van de in het dwangbevel gevorderde sommen, dienvolgens eiser in hoger beroep te ontslaan van de ten onrechte ingehouden belastingen en de terugbetaling te bevelen van de door eiser in hoger beroep betaalde bedragen, te vermeerderen met de moratoriumintresten vanaf datum betaling en de Belgische Staat te verwijzen in de kosten van het geding.

Met betrekking tot de aangevoerde nietigheid van het dwangbevel wegens gebrek aan motivering, oordeelde de eerste rechter dat het dwangbevel in casu beantwoordde aan de motiveringsvereiste van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. De eerste rechter wees er op dat het voor de geldigheid van het dwangbevel volstond dat de aangesproken belastingplichtige zonder misverstand ingelicht werd over hetgeen van hem werd gevorderd en over de motivering van deze vorderingen. Nu het proces-verbaal als bijlage gevoegd was bij het dwangbevel was eiser in hoger beroep volgens de eerste rechter zonder misverstand ingelicht.

Wat het recht op aftrek inzake de aankoopfactuur van 26 mei 2011 van de **NV M. C.** betrof, stelde de eerste rechter vast dat eiser in hoger beroep niet het minste bewijs leverde van de daadwerkelijke betaling van het beweerde aangekochte informaticamateriaal aan **NV M. C.** Bovendien werd door eiser in hoger beroep geen enkele verklaring gegeven voor het grote verschil in prijs voor de aankoop van dit informaticamateriaal en de prijs die hij aanrekende bij de doorverkoop van ditzelfde materiaal zonder te zijn gebruikt.

Volgens de eerste rechter stond het ontegensprekelijk vast dat geen werkelijke leveringen beantwoordden aan deze aankoopfactuur, dat deze factuur aldus fictief was en dat eiser in hoger beroep wist of had moeten weten dat hij door de beweerde aankoop van voornoemd informaticamateriaal deelnam aan een transactie die onderdeel was van btw-fraude. Eiser in hoger beroep had dan ook geen recht op aftrek inzake deze aankoopfactuur.

Nu bewezen was dat eiser in hoger beroep het oogmerk had de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken was de eerste rechter van oordeel dat de boete van 200% wettelijk en voldoende gemotiveerd was en in redelijke verhouding stond met de gepleegde inbreuk en met de ernst van de feiten. Er was verder ook geen reden om uitstel toe te kennen aan eiser in hoger beroep indien de wet in die maatregel zou hebben voorzien.

De eerste rechter verklaarde de vordering van eiser in hoger beroep toelaatbaar doch ongegrond en wees deze af. Eiser in hoger beroep werd veroordeeld tot de kosten van het geding dewelke door de Belgische Staat niet begroot en derhalve door de rechtbank niet vereffend werden.

Tegen dit vonnis heeft eiser in hoger beroep, bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 6 november 2014, hoger beroep ingesteld.

1.4. Procedure voor het hof van beroep.

Eiser in hoger beroep vordert:

\- het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

\- dienvolgens het bestreden vonnis teniet te doen en van nul en generlei waarde te verklaren;

\- opnieuw rechtdoende, het door eiser in hoger beroep ingediende verzoekschrift, gericht tegen het dwangbevel, gekend onder het nummer …, uitgevaardigd op 4 december 2012, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 6 december 2012, ontvankelijk en integraal gegrond te verklaren;

\- dienvolgens, dit dwangbevel, integraal te vernietigen en van nul en generlei waarde te verklaren, dan wel integrale ontheffing te verlenen van de daarin genoemde bedragen en eiser in hoger beroep te horen ontslaan van de in het dwangbevel gevorderde sommen; bijgevolg eiser in hoger beroep te ontslaan van de ten onrechte ingekohierde belastingen en de terugbetaling te bevelen van de door eiser in hoger beroep betaalde bedragen, te vermeerderen met de moratoriumintresten overeenkomstig artikel 418 WIB 92;

\- de Belgische Staat te verwijzen in de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, dewelke begroot wordt op … euro per aanleg.

Ter zitting van 28 juni 2016 vraagt de raadsman van eiser in hoger beroep de indexering van de rechtsplegingsvergoeding.

De Belgische Staat verzoekt het hof het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren; de bestreden beslissing van de eerste rechter te bevestigen en eiser in hoger beroep te veroordelen tot alle kosten van het geding.

