---
title: "Chiffre d’affaires, Principe de la confiance légitime · Tribunal de première instance, 25 juin 2020"
description: "Chiffre d’affaires, Principe de la confiance légitime, Principe de prudence, Principe du fair-play. Tribunal de première instance (Belgique), 25 juin 2020."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/chiffre-affaires-principe-confiance-legitime-tribunal-2020-06-25-fdcf"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Chiffre d’affaires, Principe de la confiance légitime

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Date**

25 juin 2020

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

**Sens lu par le SPF**

favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

62 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du tribunal de première instance du Limbourg, division Hasselt du 25.06.2020

WF 711-15-18/000373

\[Favorable à l’Etat belge\]

*Taxe sur la valeur ajoutée – chiffre d’affaires – Principe de la confiance légitime - Principe de prudence – Principe du fair-play*

## Dispositions légales

Article Articles [53, § 1er, 2°et 3°](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-53) et [53octies, § 1er, alinéa 1er](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-53octies), du Code de la TVA

18 de l’arrêté royal n° 1, du 29 décembre 1992, relatif aux mesures tendant à assurer le paiement de la taxe sur la valeur ajoutée

## Synthèse

## 1) Les faits et les antécédents de procédure

Suite à un contrôle, des infractions ont été consignées dans un procès-verbal. Sur base de ce procès-verbal une contrainte a été décernée, visée et rendue exécutoire. La demanderesse a déposé une requête administrative contestant les constatations consignées dans le procès-verbal. Le recours administratif a été rejeté. Dès lors, la demanderesse a déposé une requête contradictoire au greffe du tribunal de première instance. Dans sa requête, elle demande l’annulation de la contrainte et de la décision administrative.

## 2) Le jugement rendu en première instance

*\* Le chiffre d’affaires et le principe de la confiance légitime*

Pour calculer son chiffre d’affaires, l’assujettie a fait usage d’un forfait qu’elle avait établi elle-même. Le tribunal constate que la demanderesse ne fournit pas d'explication claire quant à la manière dont elle a déterminé et appliqué le forfait.

La demanderesse se réfère uniquement à un ancien relevé de régularisation. Elle ne démontre pas qu’elle a appliqué la méthode de calcul précisée dans le relevé de régularisation. En outre, la demanderesse ne démontre également pas que, lors de l'établissement du relevé de régularisation, l'administration disposait de données probantes similaires à celles dont elle disposait pour la période imposable relative au présent litige.

Pour le calcul du chiffre d'affaires de la période imposable relative au présent litige, l'administration s'est basée sur les commissions, les factures et les tickets de caisse reçus par la demanderesse. Le chiffre d'affaires calculé sur cette base était sensiblement plus élevé que le chiffre d'affaires déclaré, calculé sur une base forfaitaire, par la demanderesse. L’augmentation du chiffre d'affaires n'est plus contestée par la demanderesse.

Le tribunal constate également qu’il y a pas de violation du principe de la confiance légitime.

*\* Le principe de prudence et le principe du fair-play*

La demanderesse estime que le principe de prudence et le principe du fair-play ont été violés. A cette fin elle invoque que les achats seront taxés deux fois car elle a supposé qu'elle ne devait pas établir d'inventaire annuel parce qu'elle utilisait une méthode de calcul forfaitaire pour déterminer son chiffre d'affaires. Et ce, malgré le fait qu le calcul de l'administration soit basé sur le chiffre d'affaires réellement réalisé.

La Cour constate que, en utilisant la méthode de calcul du chiffre d'affaires réel, le chiffre d’affaires pris en compte est également moindre, en particulier pour les achats de marchandises commerciales qui n'ont pas encore été vendues. Par conséquent, le tribunal ne peut pas conclure que la méthode de calcul appliquée par l'administration entraînerait dès lors une imposition excessive.

Enfin le tribunal juge que l’administration n'a pas agi de manière déraisonnable en supposant que le stock annuel restait constant. Même si la demanderesse prétend à tort à cet égard qu'elle était en droit de croire en toute confiance qu'un inventaire ne devrait pas être établi.

