---
title: "Chiffre d&#x27;affaires non déclaré · Cour d&#x27;appel d&#x27;Anvers, 24 juin 2025"
description: "Chiffre d'affaires non déclaré, délai de prescription prolongé, Visite, Preuve obtenue illégalement. Cour d'appel d'Anvers (Belgique), 24 juin 2025."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/chiffre-affaires-non-declare-delai-cour-appel-anvers-2025-06-24-3862"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Chiffre d'affaires non déclaré, délai de prescription prolongé, Visite

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Anvers

**Date**

24 juin 2025

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

298 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la cour d’appel d’Anvers sur renvoi (après cassation) dd. 24.06.2025 - Numéro de rôle : 2023/AR/1892

WF 709-15-18/020882 - Finality 54240082

\[ Arrêt favorable \]

*Taxe sur la valeur ajoutée – Chiffre d'affaires non déclaré – délai de prescription prolongé – Visite – Preuve obtenue illégalement – Taxation d'office – Fraude – Amende légale*

Dispositions légales

Articles [63](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-63), [66](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-66), [67](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-67), [70 §1 et 84ter](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) CTVA

## Résumé du jugement / de l’arrêt

1\. Faits et antécédents de procédure

Le redevable a été identifié à des fins de TVA pour l'activité de commerce de détail de voitures et de véhicules utilitaires légers.

Lors d'un contrôle effectué par le Centre national de recherche (CNR), département e-audit, il a été constaté que les prix de vente de plusieurs transactions étaient supérieurs aux prix de vente figurant dans les journaux de vente et que certaines voitures n'étaient pas enregistrées dans les journaux de vente.

Le juge de police a délivré un mandat officiel de perquisition. Lors d'une visite sur place, les agents du CNR ont fait une copie numérique de l'ordinateur présent dans le bureau. Plusieurs reçus originaux de paiements en espèces ont également été trouvés dans une poubelle située sur le parking professionnel. Les données ont été comparées entre elles et des anomalies ont été constatées. Un contrôle a alors été annoncé, à la suite de quoi le redevable a déclaré que la comptabilité était introuvable et qu'un contrôle ne servait à rien. En application de l'[article 84ter du CTVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-84ter), le redevable a été informé par lettre recommandée que l'administration avait l'intention d'appliquer le délai de prescription prolongé prévu à l'[article 81bis, §1, deuxième alinéa, 4° du CTVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-81bis). Une taxation d'office a ensuite été effectuée.

Le redevable a contesté cette décision devant le tribunal de première instance, qui a jugé que la notification relative à la prolongation du délai de prescription n'était pas valable et que le titre exécutoire contesté devait être annulé.

Le juge d'appel a annulé le jugement, mais a ramené l'amende à 100 %.

Les deux parties ont alors formé un pourvoi en cassation. La Cour de cassation a annulé l'arrêt attaqué « sauf dans la mesure où il déclare l'appel recevable et statue sur la prescription du recouvrement et les frais », et l'affaire ainsi limitée a été renvoyée.

2\. L’arrêt

La cour ne voit aucune raison d'exclure certains éléments (notamment des enregistrements audio et des photos pris par le contribuable sans l'autorisation des fonctionnaires, des pièces du dossier pénal) des débats.

Le contribuable estime que le redressement fiscal est fondé sur des preuves obtenues de manière illégale. Il affirme que la perquisition n'a pas été effectuée dans les règles et qu'il n'a pas donné son autorisation pour qu'elle ait lieu. La cour estime que les données montrent que le contribuable ne s'est initialement pas opposé à la perquisition et qu'il a au contraire coopéré activement. Au cours de la perquisition, il a retiré son autorisation. Les données obtenues à la suite de la poursuite de la perquisition après le retrait de l'autorisation du contribuable ont été obtenues de manière illégale. L'utilisation de preuves obtenues illégalement ne peut être refusée dans les affaires fiscales que si les moyens de preuve ont été obtenus d'une manière tellement contraire à ce que l'on peut attendre d'une administration agissant correctement que leur utilisation doit être considérée comme inadmissible en toutes circonstances ou si cette utilisation compromet le droit du contribuable à un procès équitable.

Les données obtenues lors de la visite à domicile par l'administration constituent des preuves fiables. Le contribuable peut contester ces pièces afin que ses droits de défense ne soient pas violés. La cour estime que la gravité de l'infraction dépasse de loin l'irrégularité commise. La cour estime donc qu'il n'y a aucune raison d'exclure les données obtenues comme preuve pour établir les impôts indirects.

En outre, il n'y a pas eu de calcul arbitraire et/ou aléatoire de la part de l'administration fiscale dans le cadre de la taxation d’office.

L'amende a été motivée de manière suffisante et infligée conformément aux dispositions légales. Elle est proportionnée à la nature et à la gravité des infractions et la cour ne voit aucune raison de la supprimer, de la réduire ou de surseoir à son exécution, si la loi prévoyait une telle mesure.

**Texte intégral :**

L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale.

### Corps de la décision

**Arrest van het hof van beroep Antwerpen na verwijzing dd. 24.06.2025**

**Rolnummer: 2023/AR/1892**

**BELGISCHE STAAT- FOD FINANCIËN,** ON 0308.357.159, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de **ADVISEUR-GENERAAL-DIRECTEUR VAN HET KMO CENTRUM AALST,** met diensten te 9300 AALST, Dr. A. Sierensstraat 16 bus 1,

Eiser na cassatie,

vertegenwoordigd door mr. B.B., advocaat te …

tegen het Vonnis van de kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent van 25 november 2019, gekend onder rolnummer 18/1445/A

(zaak verwezen bij arrest van het Hof van Cassatie van 16 juni 2023 na vernietiging van het arrest van het hof van beroep te Gent van 20 april 2021)

tegen

**S.H.,** RRN …, wonende te …,

Verweerder na cassatie,

vertegenwoordigd door mr. D.W., advocaat te …

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder een eensluidend afschrift van het arrest van het Hof van Cassatie van 16 juni 2023, op verzoek van de Belgische Staat bij gerechtsdeurwaardersexploot van 30 november 2023 betekend aan S.H., met dagvaarding om te verschijnen voor het hof van beroep te Antwerpen.

## 1. Voorafgaande feiten en procedure

1.1. Voorwerp van de betwistinq.

Het geschil heeft betrekking op het verzet tegen het dwangbevel met

artikelnummer 500/1896/36083 opgesteld, uitgevaardigd, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 7 december 2017 en aan verweerder na cassatie ter kennis gebracht met een aangetekende brief, waarin de betaling werd gevorderd van een bedrag van € 132.523,32, samengesteld ais volgt:

 37.142,60 euro btw,

 74.285,20 euro geldboete,

 21.095,52 euro intresten.

1.2. Feiten en administratieve fase.

Verweerder na cassatie was van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2012 geïdentificeerd voor btw-doeleinden onder het btw-registratienummer … wegens zijn activiteit van detailhandel in auto's en lichte bestelwagens (eenmanszaak). Hij was onderworpen aan de normale btw-regeling en gehouden tot het indienen van maandaangiften.

Verweerder na cassatie is thans zaakvoerder van E.C. bv (voordien bvba), met maatschappelijke zetel in … De BV E.C. is sedert 1 augustus 2011 geïdentificeerd voor btw-doeleinden wegens haar activiteit van groot -en detailhandel in auto's en lichte bestelwagens, en in die hoedanigheid onderworpen aan de btw-wetgeving en de ter uitvoering ervan getroffen besluiten. Zij is ais btw-belastingplichtige geregistreerd onder het btw-registratienummer ... Deze vennootschap is onderworpen aan de normale btw-regeling en gehouden tot het indienen van maandaangiften.

Op 7 maart 2017 kondigde de administratie bij E.C. bv een controle aan op 28 maart 2017 met betrekking tot de handelingen die uitgevoerd werden tijdens de periode van 1 januari 2014 tot 31 december 2015. De btw-controle beperkte zich tot het nazicht van de kosten en de omzet tijdens de periode van 1 januari 2014 tot 31 december 2015.

Ook op 29 mei 2017 voerde de administratie een controle uit bij E.C. bv in Aalst. Naar aanleiding van deze controle werd een digitale kopie meegenomen van het Excel-bestand 'aan en verkoop.xls'. Volgens de administratie bevat dit bestand alle auto's die door E.C. bv werden aangekocht en verkocht met vermelding van hun aankoop- en verkoopprijzen. Volgens de administratie bleken uit de vergelijking van dit bestand met de verkoopjournalen verschillen tussen de prijzen. De administratie stelde vast dat de verkoopprijzen uit het Excel-bestand voor verschillende transacties hoger lagen dan de verkoopprijzen uit de verkoopjournalen en dat sommige auto's uit het Excel-bestand zelfs niet waren opgenomen in de verkoopjournalen. De administratie stelde daarover het proces-verbaal van 22 juni 2017 op.

Op 16 juni 2017 werd aan E.C. bv een vraag om inlichtingen verstuurd over de vastgestelde onregelmatigheden voor de boekjaren 2014 en 2015 in het gevonden Excel-bestand 'aan en verkoop.xls'.