### 2. Bespreking

2.1. Motiveringsverplichting

Eiser in hoger beroep stelt dat het dwangbevel gebrekkig gemotiveerd is. Aan de hand van de motivering van het dwangbevel kan, volgens hem, niet afgeleid worden welke inbreuk hij zou hebben begaan op de btw-reglementering.

Volgens eiser in hoger beroep dient het bestreden dwangbevel met zijn bijlagen dan ook vernietigd te worden, hetgeen tevens geldt voor de opgelegde boete.

Overeenkomstig artikel 1 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, verstaat men onder bestuurshandeling de eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur. Overeenkomstig artikel 2 van voormelde wet, moeten de bestuurshandelingen van de besturen bedoeld in artikel 1 uitdrukkelijk worden gemotiveerd. Tenslotte vloeit voort uit artikel 3 van de wet dat de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Zij moet afdoende zijn.

Het niet respecteren van de verplichting tot formele motivering leidt niet noodzakelijkerwijze tot de niet-toepassing van de betrokken bestuurshandeling. Dit zal pas het geval zijn wanneer diegene ten voordele van wie deze formaliteit is voorgeschreven geschaad werd in zijn rechten omwille van het niet respecteren daarvan.

Een dwangbevel inzake belasting over de toegevoegde waarde is een bestuurshandeling waarop de wet Motivering Bestuurshandelingen van toepassing is zodat het bestuur de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die ten grondslag liggen aan de belastingschuld waarvoor het dwangbevel werd uitgevaardigd; geen wettelijke bepaling staat eraan in de weg dat het bestuur na het opstellen van een proces-verbaal en een dwangbevel met betrekking tot een bepaalde belastingschuld, nieuwe juridische argumenten en feitelijkheden aanvoert ter ondersteuning van hetgeen in het proces-verbaal en het dwangbevel reeds is vastgesteld en vermeld met betrekking tot diezelfde belastingschuld (Cass. [F.11.0007.F](https://juriel.be/fr/jurisprudence/juge-fait-application-article-70-cassation-bruxelles-2013-06-20-8313), 10 februari 2012, http://www.cass.be en Cass. [C.03.0354.N](https://juriel.be/fr/jurisprudence/non-paiement-taxe-contrainte-acte-cassation-bruxelles-2005-12-01-b975), 1 december 2005, http://www.cass.be)

Er is geen wettelijke bepaling die voorschrijft dat, om geldig te zijn, bij een dwangbevel elk proces-verbaal moet worden gevoegd waarnaar verwezen wordt. De geldigheid van het dwangbevel komt niet in gedrang door de verwijzing naar een niet bijgevoegd proces­verbaal indien het geheel van het dwangbevel met bijlagen op zichzelf de nodige overwegingen en vermeldingen bevat waardoor het afdoende gemotiveerd is.

Het hof stelt vast dat het dwangbevel met in bijlage het proces-verbaal van 22/11/2012 aan eiser in hoger beroep betekend werd en het dwangbevel en het proces-verbaal van 22/11/2012 op zichzelf de nodige overwegingen en vermeldingen bevatten waardoor het afdoende gemotiveerd is.

Het hof stelt vast dat het dwangbevel samen met het proces-verbaal van 22 november 2012 werd betekend aan eiser in hoger beroep en onder meer volgende gegevens bevatte:

\- alle feitelijke gegevens die aanleiding hebben gegeven tot het stellen van de vordering;

\- de tekst van de betrokken toepasselijke wetsbepalingen;

\- de reden van oplegging van een fiscale geldboete gelijk aan tweemaal het bedrag van de verschuldigde btw;

\- de berekening van de verschuldigde btw, de opgelegde fiscale geldboete en de maatstaf van berekening van de interesten.

Eiser in hoger beroep heeft met volledige kennis van de feitelijke en juridische grondslag van de btw-vordering zijn verdediging kunnen voorbereiden en er kan geen enkele belangenschade in hoofde van eiser in hoger beroep worden weerhouden.