**Texte du jugement**

***Le jugement est publié uniquement dans la langue originale***

### Corps de la décision

## Rechtbank van eerste aanleg LIMBURG, Afdeling Hasselt, sectie burgerlijk, Kamer 11A, 25 juni 2020

Rol: 18/2560/A

IN ZAKE:

**V. S.,** RRnr. ..., zelfstandige, met ondernemingsnummer 0880...., wonende te ..., - eiseres – hebbende als raadsman mr. Boes, advocaat te 3583 Paal, Paalsesteenweg, 296/1.

**tegen:**

**DE BELGISCHE STAAT,** vertegenwoordigd door de Federale Minister van Financiën, waarvan het kantoor gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat, 12, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal van het KMO CENTRUM HASSELT-EXPERTISE 1, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 106. - verweerder - hebbende als gevolmachtigde mevrouw M. Morrhey, adviseur bij een fiscaal bestuur.

VOLGT HET VONNIS:

Gelet op :

het verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie op 24.12.2018; de beschikking overeenkomstig art. 747,§1 Ger.W. van 24.01.2019;

\- de conclusies van partijen;

\- de stukkenbundel van partijen.

## Vordering van eiseres- ontvankelijkheid

De vordering van eiseres strekt tot de vernietiging van het dwangbevel van 6 december 2017 en van de beslissing van 2 juli 2018 waarbij het door eiseres ingesteld niet-georganiseerd administratief beroep werd verworpen. Eiseres vordert de terugbetaling te bevelen van alle ten onrechte geïnde bedragen meer wettelijke interesten en vordert om verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding, begroot op een rechtsplegingsvergoeding van 1.320,00 EUR.

## Voorgaanden

Na een controle op 5 oktober 2017 werden vaststellingen opgenomen in een proces-verbaal van 4 december 2017.

Op 6 december 2017 werd een dwangbevel uitgevaardigd met referte nr. 500/.... Dit dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard voor de Adviseur-Generaal Centrumdirecteur KMO Hasselt op 8 december 2017 en werd aan eiseres ter kennis gebracht op 13 december 2017.

Namens eiseres werd op 12 maart 2018 een niet-georganiseerd administratief beroep ingesteld tegen de vordering opgenomen in het proces-verbaal van 4 december 2017. Dit werd bij beslissing van 2 juli 2018 afgewezen.

Het dwangbevel werd aan eiseres betekend met bevel tot betalen bij gerechtsdeurwaardersexploot van 3 oktober 2018.

## Ten gronde

Eiseres verwijst naar een forfait dat zou worden toegepast voor het bepalen van de belastbare winst van de door haar uitgebate handelszaak.

De belastingadministratie voert aan dat het zou gaan om een zelf opgemaakt forfait waarbij de winstberekening wordt bepaald door de aankopen van de gegroepeerde types handelsgoederen te vermenigvuldigen met een eigen forfaitair bepaald percentage.

De rechtbank stelt vast dat eiseres in de eerste plaats geen duidelijke toelichting geeft voor wat betreft de wijze waarop dit forfait werd bepaald en toegepast. Eiseres verklaart onder meer niet waarom de toepassing van het betreffende forfait tot een andere bepaling van de omzet blijkt te hebben geleid inzake btw dan inzake inkomstenbelastingen.

Eiseres verwijst eveneens naar een correctieopgave opgesteld inzake btw op 3 februari 2010 voor een controle met betrekking tot de kalenderjaren 2007, 2008 en 2009. Eiseres voert aan dat de berekening van de omzet waarop de correctieopgave zou gebaseerd zijn, dezelfde zou zijn als degene die werd toegepast door eiseres voor de belastbare periode waarop de aan de rechtbank voorgelegde betwisting betrekking heeft.