Op 22 juni 2017 ontving het KMO Centrum Aalst een notificatie van verkoop onroerende goederen ingevolge artikel 93ter W.Btw van notaris De Witte Kris waarin vermeld stond dat het handelspand en het woonhuis gelegen in Aalst vervreemd werden door verweerder na cassatie en de E.C. bv.

Op 26 juni 2017 heeft de administratie een aanvraag om machtiging tot toegang van particuliere woningen gericht aan de politierechter van de politierechtbank Oost-Vlaanderen, Afdeling Aalst. Diezelfde dag werd door de rechter een officiële machtiging tot huisvisitatie verleend.

Op 27 juni 2017 werd er in het kader van een fiscaal onderzoek op de maatschappelijke zetel van E.C. bv een (onaangekondigd) bezoek ter plaatse verricht. Ze werden te woord gestaan door verweerder na cassatie die verklaarde te handelen als zaakvoerder van de E.C. bv.

Tijdens dit plaatsbezoek werd door de administratie een digitale kopie genomen van de in de bureelruimte aanwezige computer. Tussen de gekopieerde bestanden bevond zich het Excel-bestand 'aan en verkoop.xls'. Dit Excel-bestand bevat volgens de administratie maandelijkse lijsten van de aan- en verkopen van voertuigen en toebehoren. Deze lijst werd voor de kalenderjaren 2014 en 2015 vergeleken met een aantal originele ontvangstbewijzen voor cash-betalingen die bij de huisvisitatie gevonden werden in een afvalcontainer die zich op de parking van E.C. bv bevond. Volgens de administratie bleek hieruit dat de bedragen vermeld op voornoemde ontvangstbewijzen overeenstemden met de bedragen opgenomen in het Excel-bestand 'aan en verkoop.xls'. De administratie maakte van deze vaststellingen het proces-verbaal van 3 juli 2017 op.

De administratie stelde naar aanleiding van het plaatsbezoek op 27 juni 2017 een proces-verbaal van retentie op. Volgens de administratie werden met toestemming van verweerder na cassatie een aantal stukken en documenten meegenomen ter nazicht.

De administratie verklaart dat het Excel-bestand 'aan en verkopen.xls' ook maandelijkse lijsten van de aan— en verkopen van voertuigen en toebehoren bevatte met betrekking tot de kalenderjaren 2010 en 2011, gerealiseerd door verweerder na cassatie. De administratie verklaart dat om die reden op 1 september 2017 per mail een btw-controle werd aangekondigd voor 20 september 2017 bij de gemandateerde boekhouder van verweerder na cassatie. De administratie verzocht verweerder na cassatie om de boekhouding over deze periode ter beschikking te houden, teneinde de ingediende btw-aangiften over de kalenderjaren 2010 en 2011 te vergelijken met de gegevens van voornoemd Excelbestand. Per e-mail van 19 september 2017 werd de administratie er door de gemandateerde boekhouder van op de hoogte gebracht dat de gevraagde stukken niet konden voorgelegd worden aangezien verweerder na cassatie de boekhouding voor de kalenderjaren 2010 en 2011 niet meer kon terugvinden en de voorgestelde controle zodoende geen zin had.

Op 16 oktober 2017 heeft de administratie zich aangeboden bij de gemandateerde boekhouder om de boekhouding van verweerder na cassatie na te zien met betrekking tot de kalenderjaren 2010 en 2011. De gemandateerde boekhouder verklaarde (opnieuw) dat de boekhouding niet meer terug te vinden was.

Deze vaststellingen werden opgenomen in een proces-verbaal van 16 oktober 2017. In een proces-verbaal van 4 december 2017 heeft de administratie aan verweerder na cassatie een forfaitaire geldboete van € 1.500,00 opgelegd wegens het niet voorleggen van de boekhouding (artikel 61, § 1 W.btw.)

In een aangetekende brief van 23 oktober 2017 stelde de administratie verweerder na cassatie ervan op de hoogte toepassing te maken van artikel 84ter W.btw. De administratie stelde verweerder na cassatie in kennis van de verlengde verjaringstermijn wegens vermoedens van belastingontduiking door verweerder na cassatie begaan tijdens de jaren 2010 en 2011.

Bij aangetekende brief van 24 oktober 2017 verzond de administratie aan verweerder na cassatie een voorafgaande notificatie van ambtelijke aanslag waarbij het bedrag van de verschuldigde belasting werd geraamd op een bedrag van € 37.142,60 (€ 36.263,72 voor kalenderjaar 2010 en € 878,88 voor kalenderjaar 2011). Er werd een geldboete

aangekondigd ten bedrage van € 74.285,20, gelijk aan het dubbel van de ontdoken belasting.

Bij aangetekend schrijven van 21 november 2017 liet verweerder na cassatie aan de administratie weten niet akkoord te gaan met de voorgestelde ambtelijke aanslag.

Bij aangetekend schrijven van 6 december 2017 werd verweerder na cassatie er door de administratie van op de hoogte gebracht dat er geen rekening zou gehouden worden met de opmerkingen van zijn raadsman en ging de administratie zodoende over tot het vestigen van een ambtelijke aanslag inzake btw lastens verweerder na cassatie.

Op 7 december 2017 werd het dwangbevel met artikelnummer 500/1896/36083 opgesteld, uitgevaardigd, geviseerd en uitvoerbaar verklaard en aan verweerder na cassatie ter kennis gebracht met een aangetekende brief, waarin de betaling werd gevorderd van een bedrag van € 132.523,32, samengesteld ais volgt:

 37.142,60 euro btw,

 74.285,20 euro geldboete,

 21.095,52 euro intresten.

1.3. Voorafaande gerechteliike procedure.

Met een verzoekschrift van 17 april 2018 stelde verweerder na cassatie zijn vordering tegen dit dwangbevel in voor de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent.

In het vonnis van 25 november 2019 heeft de zesde kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent beslist om:

 alle meeromvattende en strijdige conclusies te verwerpen ais niet ter zake dienend;

 de vordering ontvankelijk en in volgende mate gegrond te verklaren;

•het BTW-dwangbevel met RCIV nummer 500/1896/36083 uitgevaardigd op 7 december 2017 jegens verweerder na cassatie te vernietigen;

•de terugbetaling te bevelen van alle eventueel op grond van het dwangbevel ten onrechte geïnde sommen, vermeerderd met moratoriumintrest;

•de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van deze aanleg, met name:

 de bijdrage bedoeld in artikel 4 § 2 en 5 §§ 1 en 2 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand ten belope van 20,00 EUR ten hare laste te leggen, en

 de rechtsplegingsvergoeding in hoofde van verweerder na cassatie te begroten op 6.000,00 EUR.

De rechtbank besloot dat de Belgische Staat niet nauwkeurig kennis had gegeven van de vermoedens van belastingontduiking die tegen de belastingplichtige in de betreffende periode bestond. Naar het oordeel van de rechtbank vroeg verweerder na cassatie terecht de vernietiging van het dwangbevel omdat de onderliggende kennisgeving van 23 oktober 2017 inzake uitbreiding van de verjaringstermijn niet rechtsgeldig was gebeurd.

Bij verzoekschrift van 18 februari 2020 heeft de Belgische Staat hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, zesde kamer, op 25 november 2019 werd uitgesproken in de zaak met

rolnummer 18/1445/A.

Bij arrest van het hof van beroep te Gent van 20/04/2021 werd beslist ais volgt:

> "Het hof beslist ais volgt:
>
>  het hoger beroep is ontvankelijk en gegrond zoals hierna bepaald;
>
>  het bestreden vonnis wordt vernietigd behoudens waar het de vordering van de geïntimeerde ontvankelijk verklaart;
>
>  het hof doet opnieuw recht en verklaart de vordering van de geïntimeerde ongegrond met dien verstande dat de geldboete van 200 %, zoals opgelegd in het bestreden dwangbevel met artikelnummer 500/1896/36083 herleidt (sic) wordt naar 100 %;
>
>  Het hof veroordeelt de geïntimeerde tot het betalen van de gerechtskosten van de beide instanties, vastgesteld ais volgt:
>
> aan de kant van de appellant:
>
>  bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 20,00 EUR
>
>  rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 6.000,00 EUR \* (sic) - aan de kant van de geïntimeerde (ten zijne laste blijvend):
>
>  bijdrage begrotingsfonds eerste aanleg: 20,00 EUR"

Het hof van beroep te Gent oordeelde dat louter het gegeven dat geen toestemming werd verleend, op zich niet inhield dat de belastingambtenaren dwang hadden gebruikt. Er kon hier niet worden vastgesteld dat door de belastingambtenaren onrechtmatige dwang werd aangewend bij het uitvoeren van de visitatie. Er werd ook niet aangetoond of aannemelijk gemaakt dat de rechten van verdediging of de grondrechten van de verweerder na cassatie naar aanleiding van de visitatie werden geschonden of de visitatie werd uitgevoerd op een wijze die kennelijk onredelijk of disproportioneel was. De vaststelling dat verweerder na cassatie de machtiging en de kennisgeving (art. 84ter W.Btw.) niet voor ontvangst wou ondertekenen maakte de visitatie niet onregelmatig. Die houding toonde naar het oordeel van het hof de uitoefening aan van de vrije wil van verweerder na cassatie. Volgens het hof van beroep was er geen grond om tot de onrechtmatige herkomst te besluiten van de gegevens die werden verkregen naar aanleiding van de visitatie en was dit middel van verweerder na cassatie ongegrond.

