---
title: "Chiffre d&#x27;affaires non déclaré, Fraude · Cour d&#x27;appel de Bruxelles, 14 janvier 2026, 2020/AF/306"
description: "Chiffre d'affaires non déclaré, Fraude, Amende légale de 200 %. Cour d'appel de Bruxelles (Belgique), 14 janvier 2026, 2020/AF/306."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/chiffre-affaires-non-declare-fraude-cour-appel-bruxelles-2026-01-14-e3f3"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Chiffre d'affaires non déclaré, Fraude

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Bruxelles

**Numéro de rôle**

2020/AF/306

**Date**

14 janvier 2026

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

121 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la cour d'appel de Bruxelles du 14.01.2026 (2020/AF/306)

WF 712-15-18/055447 Finaliti 5436202601

\[ Arrêt mixte\]

*Taxe sur la valeur ajoutée – Chiffre d'affaires non déclaré – Fraude – Amende légale de 200 % – Sursis à l'exécution de l'amende*

## Dispositions légales

[Art. 1, §10 CTVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-1), article 53, § 1, premier alinéa, 2° et 3° et article 53octies, § 1, premier alinéa, [art. 70, §1 CTVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70), art. 6 CEDH

## Résumé de l’arrêt

1\. Faits et décision en première instance

Le demandeur exerce l'activité de conseiller en télécommunications et travaillait exclusivement pour l'entreprise de son fils, dont il était également actionnaire et responsable financier. À la suite d'un contrôle de la TVA, il a été constaté que le demandeur avait émis des factures qui avaient été enregistrées dans la comptabilité de l'entreprise de son fils et dont la TVA avait été déduite par cette entreprise, alors que le demandeur n'avait pas déclaré cette TVA dans ses propres déclarations périodiques de TVA, ni ne l'avait acquittée auprès du Trésor public.

Ces infractions ont été consignées dans un procès-verbal de régularisation daté du 24 septembre 2018, dans lequel une amende légale de 200 % a également été infligée.

Le demandeur a introduit un recours administratif contre ce procès-verbal. Par décision du 31 janvier 2019, ce recours a été entièrement rejeté.

Le demandeur, n'étant pas d'accord avec cette décision, a introduit une action en justice par requête déposée au greffe le 8 février 2019.

Le premier juge a déclaré la demande recevable mais non fondée. Il a été établi que le demandeur ne contestait pas le montant de la TVA due, mais uniquement l'amende infligée. Le tribunal a estimé que les infractions avaient été commises sciemment et volontairement par le demandeur, dès lors qu'il avait omis de déclarer l'intégralité de son chiffre d'affaires annuel, alors qu'en tant que responsable financier de la société de son fils, il était censé être pleinement informé de ses obligations fiscales. Le tribunal a également estimé qu'il n'y avait aucune raison d'accorder un sursis à l'exécution de l’amende, même si la loi avait prévu une telle possibilité.

2\. L’arrêt en degré d’appel

Le demandeur a interjeté appel de ce jugement. En appel, il a demandé la réduction, voire l'annulation, de l'amende infligée, calculée à hauteur de 200 % de la TVA due. Il a invoqué à cet égard le pouvoir d'appréciation du juge fiscal et a également fait valoir que le délai raisonnable, tel que visé à l'article 6 de la Convention européenne des droits de l'homme, aurait été dépassé. L'appelant a en outre apporté la preuve qu'il avait introduit auprès de l'administration une demande fondée sur l'article 9 de l'arrêté du Régent de 1831, qui avait abouti à une décision négative de rejet.

La cour d’appel n'a pas suivi la décision du juge de première instance et a estimé que l'amende infligée était disproportionnée par rapport à l'infraction commise. La cour d’appel a constaté que la mauvaise foi de l'appelant était avérée. En effet, il n'avait ni déclaré ni payé la TVA facturée, alors qu'il l'avait facturée à l'acheteur et que celui-ci l'avait déduite. La cour d’appel a toutefois estimé qu'une amende de 200 % constituait une sanction disproportionnée. La cour d'appel a décidé que l'amende administrative infligée devait être limitée à 100 % de la taxe due et a confirmé le jugement attaqué pour le reste.