De rechtbank dient ter zake evenwel vast te stellen dat in de correctieopgave van 3 februari 2010 een aanzienlijke te belasten meeromzet werd vastgesteld, waaruit minstens blijkt dat de belastingadministratie het niet eens was met de forfaitaire berekening van de aan btw onderworpen omzet die in de btw aangiftes van eiseres was opgenomen. Eiseres toont niet aan dat zij de precieze berekeningswijze zou toegepast hebben die ten grondslag lag aan de berekening van de meeromzet waaruit de correctie van 3 februari 2010 volgde.

Uit de loutere vaststelling dat de belastingadministratie voorheen een bewijsmiddel heeft gebruikt om een belastbare meeromzet inzake btw aan te tonen dat qua berekeningswijze enigszins aansluit bij de door eiseres gehanteerde berekeningswijze van omzet en winst, kan bovendien geenszins worden afgeleid dat de belastingadministratie heeft ingestemd met het forfaitair bepalen van onder meer de omzet, zelfs als de werkelijke omzet kan worden geregistreerd, en blijkbaar ook effectief werd geregistreerd. Eisers toont niet dat de belastingadministratie bij het opstellen van de correctieopgave van 3 februari 2010 over gelijkaardige bewijskrachtige gegevens beschikte als degene waarover zij beschikte voor de belastbare tijdperken waarop huidige betwisting betrekking heeft.

In het bijzonder stelt de rechtbank vast dat de navordering van btw en boetes gebaseerd werd op een omzet - en winstberekening waarvan de belastingadministratie terecht aanvoert dat de feitelijke vaststellingen en de door de belastingadministratie gehanteerde globale werkelijke omzetcijfers door eiseres niet worden betwist. De belastingadministratie heeft vastgesteld dat het totaal van de door eiseres ontvangen commissies, facturen en kastickets aanzienlijk hoger was dan de aangegeven forfaitaire omzet.

Eiseres voert ook niet aan op welke wijze zij heeft nagegaan dat het forfait dat blijkbaar reeds door haar vader werd gebruikt voorafgaand aan de overname van de handelszaak in 2006 van in het begin voldoende onderbouwd was en dat ook de hele tijd is gebleven. Er kan niet worden vastgesteld dat bijvoorbeeld de samenstelling van het assortiment, in het bijzonder de deelassortimenten waarop verschillende forfaits werden toegepast en de daarop toepasselijke marges niet substantieel zouden gewijzigd zijn, dan wel dat rekening zou gehouden zijn met dergelijke wijzigingen. Zelfs het voorheen aanvaarden van een forfaitaire berekeningswijze van de belastbare basis, wat niet wordt aangetoond, houdt niet de aanvaarding in van een forfait dat onbeperkt in de tijd niet zou moeten worden geactualiseerd ongeacht wijzigende omstandigheden.

Bovendien blijft zelfs nog onduidelijk of de door de administratie beweerdelijk voorheen gehanteerde methode door eiseres werd gebruikt voor de btw dan wel voor de inkomstenbelastingen, maar blijkbaar niet voor beide gelet op het verschil in omzet tussen beide belastingen dat blijkt uit de door eiseres zelf ingediende aangiftes.

De rechtbank kan dan ook geen schending van het vertrouwensbeginsel vaststellen.

In een tweede middel voert eiseres een schending aan van het zorgvuldigheids- en FairPlay

\- beginsel. De rechtbank stelt vast dat dit middel deels een herneming is van het hierboven afgewezen eerste middel in de mate dat wordt aangevoerd dat eiseres erop mocht vertrouwen dat het niet nodig was om een jaarlijkse inventaris op te stellen.