Verder oordeelde het hof van beroep te Gent:

> "De kennisgeving van toepassing van de verlengde verjaringstermijn is bijzonder uitgebreid. De kennisgeving vermeldt dat naar aanleiding van een normale controle van E.C. bv het Excel-bestand 'aan en verkopen.xls' werd aangetroffen dat ook maandelijkse lijsten van de aan— en verkopen van voertuigen en toebehoren bevatte met betrekking tot de
>
> kalenderjaren 2010 en 2011. Op dat moment oefende de geïntimeerde diezelfde activiteit nog uit onder eigen naam als zelfstandige. De schriftelijke kennisgeving zet op een zeer uitvoerige en duidelijke wijze uiteen dat de verschillen tussen die Excel-lijst en de officiële verkopen, zoals die blijkt uit de aangiften, wijzen op niet aangegeven (sic) omzet. Een zelfde vergelijking tussen deze lijst en de btw-aangiften voor 2010 en 2011, wijst eveneens op een niet aangegeven (sic) meeromzet van dezelfde activiteit die de geïntimeerde toen uitoefende. Niets belet overigens dat vermoedens van belastingontduiking ten aanzien van een bepaalde belastingplichtige ontstaan naar aanleiding van een onderzoek bij een andere belastingplichtige.
>
> De kennisgeving maakt meteen een berekening van de eventueel niet aangegeven omzet. Daarmee heeft deze kennisgeving op een nauwkeurige wijze de vermoedens van belastingontduiking meegedeeld en voldaan aan de vereisten van artikel 84ter W.Btw."

Het hof van beroep te Gent oordeelde dat uit de vergelijking tussen het Excel-bestand 'aan - en verkoop.xls' en de ingediende btw-aangiften, bleek dat in de jaren 2010 en 2011 een bedrag van € 37.142,60 aan verschuldigde btw (€ 36.263,72 voor kalenderjaar 2010 en € 878,88 voor kalenderjaar 2011) niet werd opgenomen in de aangiften.

Naar het oordeel van het hof van beroep te Gent toonde de administratie aan de hand van een grondige analyse van het Excel-bestand, ontvangstbewijzen, feitelijke vermoedens en een geheel van overeenstemmende elementen aan dat de inhoud van het Excel-bestand kon worden aangemerkt als een zeker en vaststaande gegeven; terwijl verweerder na cassatie deze niet weerlegde aan de hand van controleerbare gegevens. Verweerder na cassatie

legde, naar het oordeel van het hof, voor de jaren 2010 en 2011 nog steeds geen samenhangende en controleerbare boekhouding voor die onderbouwd werd door stavingstukken (aankoopdagboek, verkoopdagboek, historiek algemene rekeningen,...).

Wat betreft de opgelegde geldboete oordeelde het hof van beroep te Gent dat de verschillen tussen het Excel-bestand en de aangegeven omzet bewezen dat verweerder na cassatie opzettelijk bepaalde inkomsten niet had aangegeven. Daarover kon, naar het oordeel van het hof, geen gerede twijfel bestaan en de boete werd ook afdoende gemotiveerd. Naar het oordeel van het hof was een geldboete van 100 % voldoende hoog en bevond die zich in evenredige verhouding met de overtredingen om de voormelde doelstellingen te bereiken. De boete van 200 % werd herleid naar 100 %.

Verweerder na cassatie ([F.21.0181.N](https://juriel.be/fr/jurisprudence/prescription-delai-cas-fraude-notification-cassation-bruxelles-2023-06-16-fcdb)) en de Belgische Staat ([F.21.0187.N](https://juriel.be/fr/jurisprudence/prescription-delai-cas-fraude-notification-cassation-bruxelles-2023-06-16-fcdb)) stelden een voorziening in cassatie in tegen voormeld arrest van het hof van beroep te Gent.

Bij arrest van het Hof van Cassatie van 16 juni 2023 werd als volgt beslist:

4.*Krachtens* [*artikel 81bis, § 1, eerste lid, Btw-wetboek*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-81bis) *is er verjaring voor de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van de opeisbaarheid van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.*

*Krachtens* [*artikel 81bis, §1, tweede lid, 4°, Btw-wetboek*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-81bis) *is er in afwijking van het eerste lid evenwel verjaring na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan, wanneer de overtreding bedoeld in de artikelen 70 of 71 begaan is met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden.*

5.*Krachtens* [*artikel 84ter Btw-wetboek*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-84ter) *moet de administratie, indien zij voornemens is de verjaringstermijn bepaald in artikel 81bis, §1, tweede lid, 4°, toe te passen, op straffe van nietigheid van de rechtzetting, voorafgaandelijk aan de betrokkene schriftelijk en nauwkeurig kennis geven van de vermoedens van belastingontduiking die tegen hem bestaan in de betreffende periode.*

6.*De vaststelling van een niet-aangegeven meeromzet die blijkt uit een vergelijking tussen de verkoopprijzen opgenomen in een document aangetroffen naar aanleiding van de controle bij een andere belastingplichtige en de verkoopprijzen volgens de btw-aangifte van de belastingplichtige, en die niet geloofwaardig kan worden verantwoord, kan gelden als een vermoeden van belastingontduiking.*

*7.*[*Artikel 84ter Btw-wetboek*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-84ter) *vereist niet dat de daarin bedoelde kennisgeving nauwkeurig vermeldt welke inzichten of bedoelingen te schaden aan de belastingplichtige ten laste kunnen worden gelegd. Het volstaat dat het vermoeden van belastingontduiking nauwkeurig wordt vermeld.*

*Evenmin is vereist dat de fiscale administratie over bekende feiten of vaststellingen beschikt die tot het bewijs van belastingontduiking aanleiding kunnen geven en dat zij dit moet meedelen in de voorafgaande kennisgeving. Het zou immers in strijd zijn met de wil van de*

*wetgever de fiscale administratie op voorhand te dwingen te bewijzen wat hetjuist op grond van een aanvullend onderzoek wil bewijzen.*

*De voorafgaande kennisgeving van een nauwkeurig omschreven vermoeden van belastingontduiking volstaat bijgevolg, zonder dat het bewijs van de belastingontduiking reeds objectief moet zijn geleverd. Enkel wanneer het vermoeden onnauwkeurig is omschreven of berust op vage of ongeloofwaardige veronderstellingen, kan niet tot het bestaan van een vermoeden van belastingontduiking worden besloten.*

8.*De appelrechter stelt vast en oordeelt dat:*

*-* *de kennisgeving van toepassing van de verlengde verjaringstermijn bijzonder uitgebreid is; - de kennisgeving vermeldt dat naar aanleiding van een normale controle van E.C. bv het Excel-bestand 'aan- en verkopen.xls' werd aangetroffen dat ook maandelijkse lijsten van de aan- en verkopen van voertuigen en toebehoren bevatte met betrekking tot de kalenderjaren 2010 en 2011;*

*-* *de eiser op dat moment diezelfde activiteit nog onder eigen naam ais zelfstandige uitoefende;*

*-* *de schriftelijke kennisgeving op zeer uitvoerige en duidelijke wijze uiteenzet dat de verschillen tussen die Excel-lijst en de officiële verkopen, zoals die blijkt uit de aangiften, wijzen op niet aangegeven omzet;*

*-* *eenzelfde vergelijking tussen deze lijst en de btw-aangiften voor 2010 en 2011 eveneens wijst op een niet aangegeven meeromzet van dezelfde activiteit die de eiser toen uitoefende; - niets belet dat vermoedens van belastingontduiking ten aanzien van een bepaalde belastingplichtige ontstaan naar aanleiding van een onderzoek bij een andere belastingplichtige;*

*-* *de kennisgeving meteen een berekening maakt van de eventueel niet aangegeven omzet; - deze kennisgeving daarmee op een nauwkeurige wijze de vermoedens van belastingontduiking heeft meegedeeld en voldoet aan de vereisten van* [*artikel 84ter Btw-wetboek*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-84ter)*;*

*-* *waar de kennisgeving mede tot doel heeft de belastingplichtige in staat te stellen zijn rechtspositie te kennen en zijn rechten van verdediging te vrijwaren tegen eventuele latere aanspraken van de administratie, daaraan met deze kennisgeving zeker is tegemoet gekomen;*

*-* *de administratie in de kennisgeving zowat alle resultaten van het onderzoek heeft meegedeeld, zodat de eiser meteen het debat kon aangaan met de administratie, zijn standpunt met kennis van zaken kon meedelen en zijn verweer kon organiseren en uitoefenen;*

*-* *anders dan de eiser stelt, niet blijkt dat het vermoeden van belastingontduiking steunt op de inbreuk op* [*artikel 61 Btw-wetboek*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-61)*, namelijk door het niet voorleggen van de boekhouding van de jaren 2010 en 2011 en het duidelijk de verschillen zijn tussen het Excel-bestand en de aangiften die het vermoeden van fraude hebben doen ontstaan.*

9.*Op die gronden verantwoordt de appelrechter zijn beslissing dat rekening houdende met alle gegevens van het dossier terecht een vermoeden van fraude werd aangenomen, zoals behoorlijk omschreven in de kennisgeving, naar recht.*