Uit het dwangbevel kan in tegenstelling tot hetgeen eiser in hoger beroep beweert dus wel degelijk worden afgeleid welke inbreuken eiser in hoger beroep op de BTW-regeling heeft begaan namelijk inbreuken op de aftrekregeling ten aanzien van handelingen waarvoor de medecontractant zelf de belasting moet voldoen op basis van [artikel 20 KB nr.1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-20-0588) van 29 december 1992 en inbreuken op de aftrekregeling ten aanzien van handelingen waarvoor de BTW niet opeisbaar is.

Deze grief van eiser in hoger beroep is derhalve ongegrond.

2.2. Recht op aftrek

Vooreerst merkt het hof op dat eiser in hoger beroep benadrukt dat hij de verwerping van het recht op aftrek van de BTW met betrekking tot de factuur MIA11-097 betreffende de verbouwingswerken niet betwist. Eiser in hoger beroep is dan ook bereid het bedrag van … euro te voldoen wegens ten onrechte in aftrek gebrachte btw. Het hof dient zich hierover dan ook niet meer uit te spreken.

De betwisting tussen partijen heeft enkel nog betrekking op de aftrek van de BTW met betrekking tot factuur MIA11-096.

Eiser in hoger beroep benadrukt dat de factuur in kwestie wel degelijk correct is en dat de goederen zoals omschreven in deze factuur effectief fysiek werden geleverd en betaald aan de **NV M. C.** met inbegrip van de verschuldigde btw. Volgens eiser in hoger beroep gebeurde de betaling van deze factuur deels met privé-gelden, deels met een lening bij Dexia Bank (… euro) en deels via gelden die eiser in hoger beroep als voorschot van zijn vriendin had ontvangen. Er zou, volgens eiser in hoger beroep, eveneens een gedeelte betaald zijn door **BVBA KMO I.** (geboekt via R/C) en er zou tot slot compensatie verleend zijn door **NV M. C.** voor de bedragen die zij aan eiser in hoger beroep verschuldigd was (2 facturen).

Eiser in hoger beroep wijst er ook op dat de factuur door de zaakvoerder van de **NV M. C.** als voldaan werd afgetekend.

Eiser in hoger beroep stelt verder dat hij geen enkele reden had om niet te contracteren of te handelen met de firma **NV M. C.**. Volgens hem was er geen indicatie van problemen met dit bedrijf.

Eiser in hoger beroep stelt dat de goederen in kwestie nadien werden doorverkocht aan de vennootschap **S. Corp. Ltd.** in Thailand en dat deze factuur samen met de betreffende douane- en andere administratieve documenten in het kader van deze uitvoer bezorgd werden aan de belastingadministratie.

Volgens eiser in hoger beroep steunt de belastingadministratie zich op foutieve gegevens en verbindt zij hieraan de verkeerde besluiten.

De Belgische Staat verwijst naar het uitgebreide proces-verbaal van 22 november 2012. Verweerder in hoger beroep stelt dat dit proces-verbaal een opsomming bevat van feiten en onderzoeken waaruit blijkt dat de goederen niet burgerrechtelijk eigendom konden zijn van de leverancier, de **NV M. C.**, en dat bijgevolg de eigendom ervan nooit onder bezwarende titel aan eiser in hoger beroep kan zijn overgedragen. De belastingadministratie benadrukt dat zij zich niet steunt op een louter vermoeden dat de bewuste factuur vals is.

De Belgische Staat concludeert dat eiser in hoger beroep in gebreke blijft enig bewijs van betaling voor te leggen van de aankoop van het informaticamateriaal, hij tevens geen enkel stuk voorlegt waaruit blijkt dat de goederen die werden aangekocht bij de **NV M. C.** werden verzonden naar **S. Corp. Ltd.** te Bangkok en op geen enkele wijze het verschil in prijs wordt verklaard tussen de aankoop en de doorverkoop van deze goederen.

Volgens verweerder in hoger beroep blijkt uit de vaststellingen opgenomen in het proces­verbaal van 22 november 2012 dat eiser in hoger beroep wist of had moeten weten, dat de **NV M. C.** het computermateriaal niet zou gebruiken, zelfs niet kon gebruiken en dat de hiervoor vermelde aankopen en verkopen bijgevolg geen enkele economische grond hadden.