**Texte intégral**

### Corps de la décision

L'arrêt n'est disponible que dans la langue originale.

**Arrest hof van beroep Brussel dd. 14.01.2026 - 2020/AF/306**

**L.V.T.,** ON ..., RRN ..., met zetel te ...,

appellant,

vertegenwoordigd door Mr. GEERTS Koenraad, advocaat te 3000 LEUVEN, Frederik Lintsstraat 57,

tegen

**DE BELGISCHE STAAT,** ON 0308.357.159, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend op verzoek van de Adviseur-Generaal, Directeur van het **KMO CENTRUM LEUVEN,** met burelen te 3001 HEVERLEE, Philipssite 3A bus 1,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. VAN DE VELDE Kristl, advocaat te 1000 BRUSSEL, Wolstraat 70,

---

Het hof, na beraad, spreekt in openbare zitting volgend arrest uit.

Gelet op de processtukken, inzonderheid,

 het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 12 juni 2020, waarvan geen betekeningsakte voorligt en waartegen hoger beroep werd aangetekend door de heer L.V.T. bij verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 27 juli 2020;

 de conclusies van appellant neergelegd ter griffie op 1 december 2020, 5 april 2021 en 22 oktober 2021 en die van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 27 januari 2021 en 23 augustus 2021;

 de stukken van appellant neergelegd ter zitting van het hof en die van geïntimeerde neergelegd op 3 juni 2025 en 21 oktober 2025.Feiten en voorgaanden

Appellant is een telecomadviseur, werkzaam voor één bedrijf, dat van zijn zoon. Hij is als BTW-plichtige geregistreerd onder BTW nr ....

Appellant werd door de Belgische Staat gecontroleerd voor zijn BTW-activiteiten van 1 januari 2018 tot 30 juni 2018.

Op 19 september 2018 werd een fiscale controle inzake btw voor de periode van 1 januari 2018 tot 30 juni 2018 uitgevoerd op de maatschappelijke zetel van de cie1, gevestigd te .... Deze vennootschap is geïdentificeerd als schuldenaar van de btw onder btw-identificatienummer .... Deze controle had plaats op de maatschappelijke zetel van de vennootschap in het bijzijn van appellant, tevens aandeelhouder en financieel verantwoordelijke van de vennootschap (financieel manager).

Er is aan appellant gevraagd om overeenkomstig [artikel 61§1 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-61) de boeken en stukken over te maken ter inzage die de belastingplichtige houdt, opgemaakt of afgeleverd heeft in het kader van de btw-regelgeving, en waarvan in het algemeen de bewaring is voorgeschreven in [artikel 60 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-60).

Tijdens de controle werd vastgesteld dat er in de boekhouding van de cie1 facturen werden opgenomen, uitgereikt door appellant, woonplaats ..., geïdentificeerd als schuldenaar van de btw onder het hoger al vermelde BTW-identificatienummer ... voor de activiteit van adviesbureau.

De op deze facturen betrekking hebbende BTW werd volgens de gegevens verstrekt door de Belgische Staat in aftrek geboekt in de BTW-aangiften van het eerste en tweede kwartaal 2018 van de cie1.

De facturen en hierop vermelde BTW zou echter niet aangegeven en betaald zijn in de overeenstemmende periodieke BTW-aangiften (l e en 2 e kwartaal 2018) van appellant zelf. Dit werd tijdens de controle blijkbaar door appellant niet betwist.

Bovenstaande overtreding werd opgenomen in een proces-verbaal inzake BTW (stukken 13-21 van de Belgische Staat) van 24 september 2018. De verschuldigde bedragen zijn dan opgenomen in het zogenaamde schuldartikel ... (stuk 22 van de Belgische Staat).

De verschuldigde sommen zouden volgens de uitleg van de Belgische Staat de volgende zijn:

BTW: € 23.719,50;

boete inzake BTW: € 47.439,00;

interesten vanaf 21 juli 2018.

Tegen dit proces-verbaal werd door appellant op 14 november 2018 een administratief bezwaar ingediend (stukken 11-12 Belgische Staat). Bij directoriale beslissing van 31 januari 2019 werd dit bezwaarschrift integraal afgewezen (stukken 6-10 Belgische Staat).