*Net middel kan niet worden aangenomen.*

*Tweede middel*

*Krachtens* [*artikel 63, eerste lid, Btw-wetboek*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-63) *moet eenieder die een economische activiteit uitoefent, aan de ambtenaren die bevoegd zijn om de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde te controleren en in het bezit zijn van hun aanstellingsbewijs, op elk tijdstip en zonder voorafgaande verwittiging, vrije toegang verlenen tot de ruimten waar de activiteit wordt uitgeoefend teneinde hen in staat te stellen: 1° de boeken en stukken te onderzoeken die zich aldaar bevinden; 2° door middel van de gebruikte uitrusting en met de bijstand van de betrokkene de betrouwbaarheid na te gaan van de geïnformatiseerde inlichtingen, gegevens en bewerkingen, door onder meer de voorlegging ter inzage te vorderen van stukken die in het bijzonder zijn opgesteld om de op informatiedragers geplaatste gegevens om te zetten in een leesbare en verstaanbare vorm; 3° de aard en de belangeheid vast te stellen van de aldaar uitgeoefende werkzaamheid en van het daarvoor aangesteld personeel, alsook van de aldaar aanwezige koopwaren en goederen, met inbegrip van productie- en vervoermiddelen.*

*Krachtens* [*artikel 63, derde lid, Btw-wetboek*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-63) *mogen die ambtenaren, met hetzelfde doel, eveneens op elk tijdstip, zonder voorafgaande verwittiging, vrij binnentreden in alle gebouwen, werkplaatsen, inrichtingen, lokalen of andere plaatsen die niet in het vorige lid zijn bedoeld en waar in dit Wetboek bedoelde handelingen worden verricht. Tot particuliere woningen of bewoonde lokalen hebben zij evenwel slechts toegang tussen vijf uur 's morgens en negen uur 's avonds en uitsluitend met machtiging van de politierechter.*

1.*De ambtenaren die bevoegd zijn om de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde te controleren, mogen zich geen toegang tot particuliere woningen of bewoonde lokalen verschaffen zonder voorafgaande toestemming van de belastingplichtige. De machtiging van de politierechter verleent de desbetreffende ambtenaren enkel de toelating om tot de visitatie van particuliere woningen of bewoonde lokalen over te gaan, maar houdt niet in dat die ambtenaren die lokalen ook zonder voorafgaande toestemming van de belastingplichtige mogen betreden.*

*De toestemming van de belastingplichtige dient blijvend aanwezig te zijn.*

2.*De appelrechter stelt vast en oordeelt dat:*

*-* *de eiser bij de aanvang van de visitatie zijn toestemming verleende, maar kennelijk nadien een geluidsopname maakte waarin hij zegt dat hij geen toestemming verleent, waarop de ambtenaar zegt dat hij wel toestemming heeft verleend;*

*-* *de eiser niet bewijst dat er sprake is van een wilsgebrek;*

*-* *uit het arrest van het Grondwettelijk Hof van 12 oktober 2017 volgt dat de belastingambtenaren geen dwang mogen gebruiken bij het uitvoeren van een visitatie; - de machtiging van de politierechter inhoudt dat de al dan niet toestemming van de belastingplichtige in beginsel van geen belang is en de belastingplichtige geen toestemming hoeft te geven aangezien er een machtiging verleend is;*

*-* *het Grondwettelijk Hof in het voormelde arrest overwoog dat een zinvolle interpretatie van de verplichting tot medewerking vereist dat de belastingadministratie niet afhankelijk is van de keuze van belastingplichtige om te bepalen in welke documenten hij inzage verleent en dat de belastingplichtige zijn medewerking dient te verlenen om bijvoorbeeld gesloten kasten of kluizen te openen;*

*-* *Jouter het gegeven dat geen toestemming werd verleend, op zich niet inhoudt dat de belastingambtenaren dwang hebben gebruikt;*

*-* *er hier niet kan worden vastgesteld dat door de belastingambtenaren onrechtmatige dwang werd aangewend bij het uitvoeren van de visitatie;*

*-* *er ook niet wordt aangetoond of aannemelijk gemaakt dat de rechten van verdediging of de grondrechten van de eiser naar aanleiding van de visitatie werden geschonden of de visitatie werd uitgevoerd op een wijze die kennelijk onredelijk of disproportioneel was;*

*-* *de vaststelling dat de eiser de machtiging en de kennisgeving niet voor ontvangst wou ondertekenen, de visitatie niet onregelmatig maakt en die houding de uitoefening van de vrije wil van de eiser aantoont;*

*-* *er geen grond is om tot de onrechtmatige herkomst te besluiten van de gegevens die werden verkregen naar aanleiding van de visitatie.*

3.*Door aldus te oordelen dat de intrekking van de toestemming door de belastingplichtige*

*om de lokalen te betreden en er niet aan in de weg staan dat de visitatie wordt verdergezet,*

*verantwoordt de appelrechter zijn beslissing niet naar recht.*

*Het middel is in zoverre gegrond.*

*Overige grieven*

4.*De overige grieven kunnen niet tot een ruimere cassatie leiden.*

*Zaak* [*F.21.0187.N*](https://juriel.be/fr/jurisprudence/prescription-delai-cas-fraude-notification-cassation-bruxelles-2023-06-16-fcdb)

5.*Gelet op het antwoord op het tweede middel in de zaak* [*F.21.0181.N*](https://juriel.be/fr/jurisprudence/prescription-delai-cas-fraude-notification-cassation-bruxelles-2023-06-16-fcdb)*, dient het middel,*

*dat niet tot een ruimere cassatie kan leiden, niet te worden beantwoord.*

*Dictum*

*Het Hof,*

*Voegt de cassatieberoepen* [*F.21.0181.N*](https://juriel.be/fr/jurisprudence/prescription-delai-cas-fraude-notification-cassation-bruxelles-2023-06-16-fcdb) *en* [*F.21.0187.N*](https://juriel.be/fr/jurisprudence/prescription-delai-cas-fraude-notification-cassation-bruxelles-2023-06-16-fcdb)*.*

*Vernietigt het bestreden arrest, behoudens in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk*

*verklaart en het oordeelt over de verjaring van de invordering en de kosten.*

*Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk*

*vernietigde arrest.*

*Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.*

*Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.*

*1.4.* *Procedure voor het hof van beroep te Antwerpen.*

Eiser na cassatie, de Belgische Staat, vordert:

\- het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, en dienvolgens het bestreden vonnis zoals verleend door de rechtbank van eerste aanleg te Gent, te vernietigen en te zeggen voor recht dat de vordering van verweerder na cassatie ongegrond is; de gevestigde ambtelijke aanslag van 06/12/2017 en het betekende dwangbevel van 07/12/2017 integraal te bevestigen;

verweerder na cassatie te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van: i) de bijdrage van 20 euro voor het begrotingsfonds van de juridische tweedelijnsbijstand, ii) de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep (basisbedrag- ad 7.500 euro), iii) de kosten verbonden aan de procedure voor het Hof

van Cassatie (betekeningskosten ad 503,45 euro) en iv) de kosten verbonden aan de procedure voor het hof van beroep te Antwerpen na verwijzing (betekeningskosten ad 377,25 euro).

Eiser na cassatie vordert ter zitting van 27/05/2025 de bijdrage voor het begrotingsfonds in hoger beroep voor het hof van beroep te Gent ten laste van verweerder na cassatie te

leggen.

Verweerder na cassatie vordert:

Het verzoekschrift tot hoger beroep af te wijzen ais ongegrond;

in hoofdorde:

het bestreden vonnis te bevestigen,

dienvolgens de ambtshalve aanslag en het bestreden dwangbevel te vernietigen en de terugbetaling te bevelen van alle eventueel ten onrechte ingehouden en geïnde sommen vermeerderd met de moratoriuminteresten vanaf de dag van de betaling, te kapitaliseren overeenkomstig art. 5.207 BW (art. 1154 oud BW); in ondergeschikte orde:

de administratieve geldboete van 200% te vernietigen en/of te ontheffen (of kwijt te scheiden en/of uitstel van tenuitvoerlegging te bevelen) en de terugbetaling te bevelen van alle eventueel ten onrechte ingehouden en geïnde sommen, vermeerderd met de moratoriuminteresten vanaf de dag van de betaling, te kapitaliseren overeenkomstig art. 5.207 BW (art. 1154 oud BW);

De Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding met inbegrip van i) de bijdrage van 20 euro voor het begrotingsfonds van de juridische tweedelijnsbijstand, ii) de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding (basisbedrag van 7.848,48 euro) zowel in eerste aanleg ais in hoger beroep en iii) de kosten verbonden aan de procedure bij het Hof van Cassatie (betekeningskosten ad 454,80 euro).

Verweerder na cassatie begroot de kosten verbonden aan de cassatieprocedure op 474,80 euro (inclusief de bijdrage begrotingsfonds van 20 euro).

Ter zitting van 27/05/2025 zijn partijen het eens dat de rechtsplegingsvergoeding dient begroot te worden op 6.000 euro voor eerste aanleg en op 7.848,84 euro voor hoger beroep.