Verweerder in hoger beroep stelt dat gelet op het feit dat de betaling van de factuur MIA 11- 096, uitgereikt door de **NV M. C.** niet werkelijk, of hoogstens slechts gedeeltelijk, plaatsvond, eiser in hoger beroep wist of had hij moeten weten, dat deze gefactureerde transactie een fictief karakter had en dat nu eiser in hoger beroep wist, of had moeten weten, dat de verschuldigde belasting niet werd of zou worden doorgestort aan de Staat, eiser in hoger beroep ook bij toepassing van [artikel 79, § 2 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-79) gehouden is de in aftrek genomen btw ten bedrage van … euro aan de Belgische Staat terug te storten.

Op de belasting die hij verschuldigd is, mag elke belastingplichtige in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen ([art. 45, §1, 1° WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45)). De voorbelasting is slechts aftrekbaar in de mate dat deze werkelijk verschuldigd is ter zake van een concrete levering van goederen of verrichting van diensten.

Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie vormt het recht van de belastingplichtigen om op de door hen verschuldigde btw, de btw in aftrek te brengen die verschuldigd of voldaan is voor in eerdere stadia aan hen geleverde goederen en verleende diensten, een basisbeginsel van het bij de Unieregeling ingevoerde gemeenschappelijke btw­ stelsel (zie arrest van 6 december 2012, Bonik, [C-285/11](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-285-11-arret), punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

Dienaangaande heeft het Hof van Justitie herhaaldelijk geoordeeld dat het recht op aftrek waarin de artikelen [167 en volgende](https://juriel.be/fr/droit-union/directive-tva-2006-112/article-167) van richtlijn 2006/112 voorzien, een integrerend deel van de btw-regeling is en het, in beginsel, niet kan worden beperkt. In het bijzonder wordt dit recht onmiddellijk uitgeoefend voor alle belastingen die op in eerdere stadia verrichte handelingen hebben gedrukt (zie reeds aangehaald arrest Bonik, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

Bovendien kan de betrokkene slechts recht op aftrek genieten indien hij, ten eerste, een belastingplichtige in de zin van deze richtlijn is en, ten tweede, de goederen of diensten waarvoor aanspraak op dat recht wordt gemaakt, door de belastingplichtige in een later stadium zijn gebruikt voor zijn eigen belaste handelingen en in een eerder stadium door een andere belastingplichtige zijn verricht (zie reeds aangehaald arrest Bonik, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Indien aan die voorwaarden is voldaan, kan de aftrek dus in principe niet worden geweigerd.

Voorts is de bestrijding van fraude, belastingontwijking en eventuele misbruiken een doel dat door richtlijn is erkend en wordt gestimuleerd. Dienaangaande heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat de justitiabelen in geval van bedrog of misbruik geen beroep op het Unierecht kunnen doen. Derhalve staat het aan de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties om het recht op aftrek te weigeren wanneer op basis van objectieve gegevens vaststaat dat aanspraak op dit recht wordt gemaakt in geval van fraude of misbruik (zie reeds aangehaald arrest Bonik, punten 35-37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

Indien dat het geval is wanneer de belastingplichtige zelf zich schuldig maakt aan belastingfraude, geldt dit ook wanneer de belastingplichtige wist of had moeten weten dat hij met zijn aankoop deelnam aan een handeling die onderdeel is van btw-fraude. Hij moet dan voor de toepassing van de richtlijn worden beschouwd als deelnemer aan die fraude, ongeacht of hij winst haalt uit de doorverkoop van de goederen of het gebruik van de diensten in het kader van de door hem in een later stadium verrichte belaste handelingen (zie reeds aangehaald arrest Bonik, punten 38 en 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

De belastingplichtige kan het recht op aftrek slechts worden geweigerd op voorwaarde dat op basis van objectieve gegevens vaststaat dat deze belastingplichtige, aan wie de goederen of diensten waarvoor aanspraak op het recht op aftrek wordt gemaakt, zijn geleverd of verricht, wist of had moeten weten dat hij door de aankoop van deze goederen of diensten deelnam aan een handeling die onderdeel was van btw-fraude door de leverancier of een andere ondernemer die in een eerder of later stadium van de toeleveringsketen actief was (zie reeds aangehaald arrest Bonik, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

Aangezien de weigering van het recht op aftrek een uitzondering is op de toepassing van het fundamentele beginsel dat dit recht is, staat het aan de bevoegde belastingautoriteiten om rechtens genoegzaam te bewijzen dat de voormelde bedoelde objectieve gegevens aanwezig zijn. De nationale rechter moet vervolgens nagaan of de betrokken belastingautoriteiten het bestaan van dergelijke objectieve gegevens hebben aangetoond (zie in die zin reeds aangehaald arrest Bonik, punten 43 en 44).