Op 8 februari 2019 is dan door appellant een verzoekschrift op tegenspraak ingediend bij de rechtbank van eerste aanleg te Leuven. (stukken 3-5 Belgische Staat) Hij vorderde de bestreden beslissing en het proces-verbaal van 24 september 2019 nietig te verklaren, minstens gedeeltelijke kwijtschelding van de gevorderde bedragen te verlenen en alleszins uitstel van tenuitvoerlegging toe te staan. Hij vorderde alle vorderingen te vernietigen dan wel ze te ontheffen en de Belgische Staat te veroordelen tot het terug betalen van alle bedragen die werden geïnd, meer intresten en deze te veroordelen tot de kosten van het geding.

Het bestreden vonnis verklaarde de vordering van appellant ontvankelijk maar ongegrond. (stukken 23-29 Belgische Staat). Daarop werd het al vermelde verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter zitting van het hof, dat de hierna volgende vorderingen aanhangig maakte.

Het bestreden vonnis motiveerde die beslissing door vast te stellen dat enkel de opgelegde boete werd betwist, doch dat terecht is vastgesteld dat appellant handelde met het oogmerk de belasting te ontduiken en niet louter een inschattingsfout heeft gemaakt. Het bestreden vonnis meende dan ook dat een boete inzake BTW berekend aan 200 % van de gevorderde BTW een aangepaste sanctionering is. Het bestreden vonnis oordeelde dat geen redenen bestonden om enig uitstel van tenuitvoerlegging van deze administratieve sanctie te overwegen.

## In rechte

## Vorderingen en middelen van partiien

## Vorderingen en middelen van appellant

Appellant vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren. Hij herneemt zijn vordering zoals gesteld in eerste aanleg en vordert de veroordeling van de Belgische Staat tot de kosten van het geding.

Hij voert daartoe de volgende middelen aan :

 de eigenlijke BTW t.b.v. € 23.719,50 € is reeds "betaald" via de BTW aangifte (stuk 3 appellant), hoewel niet effectief apart betaald omdat er een verrekening was met terug te krijgen BTW; appellant heeft een inschattingsfout gemaakt maar had geen opzet van strafrechtelijke en intentionele aard;

 het "verleden" waar de Belgische Staat naar verwijst inzake BTW-inbreuken betreft niet appellant, maar wel feitelijkheden door appellant begaan in het kader van een zekere cie2, een andere belastingplichtige;

 hooguit is er sprake van een tweede overtreding;

 er is geen bewijs van een voorgaand feit en appellant had geen bedrieglijk oogmerk in deze zaak om de BTW niet te betalen;

 een aanwezigheid van kwade trouw in hoofde van appellant is niet bewezen;

appellant verzoekt erom de BTW-boete kwijt te schelden dan wel ze te verminderen, en in ieder geval deze op te leggen met uitstel van tenuitvoerlegging; hij verwijst naar rechtspraak over de materie (vgl. Cass. 15 oktober 2010, [F.09.0081.N](https://juriel.be/fr/jurisprudence/sanctions-administratives-caractere-repressif-legalite-cassation-bruxelles-2010-10-15-7748); GwH 6 november 2008, nr. 157/2008, Fisc. Act. 2008, 41/9);

een BTW-boete berekend aan 200 % is te zwaar en onevenredig met de feiten;

 het hof kan die boete beoordelen op haar evenredigheid en haar verminderen of kwijtschelden aangezien zij een strafrechtelijk karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM; die vordering tot kwijtschelding is ook gebaseerd op het Regentsbesluit van 1831, meer bepaald het [artikel 9](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-9) daarvan; appellant legt uit dat een verzoekschrift aan de administratie zelf om over te gaan tot kwijtschelding op grond van dat Regentsbesluit, afgewezen is (stuk 4 van appellant).

## Vorderingen en middelen van de Belgische Staat

De Belgische Staat vordert het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren. Hij vordert het bestreden vonnis te bevestigen en appellant te veroordelen tot de kosten van het geding in beide aanleggen en hem te veroordelen tot de betaling van alle bedragen bedoeld in het proces-verbaal inzake BTW van 24 september 2018 en het dwangbevel met het RCIV-nr. ....