## 2. Bespreking

### 2.1 Wervinq van stukken?

Eiser na cassatie verzoekt enkele stukken van verweerder na cassatie te weren, zijnde de USB-stick met geluidopnames, de foto's waarvoor geen toestemming werd gegeven, samen met de uitgetypte versie.

Verweerder na cassatie verzoekt op zijn beurt de stukken uit het strafdossier te weren zoals neergelegd door de Belgische Staat, zijnde de stukken 35 tot en met 48.

Het hof merkt vooreerst op dat in artikel 740 Ger.W. de algemene regel wordt geformuleerd dat de stukken en nota's ten laatste tegelijk met de conclusie overgelegd moeten zijn. Partijen kunnen stukken en nota's slechts toevoegen aan het gerechtelijk debat zolang zij nog in de mogelijkheid verkeren om conclusie te nemen.

Te dezen zijn partijen uitdrukkelijk overeengekomen dat alle conclusies in de debatten mogen blijven.

Buiten het geval bepaald in artikel 735 Ger.W. moet de rechter krachtens artikel 740 Ger.W. alle memories, nota's of stukken die niet ten laatste tegelijk met de conclusies zijn overgelegd (toegezonden), ambtshalve uit het debat weren, tenzij de partij tegen wie die stukken en nota's worden aangevoerd, met de neerlegging heeft ingestemd of voor het geval dat artikel 748 §2 van dat wetboek wordt toegepast (vgl. Cass. C.13.0063.F, 7 februari 2014, www.cass.be).

Het is voldoende dat de stukken en nota's ten laatste binnen de toepasselijke conclusietermijn zijn toegezonden of meegedeeld aan de tegenpartij.

Te dezen werden al de stukken aan tegenpartij toegezonden of meegedeeld samen met de conclusies. De kwestieuze stukken zijn opgenomen in de respectievelijke inventarissen van de medegedeelde stukken, die samen met de respectievelijke conclusies tijdig neergelegd zijn.

Het blijkt ook geenszins dat er te dezen sprake zou zijn van een deloyale procesvoering.

Indien dwingende conclusietermijnen bepaald of overeengekomen zijn, wordt het recht op neerlegging van stukken en nota's eveneens geconditioneerd door de mogelijkheid tot neerlegging van conclusies.

De stukken kunnen dan ook niet om die reden geweerd wordt uit de debatten.

Het hof ziet verder ook geen enkele andere reden om deze stukken uit de debatten te weren.

De opnames betreffen in wezen twee geluidfragmenten en behoudens enkele zeer korte beelden, geen beeldopnamen. Het gesprek wordt in de conclusie weergegeven.

Tijdens de huisvisitatie werden de geluidfragmenten opgenomen en de foto's genomen, zonder toestemming van de ambtenaren.

Het staat verweerder na cassatie vrij om stukken neer te leggen die hij wenst. Louter de vaststelling dat verweerder na cassatie geen kennis heeft gegeven van het maken van de opnames en geen toestemming heeft gevraagd voor het maken van de opnames en foto's, maakt deze opnames en foto's niet nietig. Er blijkt geen schending van de privacy van de ambtenaren.

De opnames, zonder toestemming, van gesprekken waaraan een van de partijen zelf heeft deelgenomen, zijn op zichzelf geen ongeoorloofde bewijzen, ook al was de andere gesprekspartner niet op de hoogte van deze opnames. Noch art. 8.1 EVRM noch enige bepaling van het burgerlijk recht of het strafrecht beletten het louter opnemen van een gesprek door een deelnemer aan dit gesprek zonder medeweten van de andere deelnemer. Door in gesprek te gaan, treden de gesprekspartners in elkaars privésfeer en maken zij de andere deelachtig aan hun eigen privésfeer, zodat de opname van deze gesprekken geen aantasting uitmaakt van de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokken personen.

Het blijkt bovendien niet dat er verklaringen van de belastingadministratie zijn uitgelokt door verweerder na cassatie die het gesprek heeft opgenomen en voor verweerder na cassatie was er geen andere mogelijkheid voorhanden om zijn mondeling verzet tegen de huisvisitatie vast te leggen. De betrouwbaarheid van de opname kan niet in twijfel worden getrokken. Het gebruik van de opnames is ook niet in strijd met het recht op een eerlijk proces en is aan tegenspraak onderworpen.

De foto's bevestigen gewoon de uitvoering van de visitatie in het kantoor en het aantreffen van stukken in een container op de oprit, hetgeen ook door de verbalisanten zelf opgenomen is in het proces-verbaal van visitatie.

Het hof ziet geen enkele gegronde reden om deze stukken (foto's, opnames, schriftelijke weergave ervan in conclusies) te weren uit de debatten.

De door verweerder na cassatie gevorderde wering van de stukken van de Belgische Staat (stukken 35 tot en met 48), wordt te dezen niet afdoende verantwoord.

De beweerde niet relevantie van de stukken uit het strafdossier is onvoldoende teneinde deze uit de debatten te weren.

Het hof oordeelt bovendien soeverein over de bewijswaarde van deze voorgelegde stukken.

### 2.2 Onrechtmatiq verkregen bewiis en de qevolgen?

Verweerder na cassatie is van oordeel dat de ambtelijke aanslag gebaseerd is op onrechtmatig verkregen bewijs. Verweerder na cassatie stelt dat de visitatie niet rechtsgeldig is verlopen en dat hij geen toestemming heeft verleend tot het uitvoeren van de visitatie.

Krachtens [artikel 63, eerste lid, Btw-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-63) moet eenieder die een economische activiteit uitoefent, aan de ambtenaren die bevoegd zijn om de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde te controleren en in het bezit zijn van hun aanstellingsbewijs, op elk tijdstip en zonder voorafgaande verwittiging, vrije toegang verlenen tot de ruimten waar de activiteit wordt uitgeoefend teneinde hen in staat te stellen: 1° de boeken en stukken te onderzoeken die zich aldaar bevinden; 2° door middel van de gebruikte uitrusting en met de bijstand van de betrokkene de betrouwbaarheid na te gaan van de geïnformatiseerde inlichtingen, gegevens en bewerkingen, door onder meer de voorlegging ter inzage te

vorderen van stukken die in het bijzonder zijn opgesteld om de op informatiedragers geplaatste gegevens om te zetten in een leesbare en verstaanbare vorm; 3° de aard en de belangrijkheid vast te stellen van de aldaar uitgeoefende werkzaamheid en van het daarvoor aangestelde personeel, alsook van de aldaar aanwezige koopwaren en goederen, met inbegrip van productie- en vervoermiddelen.

Krachtens [artikel 63, derde lid, Btw-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-63) mogen die ambtenaren, met hetzelfde doel, eveneens op elk tijdstip, zonder voorafgaande verwittiging, vrij binnentreden in alle gebouwen, werkplaatsen, inrichtingen, lokalen of andere plaatsen die niet in het vorige lid zijn bedoeld en waar in dit Wetboek bedoelde handelingen worden verricht. Tot particuliere woningen of bewoonde lokalen hebben zij evenwel slechts toegang tussen vijf uur 's morgens en negen uur 's avonds en uitsluitend met machtiging van de politierechter.

De wettelijke bepalingen zijn voldoende duidelijk en voorzienbaar voor de belastingplichtige (Cass. 14 januari 2021, www.cass.be). Er is een verschil tussen voorzienbaarheid van de wet en voorzienbaarheid van een welbepaald onderzoek. Aan de vereiste van voorzienbaarheid die door art. 8 EVRM wordt gesteld is voldaan ais de wet in voldoende duidelijke mate laat verstaan aan wat de belastingplichtige zich kan verwachten, met name dat bij hem te allen tijde een huisvisitatie kan worden doorgevoerd. Zij vereist niet, dat de visitatie zelf in een concreet geval voorzienbaar moet zijn. Het arrest van het hof van beroep te Brussel van 14 mei 2019 waarnaar de belastingplichtige op p. 16 van haar conclusies verwijst werd verbroken door voormeld arrest van het Hof van Cassatie van 14 januari 2021.

lnzake BTW heeft de belastingadministratie in principe dus vrije toegang tot de beroepslokalen en onder strikte voorwaarden ook tot bewoonde lokalen. Krachtens de wet is zij gerechtigd ter plaatse alle boeken en bescheiden te onderzoeken, deze bescheiden en boeken te behouden (retentierecht) en van de belastingplichtige een kopie te eisen van gegevens die hij digitaal bijhoudt.

De bevoegde ambtenaren beschikken aldus, teneinde de verschuldigde belasting te kunnen bepalen, over ruime onderzoeksbevoegdheden en hebben het recht om tijdens de visitatie na te gaan welke boeken en stukken of bescheiden zich in de lokalen bevinden en ze te onderzoeken, zonder voorafgaand om de voorlegging ervan te moeten verzoeken.

Een zinvolle interpretatie van de verplichting tot medewerking vereist dat de belastingadministratie niet afhankelijk is van de keuze van de belastingplichtige om te bepalen in welke documenten hij inzage verleent en dat de belastingplichtige zijn medewerking dient te verlenen om bijvoorbeeld gesloten kasten of kluizen te openen. Voor zover de finaliteit van de fiscale visitatie enkel gericht is op de juiste belastingheffing, kan de belastingplichtige zich niet beroepen op het zwijgrecht en het recht om zichzelf niet te beschuldigen teneinde te ontkomen aan zijn verplichting tot medewerking aan de visitatie (EHRM, besl. 16 juni 2015, Van Weerelt/Nederland, §56).