Volgens het Hof van Justitie verzetten het principe van fiscale neutraliteit en het principe van rechtszekerheid zich er niet tegen dat de bestemmeling van een factuur het recht op aftrek wordt geweigerd omdat de vermelde handelingen niet daadwerkelijk hebben plaatsgevonden, zelfs wanneer er geen gevaar was dat de staat fiscale ontvangsten zou mislopen, aangezien de uitreiker van de factuur de aangerekende BTW heeft doorgestort (HvJ 4 juli 2013, zaak [C-572/11](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-572-11-ordonnance), http://curia.europa.eu).

Bijgevolg heeft de belastingplichtige recht op aftrek van BTW indien hij te goeder trouw is en de handelingen echte leveringen betreffen. Er is geen recht op aftrek indien men wist of moest weten op te treden in een BTW-carrousel of indien de leveringen fictief zijn.

Iedere handeling moet op zichzelf beschouwd worden en de aard van een bepaalde handeling uit de keten van leveringen kan niet worden gewijzigd door vroegere of latere gebeurtenissen. Indien de goederen effectief zijn geleverd, gaat het om een levering van goederen onafhankelijk van het oogmerk van de andere ondernemer dan de betrokken belastingplichtige. Eén en ander geldt voor zover de belastingplichtige geen weet had en geen weet kon hebben van de eventuele frauduleuze aard van een andere handeling uit de keten, die voorafgaat aan of volgt op de door voormelde belastingplichtige verrichte handeling.

Overeenkomstig artikel 10, §1 Wbtw wordt als een levering van een goed beschouwd: de overdracht of de overgang van de macht om als eigenaar over een goed te beschikken.

Opdat er voor btw-doeleinden sprake is van een levering, hoeft er niet noodzakelijk een civielrechtelijke eigendomsoverdracht te zijn.

Het begrip levering van goederen verwijst namelijk niet naar de eigendomsoverdracht in de door het toepasselijke nationale recht voorgeschreven vormen, maar omvat elke overdrachtshandeling van een lichamelijke zaak door een partij die de wederpartij ertoe machtigt daarover feitelijk als een eigenaar te beschikken.

De bewijslast van het bestaan van een recht op aftrek berust bij de belastingplichtige. Het is eiser in hoger beroep die moet aantonen dat de BTW-aftrek betrekking heeft op goederen en diensten die werkelijk werden geleverd én die gebruikt worden voor zijn belaste activiteit. Het is derhalve eiser in hoger beroep die moet bewijzen dat hij in de wettelijke omstandigheden verkeert om dit recht op aftrek te mogen uitoefenen.

Een naar de vorm regelmatige factuur is slechts een bewijselement zodat het louter bezit van een factuur waarop BTW in rekening werd gebracht niet volstaat voor de uitoefening van het recht op aftrek.

[Artikel 59, § 1, van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-59), zoals het te dezen van toepassing is, bepaalt dat overtredingen van de bepalingen van dat wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede de feiten die de verschuldigdheid van de belasting of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, door de administratie kunnen worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal van de ambtenaren van het Ministerie van Financiën. De processen-verbaal leveren bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen.

Dat de wettelijke bewijswaarde die voornoemde wetsbepaling aan de processen-verbaal van de ambtenaren van het ministerie van Financiën toekent, geldt voor de persoonlijke materiële vaststellingen van die ambtenaren, maar niet voor de juridische gevolgtrekkingen die daaruit kunnen worden afgeleid.

De discussie betreft te dezen de factuur MIA 11-096 die dateert van 26/05/2011.

In het proces-verbaal werd vastgesteld door de verbalisant dat de factuur in kwestie die door de **NV M. C.** is uitgereikt aan eiser in hoger beroep een factuurnummer vermeldt dat voordien reeds werd gebruikt voor een factuur uitgereikt op 20/05/2011 aan de **BVBA KMO I.** (stuk 26 administratief dossier).