Hij voert hiertoe de volgende middelen aan :

 appellant voert klaarblijkelijk enkel betwisting over de opgelegde BTW-boetes;

een inschattingsfout is niet bewezen; er blijkt daarentegen moedwillig geen aangifte

inzake BTW gedaan en er is moedwillig geen BTW betaald;

 appellant heeft de verschuldigde BTW nog twee maal opgenomen in BTW-aangiften

maar rechtzettingen kan hij zelf niet doorvoeren;

de BTW zelf wordt wel degelijk nog betwist maar de verschuldigdheid ervan is

bewezen door het aantreffen van facturen uitgaande van appellant in de boekhouding

van de cie1;

 in die vennootschap is de aangerekende BTW in de BTW-aangifte opgenomen en weer

in aftrek gebracht;

 appellant zelf heeft die BTW evenwel niet aan de Belgische Staat afgedragen;de controle met volle rechtsmacht op grond van artikel 6 EVRM moet ertoe leiden dat de boete aan 200 % behouden blijft; het noodzakelijk opzet om de feiten te plegen, te weten een bedrieglijk opzet om geen BTW te betalen is immers bewezen;

 appellant is niet aan zijn proefstuk toe en was al eerder verwikkeld in constructies met een vennootschap cie2 en een vervolging inzake niet afgedragen BTW;

 de boete is evenredig met de begane inbreuken;

 geen uitstel van tenuitvoerlegging kan worden opgelegd omdat geen wettelijke bepalingen in zo'n mogelijkheid van uitstel van tenuitvoerlegging, en controle erop, voorzien.

## Beoordeling

## Bewijs van het bestaan van de BTW-schuld

Onterecht vordert appellant op dit punt dat het proces-verbaal inzake BTW van 24 september 2018 en het erop gebaseerd "schuldartikel" zouden moeten worden vernietigd.

Deze hebben terecht vastgesteld dat appellant voor de hierboven bedoelde gecontroleerde periode facturen heeft uitgereikt aan de cie1, met daarin de vermelding van dienstprestaties en een aangerekende BTW. Echter is die in het geheel niet afgedragen door appellant aan de Belgische Staat. Onterecht stelt hij dat de gevorderde BTW niet verschuldigd zou zijn. Het proces-verbaal levert het bewijs van de BTW-schuld.

Er bestaat dus geen aanleiding om de schuldvordering op dat punt niet gegrond te verklaren.

De vordering van de Belgische Staat om appellant daartoe te veroordelen tot de verschuldigde BTW is gegrond.

## De opgelegde BTW-boete-Verzoek tot vermindering van de opgelegde administratieve boete inzake BTW, opgelegd aan 200 % van de gevorderde BTW

Appellant levert het bewijs dat een verzoek van hem aan de administratie op grond van artikel 9 Regentsbesluit van 1831 resulteerde in een negatieve, afwijzende beslissing.

Appellant vordert de vermindering of kwijtschelding van de opgelegde BTW-boeten berekend aan 200 % van de gevorderde BTW wegens de matigingsbevoegheid van de fiscale rechter en wegens de volgens hem overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM.

Het hof kan met volle rechtsmacht oordelen over de gevorderde BTW boeten en het daarbij uitgeoefend toetsingsrecht is breder dan louter een wettigheidstoetsing.

In weerwil van hetgeen voorgehouden door de Belgische Staat beperkt de toepassing van het artikel 9 van het Regentsbesluit van 18 maart 1831 dat rechterlijk toetsingsrecht niet (Cass. 24 maart 2023).

Artikel 9 van het Regentsbesluit van 18 maart 1831 (Organiek besluyt van het bestuer van 's lands middelen) luidt als volgt :

> *"(De minister van Financiën) beschikt op de verzoeken om kwytschelding van boeten of verhoogingen van regt ten titel van boeten, andere dan degene uytgesproken door den Regter..."*

Het verleende hiermee aan de Minister de machtiging om genade te verlenen inzake fiscale (geldelijke) sancties (H. Dubois, "Het fiscaal genaderecht", Liber Amicorum B. Peeters, eveneens 9 juni 2022, www.jubel.be/het-fiscale-genaderecht).