De in het geding zijnde bepalingen laten de bevoegde ambtenaren evenwel niet toe om de inzage van de bedoelde boeken en stukken of bescheiden eigenmachtig af te dwingen indien de belastingplichtige zich daartegen verzet. Mocht de wetgever een dergelijke afdwingbaarheid hebben beoogd, dan had hij daarin uitdrukkelijk moeten voorzien en de voorwaarden daartoe nauwkeurig moeten omschrijven, wat niet het geval is.

Het Hof van Cassatie oordeelde naar aanleiding van onderhavige zaak dat de machtiging van de politierechter de desbetreffende ambtenaren enkel de toelating verleent om tot de visitatie van particuliere woningen of bewoonde lokalen over te gaan, maar niet inhoudt dat die ambtenaren die lokalen ook zonder voorafgaande toestemming van de belastingplichtige mogen betreden en dat de toestemming van de belastingplichtige blijvend aanwezig dient te zijn. De ambtenaren die bevoegd zijn om de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde te controleren, mogen zich geen toegang tot particuliere woningen of bewoonde lokalen verschaffen zonder voorafgaande toestemming van de belastingplichtige (vgl. Hof van Cassatie, [F.21.0181.N](https://juriel.be/fr/jurisprudence/prescription-delai-cas-fraude-notification-cassation-bruxelles-2023-06-16-fcdb) en [F.21.0187.N](https://juriel.be/fr/jurisprudence/prescription-delai-cas-fraude-notification-cassation-bruxelles-2023-06-16-fcdb) van 16 juni 2023, arrest gewezen in onderhavige zaak).

Te dezen voegt het hof zich naar het voormeld arrest van het Hof van Cassatie betreffende dit door het Hof van Cassatie beslechte rechtspunt in toepassing van art. 1110 Ger.W..

Het hof stelt vast dat de belastingadministratie op 26 juni 2017 een aanvraag tot machtiging om toegang te krijgen tot particuliere woningen gericht heeft aan de politierechter van de politierechtbank Oost-Vlaanderen, Afdeling Aalst. Op 26 juni 2017 werd de machtiging tot huisvisitatie verleend en op 27 juni 2017 werd de visitatie uitgevoerd op de maatschappelijke zetel van E.C. BV.

Uit het proces-verbaal van de visitatie blijkt dat na kennisgeving van de machtiging verweerder na cassatie onmiddellijk telefonisch contact heeft opgenomen met zijn boekhouder en advocaat en dat er gedurende dit overleg geen onderzoeksdaden werden aangevat. Het proces-verbaal vermeldt vervolgens dat aan verweerder na cassatie gevraagd werd om samen een rondgang te doen in de woning waarmee hij heeft ingestemd.

Uit die gegevens blijkt duidelijk dat verweerder na cassatie bij de aanvang van de visitatie zijn toestemming verleende, nadat hij de mogelijkheid had gehad zich te informeren bij zijn advocaat en boekhouder. Hij verzette zich aanvankelijk niet tegen de visitatie en werkte integendeel actief mee.

De toestemming om de huisvisitatie te beginnen werd derhalve aanvankelijk, minstens impliciet, gegeven door een daartoe bevoegd persoon, namelijk verweerder na cassatie.

De belastingadministratie heeft zodra de toestemming wordt verleend, ook de toestemming om alle daarin aanwezige boeken en documenten te onderzoeken, ook al bevinden ze zich in

gesloten kasten, laden, vuilnisbakken enz. (Cass. 06/10/2023, F.22.0082.F, www.juportal.be). Eens binnen heeft de belastingadministratie een actief zoekrecht.

Voormelde neemt niet weg dat de belastingplichtige zich kan verzetten en dus zijn toestemming kan intrekken tijdens de visitatie.

Uit de voorgelegde geluidsopnames en uit het proces-verbaal van de huisvisitatie blijkt dat verweerder na cassatie in de loop van de huisvisitatie zijn toestemming heeft ingetrokken.

De intrekking van de toestemming staat er dan ook aan in de weg dat de visitatie wordt verder gezet.

De gegevens die werden bekomen ingevolge de voortzetting van de huisvisitatie na intrekking van de toestemming van de belastingplichtige zijn onrechtmatig bekomen.

Het hof stelt vast dat de fiscale wetgeving geen algemene bepaling bevat die het gebruik verbiedt van onrechtmatig verkregen bewijs voor het vaststellen van een belastingschuld.

Volgens het EHRM bevat het EVRM geen voorschriften betreffende de toelaatbaarheid van het bewijs, zodat een nationale regeling die onrechtmatig verkregen bewijs niet in alle gevallen uitsluit, tot de bevoegdheid wordt gerekend van de lidstaten waarmee het EHRM zich niet inlaat (vgl. EHRM 28 juli 2009, Lee Davies/België, www.echr.coe.int).

Ook het recht van de Unie dat in beginsel de grondrechten waarborgt van de Unieburgers voor wat de indirecte belastingen betreft (zie HvJ 24 oktober 2019, zaken [C-469/18](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-469-18-arret) en [C­470/18](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-469-18-arret), randnr.17, 18 en 19), voorziet niet in een automatische uitsluiting van bewijsmateriaal (conclusie advocaat-generaal, J.KOKOTT van 11 juli 2019 in de gevoegde zaken [C-469/18](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-469-18-arret) en [C-470/18](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-469-18-arret)).

Het staat aan de nationale rechter de door hem verkregen bewijzen te beoordelen (HvJ 10 april 2003, C-376/01, randnummer 75).

Het feit dat er bij de bewijsgaring een grondrecht werd miskent, impliceert niet ipso facto dat het gebruik van de stukken door de fiscale administratie altijd is uitgesloten.

Het gebruik van het beweerde onrechtmatig verkregen bewijs door de administratie voor de indirecte belastingen moet worden getoetst aan de beginselen van behoorlijk bestuur en het recht op een eerlijk proces.

Het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs kan in fiscale zaken slechts worden geweerd indien de bewijsmiddelen verkregen zijn op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden ais ontoelaatbaar moet worden geacht of dit gebruik het recht van de belastingplichtige op een eerlijk proces in het gedrang brengt.

Bij het maken van deze afweging kan de rechter "onder meer" rekening houden met één of meer van volgende omstandigheden:

\- het zuiver formeel karakter van de onregelmatigheid;

\- de weerslag ervan op het recht of de vrijheid die door de overschreden norm wordt beschermd;

\- het al dan niet opzettelijk karakter van de door de overheid begane onrechtmatigheid, en - de omstandigheid dat de ernst van de door de belastingplichtige gepleegde inbreuk veruit de begane onrechtmatigheid in het kader van de bewijsgaring overstijgt (zie [Cass. 22 mei 2015](https://juriel.be/fr/jurisprudence/preuve-regularite-recevabillite-livraison-intracommunautaire-cassation-bruxelles-2015-05-22-6f32), www.cass.be en Buysse C., Onwettig verkregen bewijs: Cassatie verplicht rechter tot belangenafweging, Fiscoloog 2015, Editie 1435, 5).

Bijgevolg zal het hof in concreto een zekere belangenafweging moeten maken. De verwijzing naar andere zaken, rechtspraak waarvan de feitelijke gegevens niet gelijkaardig zijn aan onderhavige zaak, is dan ook irrelevant ter beoordeling van onderhavige zaak. De belastingrechter moet zelfstandig oordelen over de bruikbaarheid van de stukken aan de hand van de criteria van de fiscale Antigoon-leer.

De wetgever heeft ter zake van de huisvisitatie en de vereiste toestemming van de belastingplichtige niet in bijzondere sancties voorzien. Het betreft hier geen schending van een op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvoorwaarde.

Het hof stelt vast dat de bewijsmiddelen te dezen niet verkregen zijn op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden als ontoelaatbaar moet worden geacht.

Er is te dezen ook geen sprake van dat het gebruik van de tijdens de visitatie bekomen gegevens het recht op een eerlijk proces ontneemt rekening houdende met alle concrete gegevens van het dossier. De belastingadministratie heeft de beweerde onregelmatigheid te dezen zeker niet opzettelijk gedaan en er is geen sprake van machtsafwending.

Het hof houdt hierbij rekening met alle concrete omstandigheden van de zaak, waaronder de opdracht van de belastingadministratie, de handelwijze, de beschikbare informatie en de normaal te verwachten kennis van de toepasselijke regelgeving ten tijde van het begaan van de onregelmatigheid (vgl. Cass. 4 april 2023, P.22.1730.N).

De fiscale visitatie in het kader van het WBTW moet toelaten de nodige vaststellingen te doen met betrekking tot de regelmatigheid van de belastingaangifte en beoogt aldus de inning van de belastingen die noodzakelijk zijn voor de goede werking van de overheden voor het economisch welzijn van het land. Zij streeft derhalve een legitiem doel na in de zin van artikel 8.2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

De belastingadministratie heeft klaarblijkelijk niet bewust gekozen om de belastingplichtige in het ongewisse te laten bij de huisvisitatie. De belastingplichtige heeft de mogelijkheid gehad om voor de aanvang van de huisvisitatie overleg te plegen met zijn raadsman en boekhouder en hij heeft daarvan gebruik gemaakt. Nadien werd minstens impliciet, en

derhalve met kennis van zaken, toestemming verleend. De belastingadministratie heeft de belastingplichtige dan ook niet het beslissingsrecht ontnomen om toegang te verlenen dan wel te weigeren. Het blijkt geenszins dat verweerder na cassatie op een ongeïnformeerde wijze deed wat de belastingadministratie hem vroeg.