De factuur werd voor voldaan afgetekend op 27/05/2011 door **V. O.**, bestuurder van **NV M. C.**, zijnde een zakenrelatie van de heer **V. S.** zoals blijkt uit de verklaring van de heer **V. O.** dd. 26/01/2013 (stuk 20 eiser in hoger beroep).

De goederen vermeldt op de factuur hebben geen uitstaans met de activiteit van **NV M. C.** dat een bouwonderneming is.

De vennootschap **NV M. C.** werd bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Antwerpen, bij dagvaarding failliet verklaard op 9 juni 2011. Uit het proces-verbaal blijkt tevens dat via de curator niet kan worden nagegaan of de betrokken factuur is betaald.

Eiser in hoger beroep levert zelf niet het minste bewijs dat hij het beweerde aangekochte informaticamateriaal daadwerkelijk heeft betaald aan de **NV M. C.**:

\- op 18 maart 2011, zijnde vóór de beweerde aankoop, wordt de rekening van eiser in hoger beroep gedebiteerd met een bedrag van … euro. Er blijkt geen voorschotfactuur uitgereikt te zijn. Daarenboven wordt dit bedrag aan een zaakvoerder van de **BVBA KMO I.** betaald, zijnde **V. S.** en niet aan de **NV M. C.**;

\- … euro wordt als schuld ingeschreven op de rekening-courant van eiser in hoger beroep bij de **BVBA KMO I.**, maar er wordt geen bewijs geleverd van het feit dat dit bedrag aan de **NV M. C.** werd doorgestort;

\- … euro wordt gecompenseerd met 2 facturen die eiser in hoger beroep uitreikt aan de **NV M. C.** voor diensten (geleverde informaticadiensten voor 10 computergebruikers) waarvan hij niet aantoont dat die zijn geleverd en waarvan het zeer onwaarschijnlijk is dat een bedrijf dat op die datum al failliet is verklaard én geen personeel in dienst heeft, deze diensten zou hebben afgenomen en verbruikt. De curator bevestigde dat **M. C.** geen personeel in dienst had op datum van faillissement en dat eiser in hoger beroep zich ook niet heeft aangemeld om betaling van de facturen nrs. 20110004 en 20110005 van 04/07/2011 en 08/07/2011 te eisen. Dat **M. C. NV** ICT materiaal kocht voor **A. P. BVBA**, waarvan zij aandeelhouder was, overstijgt de loutere bewering niet.

\- … euro van de privé-rekening van eiser in hoger beroep zou cash betaald zijn aan de heer **D. V. O.** van de **NV M. C.**, maar eiser in hoger beroep toont niet aan dat deze som effectief van zijn rekening werd gedebiteerd door de bank;

\- … euro wordt volgens eiser in hoger beroep door zijn vriendin betaald, maar hij toont niet aan dat deze som werkelijk van haar vermogen afkomstig is, laat staan van haar bankrekening werd gedebiteerd.

Eiser in hoger beroep heeft de controlerende ambtenaar ook nooit de gevraagde serienummers van de kwestieuze goederen verstrekt. Dit maakt elke verificatie van het materiaal onmogelijk.

Er kunnen door eiser in hoger beroep buiten de factuur geen concrete stukken in verband met de aankoop van de goederen door hem van **M. C. NV** en in verband met de betaling van de aankoop worden voorgelegd.

Dat de **NV M. C.** het materiaal zelf aangekocht zou hebben van **BVBA KMO I.** BVBA in 2009 en dit voor een bedrag van … euro , toont nog niet aan dat er sprake is van een effectieve levering onder bezwarende titel in de zin van de BTW-wetgeving aan eiser in hoger beroep zelf. Bovendien zou eiser in hoger beroep het materiaal beweerdelijk aangekocht hebben voor een aanzienlijk hoger bedrag van … euro (excl. BTW) en uitgevoerd hebben voor een bedrag van … euro (excl. BTW). Voor dit verschil in prijs kan er geen enkele redelijke verantwoording gegeven worden.

Dat er tijdens de controle ter plaatse op 19/08/2011 door eiser in hoger beroep materiaal getoond werd dat qua specificaties overeenkomt met de gegevens van de aankoopfactuur toont geenszins aan dat er sprake is van een levering in de zin van het BTW-wetboek aan eiser in hoger beroep met betrekking tot de goederen vermeld op de factuur. Deze controle had immers plaats te …, …, in het kantoorgebouw 'North Trade Building' waar het gelijkvloers achteraan is ingericht als een data center met serverpark, dat gehuurd werd door de **BVBA S.**. Er is geen enkel bewijs dat eiser in hoger beroep dit data center huurde van de **BVBA S.** noch dat hij dit in gebruik had.