Het betreft een recht van genade toegekend aan de uitvoerende macht krachtens artikel 110 GW en houdt derhalve de faculteit van de genade in door de fiscale administratie als uitvoerende macht, zonder, op straffe van schending artikel 6 EVRM, het recht op een beoordeling met volle rechtsmacht door een rechter van de nog niet definitief opgelegde administratieve boete, vatbaar voor genade krachtens het Regentsbesluit, vervat in artikel 6 EVRM, te beperken. Die genade blijkt hier trouwens te zijn afgewezen.

Evenmin staat vast, gezien het om een recht op verzoek om genade gaat (Gent 7 januari 2014, *FJF* 2017/7), dat dit verzoek de aard heeft van een "administratief beroep" als bedoeld in artikel 1385decies en 1385undecies Ger.W. De beoordeling van de opgelegde administratieve sanctie door dit hof krachtens artikel 6 EVRM is dus niet uitgesloten.

De nog gevorderde boete worden blijkbaar bedoeld als sanctie opgelegd aan appellant. Zij wordt door het hof beoordeeld, hoewel administratiefrechtelijk gevorderd, als van strafrechtelijke aard (cfr. o.a. Gr.H. 2 maart 1995, Gr.H. 24 februari 1999, Gr.H. 17 maart 1999; Hof Mensenrechten arrest Engel v. Nederland, 8 juli 1976, *Publ. Eur. Court H.R.* Serie A, nr. 22, Hof Mensenrechten arrest Lauko v. Slovakije, 2 september 1998, *Reports 1998 VI).* De rechter kan met volle rechtsmacht oordelen over de opgelegde geldboete inzake BTW, zonder dat hij deze om redenen van opportuniteit of billijkheid kan kwijtschelden (Cass. 5 februari 1999; Cass. 24 januari 2002; [Cass. 21 januari 2005](https://juriel.be/fr/jurisprudence/sanctions-administratives-caractere-repressif-legalite-cassation-bruxelles-2005-01-21-2739); www.juridat.be; G.H. 24 februari 1999).

De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 E.V.R.M., mag de wettigheid van die sanctie onderzoeken en in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het intern recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht laat aan de rechter toe na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk zodat het aan de rechter staat te onderzoeken of de Belgische Staat naar redelijkheid overging tot het vorderen van een administratieve sanctie zoals in concreto gedaan, wat evenwel niet inhoudt dat de rechter om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, de boete kan kwijtschelden of verminderen (cfr. Cass. 24 januari 2002, www.cass.be).

De boete hier echter gevorderd is onevenredig met de voorgehouden inbreuk. De kwade trouw van appellant staat weliswaar vast, doch de hoogte van de opgelegde administratieve boete leidt tot een onevenredige bestraffing. Immers staat niet vast dat appellant zelf "voorgaanden" en dus een boeteverleden heeft als BTW-plichtige. De aangehaalde problemen betreffen andere BTW-plichtigen, niet hijzelf.

Een administratieve boete berekend aan 100 % van de verschuldigde BTW is meer evenredig, gezien de persoonlijkheid van appellant die wel degelijk fraude pleegde door aangerekende BTW niet af te dragen en te betalen, en door ze niet aan te geven, en gezien de aard van de bestrafte feiten, zijnde BTW niet te betalen aan de Belgische Staat terwijl deze wel aan de afnemer is aangerekend en deze wel die BTW zelf in aftrek heeft gebracht.

In dit opzicht moet het bestreden vonnis dan ook eveneens gewijzigd worden.

Appellant vordert dan ook nog een uitstel van tenuitvoerlegging. Doch zelfs indien deze wettelijk zou zijn voorzien, zou het preventief effect van het opleggen van een administratieve boete inzake BTW zoals hierboven bepaald, niet bereikt worden. Er bestaat geen reden over te gaan tot het verlenen van enig dergelijk uitstel en na onderzoek van alle voorliggende objectieve gegevens bleek ook niet dat enig uitstel van tenuitvoerlegging in de voorliggende omstandigheden gepast zou zijn.