Noch uit het proces-verbaal van de huisvisitatie, noch uit de voorgelegde opnames, blijkt dat het niet stoppen van de huisvisitatie na het intrekken van de toestemming intentioneel gebeurde of gebeurde ingevolge een grove onachtzaamheid die daardoor moet worden gelijkgesteld met een opzettelijke onregelmatigheid, in die zin dat de belastingadministratie bewust of ingevolge grove onachtzaamheid de toepasselijke wettelijke bepalingen zou geschonden hebben. Over de draagwijdte van de bevoegdheden van de belastingadministratie in het kader van de huisvisitatie bestond er in de praktijk veel discussie. De intrekking van de toestemming kwam in hoofde van de controlerende ambtenaren klaarblijkelijk arbitrair over.

Te dezen is de ambtenaar niet bewust uitsluitend op zoek gegaan naar gegevens die geen belang hebben voor de belasting (BTW) waar hij bevoegd voor is. Er is geen sprake van machtsafwending van de in het kader van de BTW aan de ambtenaar toegekende bevoegdheden.

De computer waarop de gegevens werden aangetroffen bevond zich in een beroepslokaal en kon door de belastingadministratie geacht worden professionele gegevens te bevatten. Ook wat betreft de afvalcontainer die zich op de oprit bevond kon de belastingadministratie vermoeden dat deze professioneel werd gebruikt, rekening houdende met het soort afvalcontainer waarover het ging. Het blijkt ook niet dat er tijdens de huisvisitatie ook maar één bestand aan informatie zou zijn gekopieerd of meegenomen dat niet fiscaal relevant zou zijn.

Verder blijkt niet dat de fiscus documenten heeft ingekeken die achter slot en grendel zaten of waarvan de belastingplichtige weigerde de sleutel te geven of wachtwoorden te geven. Alles gebeurde ook in aanwezigheid van de belastingplichtige.

Het blijkt niet dat verweerder na cassatie in het kader van een strafvervolging ertoe verplicht of gedwongen werd tegen zichzelf te getuigen. Daarvan liggen geen aanwijzingen voor. Het blijkt niet dat de verweerder na cassatie verplicht werd onder dreiging van een straf wilsafhankelijke informatie mee te delen. Dit geldt des te meer aangezien uit het proces-verbaal van de huisvisitatie blijkt dat verweerder na cassatie bij confrontatie met de stukken die in de afvalcontainer werden aangetroffen en op verdere vragen van de verbalisant zich effectief op zijn zwijgrecht beriep.

Verweerder na cassatie heeft in het kader van de administratieve procedure en de thans gevoerde gerechtelijke procedure ook voldoende de mogelijkheid gehad om kennis te nemen van de tijdens de huisvisitatie bekomen gegevens en hierover tegenspraak kunnen voeren.

De gegevens die bekomen werden tijdens de huisvisitatie door de administratie zijn betrouwbare bewijzen. Over deze stukken kan tegenspraak gevoerd worden door de belastingplichtige zodat zijn rechten van verdediging niet geschonden zijn.

Er is geen sprake van enige schending van het recht van verdediging van verweerder na cassatie. Verweerder na cassatie heeft de kans gekregen zich te verdedigen op alle bewijselementen waarop de belastingadministratie zich te dezen steunt. Verweerder na cassatie werd op 23/10/2017, zijnde voor het versturen op 24/10/2017 van de ambtelijke aanslag, in kennis gesteld van de uitbreiding van de verjaringstermijn (kennisgeving artikel 84 ter WBtw), waarin op zeer uitvoerige en duidelijke wijze alle resultaten van het onderzoek werden meegedeeld zodat verweerder na cassatie meteen het debat kon aangaan met de belastingadministratie en zijn standpunt met kennis van zaken kon meedelen en zijn verweer kon organiseren en uitoefenen.

De bekomen gegevens waren ter zake dienend en niet overmatig met het oog op het correct vestigen van de belastingen in hoofde van verweerder na cassatie.

De ernst van de inbreuk overstijgt veruit de begane onregelmatigheid. De bestrijding van belastingfraude, belastingontwijking en misbruik is een doel dat de BTW-richtlijn erkent en zelfs stimuleert. De onderzoeksmaatregel was noodzakelijk met het oog op de BTW-heffing.

De aangevoerde belastingontduiking overstijgt veruit de beweerde begane on regelmatigheid.

Het hof is dan ook van oordeel dat er geen enkele reden is om de bekomen gegevens ais bewijs voor het vestigen van de indirecte belastingen uit te sluiten.

Rekening houdend met de concrete gegevens van onderhavige zaak heeft de aangevoerde onwettigheid van het verkregen bewijs niet tot gevolg dat de bedoelde stukken niet konden aangewend worden door de administratie voor de indirecte belastingen.

### 2.3 Willekeur?

Verweerder na cassatie stelt dat de ambtelijke aanslag arbitrair en overdreven is.

Uit de vergelijking tussen het Excel-bestand 'aan -en verkoop.xls' en de ingediende btw-aangiften, blijkt dat in de jaren 2010 en 2011 een bedrag van € 37.142,60 aan verschuldigde btw (€ 36.263,72 voor kalenderjaar 2010 en € 878,88 voor kalenderjaar 2011) niet werd opgenomen in de aangiften.

Het hof is van oordeel dat de administratie aan de hand van een grondige analyse van het Excel-bestand, ontvangstbewijzen, feitelijke vermoedens en een geheel van overeenstemmende elementen aantoont dat de inhoud van het Excel-bestand kan worden aangemerkt ais zekere en vaststaande gegevens.

Er is geen sprake van enige arbitraire en/of willekeurige berekening door de belastingadministratie.

De administratie paste bij de berekening ook geen extrapolatie toe.

De belastingadministratie heeft bijgevolg voldaan aan de op haar berustende bewijslast met betrekking tot het bestaan van de belastbare grondslagen en de berekening van de verschuldigde belasting.

De belastingplichtige kan vervolgens op zijn beurt het tegenbewijs leveren.

Verweerder na cassatie weerlegt de berekening niet aan de hand van controleerbare gegevens. Voor de jaren 2010 en 2011 wordt er geen samenhangende en controleerbare boekhouding voorgelegd die onderbouwd wordt door stavingstukken (aankoopdagboek, verkoopdagboek, historiek algemene rekeningen,...).

Meer nog blijkt dat de boekhouding voor de jaren 2010 en 2011 niet kon worden voorgelegd omdat ze ergens verkeerd werd geklasseerd. Daarvan werd akte genomen in het proces-verbaal van vaststelling van 16 oktober 2017.

Door enkel bepaalde stukken selectief uit een boekhouding voor te leggen, kunnen deze stukken niet op hun juistheid worden gecontroleerd. Die stukken zijn kennelijk uit hun context of uit een integrale controleerbare boekhouding gelicht. Zonder voorlegging van het volledige verkoopdagboek is het niet mogelijk om de beweringen van verweerder na cassatie op hun juistheid te controleren. De administratie laat met reden gelden dat het niet mogelijk is om 1) de echtheid van deze verkoopfacturen na te gaan, 2) na te gaan of deze verkoopfacturen werkelijk werden opgenomen in de boekhouding en de btw-aangiften, en 3) na te gaan of de voorwaarden voor de toepassing van artikel 39bis W.btw. over de vrijgestelde intracommunautaire leveringen voldaan zijn.

Dezelfde redenering geldt ten aanzien van de stelling van verweerder na cassatie dat (geheel of gedeeltelijk) toepassing gemaakt werd van de margeregeling. Verweerder na cassatie bewijst niet dat aan de voorwaarden van deze bijzondere regeling voldaan werd.

Bovendien is naar aanleiding van een huiszoeking in een (niet gelieerd) strafrechtelijk onderzoek vastgesteld dat boekhoudkundige stukken, onder meer met betrekking tot de jaren 2010 en 2011, van de verweerder na cassatie werden aangetroffen in de koffer van een voertuig (zonder nummerplaten). Dit voertuig bevond zich op de parkeerplaats in de kelderverdieping van het appartement dat bewoond werd door de (ex)-vriendin van verweerder na cassatie. De administratie toont aan dat ze op rechtmatige wijze inzage en kopiename van dit strafdossier heeft verkregen. Dit wijst erop dat verweerder na cassatie opzettelijk geen gevolg gaf aan de vraag tot voorlegging van de boekhouding met betrekking tot de jaren 2010 en 2011. Dit wijst er ook op dat verweerder na cassatie klaarblijkelijk wel in staat was om aan de hand van een boekhouding de aanspraken van de administratie te

weerleggen door een tegenbewijs te leveren, maar ervoor koos zich tegen de ambtelijke aanslag te verzetten (enkel) door de willekeurigheid ervan in te roepen. Met de voorlegging van de bijkomende stukken 23 tot en met 48 (de processen-verbaal uit het gerechtelijk onderzoek met betrekking tot andere feiten) tracht de administratie enkel de gronden en de motieven die zijn opgenomen in de voorafgaande notificatie van ambtelijke aanslag en het dwangbevel nog aan te vullen met bijkomende argumenten. Geen enkele wetsbepaling belet dat de administratie nog nieuwe juridische argumenten en feitelijke gegevens kan aanvoeren ter ondersteuning van hetgeen reeds in de voorafgaande notificatie van ambtelijke aanslag en het dwangbevel werd vastgesteld.