Eiser in hoger beroep legt een niet gedateerde ondertekende freelance overeenkomst met **BVBA KMO I.** voor doch de projectovereenkomst waarnaar in deze freelanceovereenkomst meermaals wordt verwezen en die er integraal deel van uitmaakt wordt geenszins overgelegd. Tevens stelde de belastingadministratie vast dat in de relevante periode de heer **S. V.** en **L. V.** zaakvoerders en aandeelhouders zijn van zowel de **BVBA KMO I.** (oorspronkelijk eigenaar van de goederen) als van de **BVBA S.**.

Het betreffende computermateriaal zou naar bewering van eiser in hoger beroep uiteindelijk uitgevoerd zijn naar een derde land (Thailand). Het hof stelt vast dat er inderdaad stukken worden voorgelegd betreffende "een" verkoop aan **S. Corp** doch er is zoals hoger reeds geoordeeld geen verificatie mogelijk van de goederen. Bovendien blijkt ook hier dat ten tijde van de beweerde uitvoer de heer **V. S.** en **V. L.** aandeelhouders zijn van de Thaise vennootschap **S.**.

Voormelde elementen van het dossier in hun samenhang genomen leiden tot de conclusie dat te dezen vaststaat dat er geen werkelijke leveringen beantwoorden aan de beweerde aankoopfactuur, dat deze factuur fictief is en dat eiser in hoger beroep wist of had moeten weten dat hij door de beweerde aankoop van het informaticamateriaal deelnam aan een transactie die onderdeel is van een BTW-fraude.

Eiser in hoger beroep kan immers niet onwetend geweest zijn van het feit dat er geen echte levering in de zin van de BTW-wetgeving heeft plaatsgevonden en de begeleidende factuur aldus vals is. In dit geval geldt de leer van het Hof van Justitie onverkort namelijk geen recht op aftrek van BTW indien men zelf deelnam aan de fraude en men dus niet te goeder trouw is. Er is geen recht op aftrek met betrekking tot fictieve leveringen. [Artikel 45 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45) voorziet immers alleen een recht op aftrek voor wettelijk verschuldigde BTW. Op fictieve facturen is geen BTW verschuldigd:

De diverse overige aanvoeringen van eiser in hoger beroep zijn niet van die aard dat zij afbreuk kunnen doen aan voormelde gegevens van het dossier op basis waarvan onomstotelijk vaststaat dat er sprake is van BTW-fraude in hoofde van eiser in hoger beroep.

Bijgevolg heeft eiser in hoger beroep dan ook geen recht op aftrek betreffende voornoemde aankoopfactuur.

Gelet op voorgaande wijst het hof de overige aanvoeringen van partijen af als niet ter zake dienend en/of overbodig.

2.3. Boete

Het staat aan de rechter, aan wie gevraagd wordt de sanctie opgelegd op grond van art. 70,§ 1, B.T.W.-Wetboek te toetsen, te onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang daarbij in acht nemend in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie. In het bijzonder mag de rechter nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht houdt echter niet in dat hij op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingschuldige om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen.

Samen met de eerste rechter is het hof van oordeel dat kwade trouw in hoofde van eiser in hoger beroep bewezen is zowel met betrekking tot de factuur MIA 11-096 als de factuur MIA 11-097.

Het oogmerk belasting te ontduiken of ontduiking ervan mogelijk te maken is ongetwijfeld bewezen in hoofde van eiser in hoger beroep en de administratieve boete van 200% is dan ook wettelijk en werd voldoende gemotiveerd.

Het betreft hier geenszins een materiële vergissing.

Het fictief karakter van de factuur MIA 11-096, in casu vastgesteld door de administratie aan de hand van diverse zwaarwichtige, duidelijke en samenhangende elementen verantwoordt het behoudt van 200 % boete die werd toegepast door de administratie.