Eiseres voert daarnaast aan dat de belastingadministratie door "nu de werkelijke output te gaan belasten" onvermijdelijk sommige aankopen tweemaal zou belasten, namelijk eenmaal in het jaar van aankoop in de forfaitaire berekening en eenmaal in het jaar van werkelijke verkoop in de berekening op basis van de "output". De rechtbank oordeelt in de eerste plaats dat het in aanmerking nemen van (deels) een zelfde omzet voor verschillende jaren, voortkomt uit het door eiseres toepassen van een zelf bedacht, en daarom ook door haarzelf op te volgen, forfaitair systeem. Indien eiseres van mening is dat zij in voorgaande jaren op basis van haar eigen aangiftes belast werd op omzet die op dat ogenblik nog niet had moeten worden belast, diende zij zelf de nodige stappen te ondernemen om in de eerste plaats geen forfaitair systeem toe te passen waarbij zij op basis van niet werkelijk gerealiseerde omzet zou worden belast, en gebeurlijk teruggaaf te vorderen van voorheen betaalde btw.

Louter volledigheidshalve stelt de rechtbank vast dat \_de overgang van een beweerdelijke forfaitair systeem waarbij omzet wordt geacht reeds bij de aankoop van de handelsgoederen te worden gerealiseerd naar een systeem waarbij de werkelijk behaalde omzet en winst wordt belast wanneer deze wordt gerealiseerd, niet alleen als gevolg heeft dat tegenover het voorheen toegepaste systeem bijkomende omzet in aanmerking wordt genomen, maar eveneens als gevolg heeft dat tegelijk minder omzet in aanmerking wordt genomen met name voor aankopen van handelsgoederen waar nog geen verkoop tegenover stond. De rechtbank kan ook niet vaststellen dat de belastbare basis zoals toegepast door de belastingadministratie per definitie in een te hoge belasting zou resulteren. De belastingadministratie heeft geenszins onredelijk gehandeld door ervan uit te gaan dat de jaarlijkse voorraad eerder constant bleef, in het bijzonder omdat eiseres geenszins heeft aangevoerd dat dergelijke schommelingen wel zouden hebben plaatsgevonden, maar enkel ten onrechte aanvoert dat zij erop mocht vertrouwen dat zij geen inventaris diende op te stellen.

De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

### Dispositif

## OM DEZE REDENEN:

De rechtbank, recht doende op tegenspraak.

verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk maar ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, door verweerder niet begroot en door de rechtbank vereffend op nul euro.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de 11A kamer, op het gerechtshof te Hasselt op 25.06.2020, alwaar zetelden: ...

Ondertekeningen

## Textes cités

2

[CTVA art. 53](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-53) 2 occurrences

[CTVA art. 53octies](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-53octies) 2 occurrences

## Décisions similaires

8

[Compte spécial, Conformité au Droit communautaire](https://juriel.be/fr/jurisprudence/compte-special-conformite-droit-communautaire-tribunal-bruxelles-2022-12-21-17dd) 2 dispositions communes

[Comptabilité probante, Paiement en cash, Livre de caisse](https://juriel.be/fr/jurisprudence/comptabilite-probante-paiement-cash-livre-tribunal-bruxelles-2020-09-10-261d) 2 dispositions communes

[Chiffre d’affaires non déclaré, déclaration, chiffre d'affaires](https://juriel.be/fr/jurisprudence/chiffre-affaires-non-declare-declaration-cour-appel-gand-2024-02-13-38e9) 2 dispositions communes

[Droit de déduction, Charge de la preuve](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-yacht-charge-preuve-cour-appel-anvers-2026-03-17-4706) 2 dispositions communes

[Chiffre d'affaires non déclaré, Consultation du dossier judiciaire](https://juriel.be/fr/jurisprudence/chiffre-affaires-non-declare-consultation-tribunal-gand-2024-03-13-4c82) 2 dispositions communes

[Constructeur professionnel, Paiement de la TVA, Droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/constructeur-professionnel-paiement-tva-droit-cour-appel-anvers-2023-10-17-5e4e) 2 dispositions communes

[Droit de déduction, Charge de la preuve](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-yacht-charge-preuve-tribunal-hasselt-2023-04-20-7ac7) 2 dispositions communes

[Indices de fraude, Relevé de régularisation, Procès-verbal](https://juriel.be/fr/jurisprudence/indices-fraude-releve-regularisation-proces-tribunal-nivelles-2024-01-08-9601) 2 dispositions communes