## Aangaande de kosten

Gelet op het voorgaande, en ondanks de matiging van de opgelegde administratieve boete, blijft gelden dat appellant moet worden veroordeeld worden tot de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep, nu de van hem gevorderde belasting inzake BTW wel degelijk verschuldigd is, evenals de helft van de opgelegde administratieve geldboete inzake BTW. Deze kosten van de procedure worden, voor wat deze in hoger beroep betreft, begroot op een geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding van € 4.709,30 aan de zijde van geïntimeerde, uitgaande van de omvang van de waarde van het geschil.

De bijdrage voor het begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand t.b.v. 20,00 euro blijft ten laste van appellant.

Het rolrecht is vrijgesteld (art. 162, 4° en 2791 Wb.Reg.).

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**HET HOF,**

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Verklaart het hoger beroep van appellant ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond,

Bevestigt het bestreden vonnis, behoudens in zoverre het oordeelde over de opgelegde administratieve boete,

Zegt op dit punt voor recht dat de opgelegde administratieve boete inzake BTW beperkt moet worden tot 100 % van de verschuldigde belasting,

Dienvolgens,

Veroordeelt appellant tot betaling aan geïntimeerde van de bedragen aan BTW, intresten op BTW en BTW-boeten zoals vermeld in het schuldartikel weergegeven in stuk 22 van de Belgische Staat, onder aftrek van wat betaald is of daarmee krachtens wettelijke bepalingen verrekend moet worden, en met beperking en vermindering van de in te vorderen administratieve boete inzake BTW, tot 100 % van de verschuldigde BTW, in plaats van 200 % daarvan,

Bevestigt het bestreden vonnis voor het overige,

Veroordeelt appellant tot de kosten van het hoger beroep, begroot op € 4.709,30 geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding.

Aldus uitgesproken in openbare terechtzitting van de **6N** kamer van het hof van beroep te Brussel op **14 JANUARI 2026**

waar aanwezig waren :

Caroline Vanderkerken, voorzitter

Jan Van den Bossche, griffier

### Note du SPF Finances

## Referentie WF

WF 712-15-18/055447

Finaliti 5436202601

## Textes cités

5

[CTVA art. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-1) 2 occurrences

[CTVA art. 70](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) 2 occurrences

[CTVA art. 60](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-60) 1 occurrence

[CTVA art. 61](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-61) 1 occurrence

[CTVA art. 9](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-9) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Scission artificielle des opérations, amende](https://juriel.be/fr/jurisprudence/scission-artificielle-operations-abus-taux-cour-appel-gand-2024-10-15-4ac3) 4 dispositions communes

[Séquestre, fraude au domicile, visite domiciliaire](https://juriel.be/fr/jurisprudence/sequestre-fraude-domicile-visite-domiciliaire-tribunal-gand-2024-10-02-1508) 3 dispositions communes

[Inspection à domicile, Fraude au domicile, visite](https://juriel.be/fr/jurisprudence/inspection-domicile-fraude-visite-cour-appel-gand-2025-02-04-3b64) 3 dispositions communes

[Disposition anti-abus](https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-anti-abus-cassation-bruxelles-2020-05-14-501a) 3 dispositions communes

[Construction artificielle, copie de fichiers informatiques, fraude, preuve](https://juriel.be/fr/jurisprudence/construction-artificielle-copie-fichiers-informatiques-tribunal-gand-2022-03-14-5275) 3 dispositions communes

[Indices de fraude, Droit de se taire](https://juriel.be/fr/jurisprudence/indices-fraude-droit-se-taire-cour-appel-bruxelles-2023-06-28-5ed6) 3 dispositions communes

[Nullité de la contrainte](https://juriel.be/fr/jurisprudence/nullite-contrainte-caractere-ordre-public-cour-appel-anvers-2021-10-15-7803) 3 dispositions communes

[Taux de TVA, taux TVA de 6%](https://juriel.be/fr/jurisprudence/taux-tva-reduit-immobilier-conditions-tribunal-2022-07-01-ad98) 3 dispositions communes