### 2.4 De geldboete van 200%

Er werd een geldboete van 200 % opgelegd wegens overtreding van de BTW-wetgeving die begaan werden met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

Het louter geven dat de belastingadministratie ter ondersteuning van het frauduleus inzicht van verweerder na cassatie nog bijkomende stukken overlegt, maakt nog niet dat de opgelegde boete niet afdoende gemotiveerd zou zijn.

De administratie moet bij een ambtelijke aanslag vooraf het bedrag en de verantwoording van de BTW meedelen, die zij voornemens is te heffen (Artikel 67, lid 2 W.Btw). Ook de boete die zij voornemens is op te leggen, moet worden ter kennis gebracht.

Het hof stelt vast dat te dezen in de voorafgaande notificatie van ambtelijke aanslag melding wordt gemaakt van de cijfers, de feiten die de overtreding opleveren, de motieven die gediend hebben om het bedrag van de boete vast te stellen en de toepasselijke wettelijke bepalingen. Deze motivering is afdoende.

Er is evenmin sprake van een schending van artikel 109 van de wet van 4 augustus 1986.

Artikel 70, § 1 W.Btw bepaalt dat voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete wordt opgelegd gelijk aan het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting.

De verschillen tussen het Excel-bestand en de aangegeven omzet, zoals opgenomen in de voorafgaande notificatie van ambtelijke aanslag, bewijzen dat de verweerder na cassatie opzettelijk bepaalde inkomsten niet heeft aangegeven. Daarover kan er geen gerede twijfel bestaan. De administratie heeft in de voorafgaandelijke notificatie van ambtelijke aanslag deze feitelijke gegevens die dienen ter verantwoording van de opgelegde boete, de concrete berekening van de geldboete en de toepasselijke wettelijke bepalingen opgegeven.

Er is te dezen geen sprake van een schending van de motiveringsverplichting van de opgelegde boete.

De verantwoording in de ambtelijke notificatie was reeds afdoende op zich en toont op zich het opzet aan in hoofde van verweerder na cassatie de belasting te ontduiken.

De boete is er op gericht het gedrag van de in gebreke blijvende belastingplichtige te veranderen. Die boete heeft tot doel te straffen en daarbij zodanig af te schrikken dat de belastingplichtige zich in de toekomst ervan onthoudt om de inbreuk te herhalen. Daarnaast strekt een boete ook tot vergoeding van maatschappelijke schade.

Bij gebrek aan specifieke omstandigheden die dit rechtvaardigen zou aan verweerder na cassatie geen uitstel van betaling van de geldboete worden verleend, indien de wetgever dit had voorzien.

Er worden naar het oordeel van het hof onvoldoende elementen aangereikt waaruit blijkt dat de opgelegde boete niet evenredig zou zijn met de concrete gegevens van de zaak.

Daarnaast kan het hof niet vaststellen dat de boete een buitensporige last uit zou maken, noch blijkt dat deze disproportioneel is in verhouding tot de resultaten van de belastingplichtige. Het hof stelt vast dat de verschuldigde BTW alsook de bijhorende geldboete en nalatigheidsintresten louter te wijten zijn aan de opzettelijke handelingen van de belastingplichtige.

De geldboete werd afdoende gemotiveerd en opgelegd overeenkomstig de wettelijke bepalingen. De geldboete is evenredig met de aard en de ernst van de inbreuken en het hof bemerkt geen enkele reden om deze geldboete kwijt te schelden, te verminderen of met enig uitstel op te leggen, indien de wet in die maatregel zou voorzien.

### 2.5 Rechtspleginqsverqoeding

Vooreerst stelt het hof vast dat zij wel degelijk rechtsmacht heeft om uitspraak te doen over de kosten aangezien het cassatiearrest uitdrukkelijk de uitspraak over de kosten heeft aangehouden. Het cassatiearrest dient immers in zijn geheel gelezen en begrepen te worden. Er is derhalve geen reden om een heropening der debatten te bevelen.

Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S. 31.05.2007).

Overeenkomstig art. 1017 Ger.W. dient verweerder na cassatie, de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld te worden tot de kosten van het geding.

Ter zitting zijn partijen het eens dat de rechtsplegingsvergoeding dient begroot te worden op 6.000 euro voor de procedure in eerste aanleg en op 7.848,84 euro voor de procedure in hoger beroep, met dien verstande dat de Belgische Staat in eerste aanleg niet vertegenwoordigd noch bijgestaan werd door een advocaat.

Het hof laat de bijdrage begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand (Wet 19/03/2017) betaald in eerste aanleg ten laste van verweerder na cassatie.

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 279 1, 1°, juncto 162, 4° W.Reg..

Gelet op voorgaande worden de kosten in hoofde van de Belgische Staat vereffend zoals bepaald in het beschikkend gedeelte van onderhavig arrest.

### Dispositif

## 3. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak, binnen de perken van het verwijzingsarrest van het Hof van Cassatie.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van eiser na cassatie in volgende mate gegrond. Het hof hervormt het bestreden vonnis ais volgt.

Het hof verklaart de oorspronkelijk vordering van verweerder na cassatie ongegrond. Het hof veroordeelt verweerder na cassatie tot de kosten van het geding.

Het hof vereffent de kosten in hoofde van eiser na cassatie op 0 euro

rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg, op 7.848,84 euro rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in hoger beroep, op 20 euro bijdrage begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand betaald voor het hof van beroep te Gent, op 503,45 euro kosten procedure Hof van Cassatie (inclusief bijdrage begrotingsfonds), op 377,25 euro betekeningskosten procedure hof van beroep Antwerpen (inclusief bijdrage begrotingsfonds).

Het hof laat de 20 euro bijdrage begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand betaald in eerste aanleg ten laste van verweerder na cassatie.

Het hof wijst het anders en/of meer gevorderde af.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 24 juni 2025 door

C. P. Raadsheer dd. voorzitter

E. D. Raadsheer

K. L. Raadsheer

E. C. Griffier

### Note du SPF Finances

## Remarques ou commentaires

Arrêt Cassation ([F. 21.0187.N](https://juriel.be/fr/jurisprudence/prescription-delai-cas-fraude-notification-cassation-bruxelles-2023-06-16-fcdb)) - Publié sur Fisconetplus

## Référence WF

WF 709-15-18/020882 - Finaliti 54240082

## Textes cités

8

[CTVA art. 63](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-63) 6 occurrences

[CTVA art. 84ter](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-84ter) 4 occurrences

[CTVA art. 81bis](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-81bis) 3 occurrences

[CTVA art. 66](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-66) 2 occurrences

[CTVA art. 67](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-67) 2 occurrences

[CTVA art. 70](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) 2 occurrences

[CTVA art. 61](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-61) 1 occurrence

[C-469/18 et C-470/18, arrêt du 24 octobre 2019](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-469-18-arret) 2 occurrences

## Décisions similaires

8

[Prolongation du délai de prescription](https://juriel.be/fr/jurisprudence/prolongation-delai-prescription-notification-prealable-cour-appel-anvers-2022-05-17-b5f1) 5 dispositions communes

[Prescription, Prolongation du délai de prescription](https://juriel.be/fr/jurisprudence/prescription-prolongation-delai-notification-indices-cour-appel-liege-2020-01-20-e580) 5 dispositions communes

[Finalité, Lieu d'établissement, Principe de neutralité](https://juriel.be/fr/jurisprudence/finalite-lieu-etablissement-principe-neutralite-cour-appel-bruxelles-2026-05-13-12b2) 4 dispositions communes

[Séquestre, fraude au domicile, visite domiciliaire](https://juriel.be/fr/jurisprudence/sequestre-fraude-domicile-visite-domiciliaire-tribunal-gand-2024-10-02-1508) 4 dispositions communes

[Inspection à domicile, Fraude au domicile, visite](https://juriel.be/fr/jurisprudence/inspection-domicile-fraude-visite-cour-appel-gand-2025-02-04-3b64) 4 dispositions communes

[Indices de fraude, Droit de se taire](https://juriel.be/fr/jurisprudence/indices-fraude-droit-se-taire-cour-appel-bruxelles-2023-06-28-5ed6) 4 dispositions communes

[Nullité de la contrainte](https://juriel.be/fr/jurisprudence/nullite-contrainte-caractere-ordre-public-cour-appel-anvers-2021-10-15-7803) 4 dispositions communes

[Indices de fraude, Relevé de régularisation, Procès-verbal](https://juriel.be/fr/jurisprudence/indices-fraude-releve-regularisation-proces-tribunal-nivelles-2024-01-08-9601) 4 dispositions communes