Eiser in hoger beroep heeft ook de factuur MIA 11-97 met onjuiste vermeldingen bewust opgenomen in zijn boekhouding, zonder de verschuldigde belasting op te nemen in zijn BTW-aangifte. Rekening houdende met alle concrete gegevens van het dossier heeft eiser in hoger beroep ook desbetreffend het oogmerk gehad om belasting te ontduiken.

Het hof is van oordeel dat de opgelegde boete in redelijke verhouding staat met de gepleegde inbreuk en met de ernst van de feiten en dat er geen reden bestaat om uitstel toe te kennen aan eiser in hoger beroep indien de wet in die maatregel zou hebben voorzien.

2.4. Rechtsplegingsvergoeding

Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de, kosten van een advocaat (B.S.31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008.

Eiser in hoger beroep vordert een rechtsplegingsvergoeding van … euro per aanleg.

De Belgische Staat heeft geen beroep gedaan op de bijstand van een raadsman (zowel in eerste aanleg als in hoger beroep) en vordert bijgevolg zelf geen rechtsplegingsvergoeding. Voor de begroting van de rechtsplegingsvergoeding verwijst de Belgische Staat naar de barema's zoals opgenomen in het KB van 26 oktober 2007.

Ter zitting van 28 juni 2016 vraagt de raadsman van eiser in hoger beroep de indexering van de rechtsplegingsvergoeding. Verweerder in hoger beroep gaat defensief akkoord met de begroting van de rechtsplegingsvergoeding door de belastingplichtige.

Overeenkomstig art. 1017 Ger.W. dient eiser in hoger beroep, de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld te worden tot de kosten van het geding in hoger beroep.

De rechtsplegingsvergoeding dient in hoofde van verweerder in hoger beroep vereffend worden op … euro rechtsplegingsvergoeding bij gebreke aan vertegenwoordiging door een advocaat.

### Dispositif

## 3. Beslissing

**Het hof** beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van eiser in hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Het hof bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen.

Het hof veroordeelt eiser in hoger beroep tot de kosten van het geding in hoger beroep.

Het hof vereffent de kosten in hoger beroep in hoofde van verweerder in hoger beroep op een rechtsplegingsvergoeding van … euro bij gebreke aan vertegenwoordiging door een advocaat.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 27 september 2016 door

Ondertekeningen

## Textes cités

8

[CTVA art. 45](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45) 5 occurrences

[directive TVA 2006/112 art. 167](https://juriel.be/fr/droit-union/directive-tva-2006-112/article-167) 4 occurrences

[AR no 1 art. 20](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-20-0588) 2 occurrences

[CTVA art. 59](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-59) 1 occurrence

[CTVA art. 79](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-79) 1 occurrence

[CTVA art. 91](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91) 1 occurrence

[C-285/11, arrêt du 6 décembre 2012](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-285-11-arret) 3 occurrences

[C-572/11, ordonnance du 4 juillet 2013](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-572-11-ordonnance) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-lien-direct-immediat-tribunal-luxembourg-2022-10-12-162a) 4 dispositions communes

[Droit à déduction, Travaux immobiliers, Location immobilière, Opération exemptée](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-travaux-immobiliers-location-cour-appel-bruxelles-2015-10-15-c685) 4 dispositions communes

[Procès-verbal, Force probante d’un procès-verbal, Présomptions de fait](https://juriel.be/fr/jurisprudence/proces-verbal-force-probante-presomptions-cour-appel-gand-2016-11-29-a3c0) 4 dispositions communes

[Sous-traitance, amende](https://juriel.be/fr/jurisprudence/sous-traitance-amende-tribunal-bruxelles-2026-07-17-0a85) 3 dispositions communes

[Nouveau bâtiment, Rénovation, Travail immobilier, Taux de TVA](https://juriel.be/fr/jurisprudence/nouveau-batiment-renovation-travail-immobilier-cour-appel-gand-2019-01-08-2f4a) 3 dispositions communes

[Droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-conditions-formelles-materielles-tribunal-2023-05-19-3638) 3 dispositions communes

[Fraude fiscale, Fausses factures, Indices de fraude](https://juriel.be/fr/jurisprudence/fraude-fiscale-fausses-factures-indices-cour-appel-bruxelles-2022-12-01-3bd0) 3 dispositions communes

[Constitution d’un droit d’emphytéose, Droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/constitution-droit-emphyteose-deduction-revision-cour-appel-anvers-2019-06-04-4949) 3 dispositions communes
