---
title: "5 mars 2004 · Champ d&#x27;application, service · Tribunal de première instance de Bruxelles"
description: "Champ d'application, service, opération imposable, livraison de biens, paiement de l'impôt. Tribunal de première instance de Bruxelles (Belgique), 5 mars 2004."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/champ-application-service-operation-imposable-tribunal-bruxelles-2004-03-05-b570"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Champ d'application, service, opération imposable, livraison de biens · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Bruxelles

**Date**

5 mars 2004

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

100 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruxelles du 05.03.2004

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 33****ste** **KAMER**

**AR 01/9439/A**

*Fiscaal geschil*

*Op tegenspraak*

*Eindvonnis : gedeeltelijk- gegrond*

In zake van :

**De NV A.**, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te …, …

**eisende partij,**

vertegenwoordigd door Mter. **B. V. V.**, advocaat te …, ….

**tegen :**

**De BELGISCHE STAAT**, Ministerie van Financiën, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, in de persoon van de heer Minister van Financiën, van wie de burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van eerstaanwezend inspecteur bij het Nationaal Controlecentrum met burelen gevestigd te 1000 Brussel, Bisschofsheimlaan, 38

**verwerende partij,**

vertegenwoordigd door Mter **B.** loco Mter **J. H.**, advocaat te …, …

---

In deze zaak, in beraad genomen op 6 februari 2004, spreekt de rechtbank volgend vonnis uit :

## I. PROCEDURE

Gelet op de in regelmatige vorm voorgelegde stukken van de rechtspleging, inzonderheid :

\- het exploot van dagvaarding houdende verzet van **Ph. B.**, plaatsvervanger van gerechtsdeurwaarder **B. B.** te …, betekend op 2 juli 2001, waardoor het geding aanhangig werd gemaakt;

\- de besluiten en synthesebesluiten van verweerder, neergelegd ter griffie respectievelijk op 12 februari 2002 en op 29 augustus 2002;

\- de besluiten en synthesebesluiten van eiseres, neergelegd ter griffie respectievelijk op 14 mei 2002 en op 19 maart 2003.

Partijen verklaren zich te beperken tot hun wederzijdse synthesebesluiten.

Gehoord de raadslieden van partijen ter openbare zitting van 6 februari 2004, waarna de bundel met de stavingsstukken van verweerder neergelegd werd en de zaak in beraad genomen werd.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.

## II. FEITEN EN RETROACTEN

Op 6 januari 1998 werden naar aanleiding van een BTW-controle door de lokale BTW-controle Sint-Lambrechts-Woluwe over de periode 1993-1996 bij de NV **A.**, huidige eiseres, een aantal inbreuken op de BTW-reglementering vastgesteld.

Naar aanleiding van deze controle werd aan. de NV **A.** gevraagd een afstand van de verlopen tijd van de verjaring te ondertekenen voor de sommen die zij verschuldigd bleef, nl. de BTW over de voordelen van alle aard en andere inbreuken, alsmede de daarover verschuldigde boeten en interesten op grond van een ontwerp van proces-verbaal opgemaakt na vaststelling gedaan voor de jaren 1993 tot 1996. De heer **R.**, afgevaardigd-bestuurder van de NV **A.**, heeft deze afstand ondertekend met de vermelding van de woorden 'Gelezen en goedgekeurd'.

Uit een bijgevoegde regularisatieopgave d.d. 6 januari 1998 bleek dat de afstand van de verlopen tijd der verjaring werd gedaan voor BTW-schulden voortvloeiend uit de volgende inbreuken :

\- inbreuken op art. 19, § 2 W.BTW met betrekking tot het werk in onroerende staat gelegen te …, … : 1.191.325,4 euro (48.057.951 BEF);

\- inbreuken op art. 53, lid 1, 3° en 4° W.BTW en [art. 18 KB nr. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-18-ae74) met betrekking tot de aangegeven omzet van de verkoop van de kavels 1, 14 A, 38 en 23 in het gebouwencomplex **R. 'T. H.'** : 12.167,71 euro (490.825 BEF);

\- inbreuken op art. 12, § 2 W.BTW met betrekking tot kavel 20 en 25 in hetzelfde gebouwencomplex : 387,21 euro (15.620 BEF).

Deze regularisatieopgave werd niet ondertekend door de NV **A.**.

Op 25 oktober 2000 werd een nieuwe BTW-controle uitgevoerd bij de NV **A.**, ditmaal door de AOIF, Nationaal Controlecentrum III te Brussel, waarbij in een nieuwe regularisatieopgave d.d. 30 oktober 2000 de volgende inbreuken werden vastgesteld :

\- inbreuken op **art. 12, § 1, 3° W.BTW** met betrekking tot het werk in onroerende staat gelegen te …, … : 1.064.062,7 euro (42.924.184 BEF);

\- inbreuken op art. 53, lid 1, 3° en 4° W.BTW en [art. 18 KB nr. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-18-ae74) met betrekking tot de aangegeven omzet van de verkoop van de kavels 1, 14 A, 38 en 23 in het gebouwencomplex **R. 'T. H.**' : 12.167,23 euro (490.825 BEF);

\- inbreuken op art. 12, § 2 W.BTW met betrekking tot kavel 20 en 25 in hetzelfde gebouwencomplex : 387,21 euro (15.620 BEF).

Op 22 januari 2001 en 7 maart 2001 betuigde de NV **A.** haar niet-akkoord op deze nieuwe regularisatieopgave.

Op 26 april 2001 nam de Belgische Staat de feiten op in een proces-verbaal.

Op 18 juni 2001 werd aan de NV **A.** een dwangbevel betekend tot invordering van de volgende verschuldigde sommen :

\- als BTW : 1.076.617,1 euro (43.430.629 BEF);

\- als verminderde geldboeten : 107.660,15 euro (4.343.000 BEF);

\- als wettelijke interesten : 456.479,06 euro (18.414.320 BEF).

Op 2 juli 2001 ging de NV **A.** over tot dagvaarding houdende verzet tegen dwangbevel.

## III. IN RECHTE

A. STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Eiseres vraagt haar vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren; dienvolgens :

\- de vordering van verweerder, vervat in het dwangbevel, aan haar betekend op 18 juni 2001, lastens haar uitgevaardigd op 31 mei 2001 door de heer **J. J.**, eerstaanwezend inspecteur van het ontvangkantoor BTW-CKBB, Kantersteen 47 - Verd. 0/1, te 1000 Brussel, met referte RCIV …, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door mevrouw **H. W.**, eerstaanwezend inspecteur diensthoofd a.i., aangewezen door de gewestelijke directeur van de administratie van de BTW, registratie en domeinen te Brussel, 2 de BTW-directie, Bischoffsheimlaan 38, 1000 Brussel, afte wijzen en voor zover nodig te vernietigen;

\- dientengevolge terugbetaling te bevelen van alle uit dien hoofde reeds betaalde sommen, inclusief interesten en boeten, verhoogd met de moratoire interesten overeenkomstig de wet;

\- het·tussen te komen vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande elk verhaal en zonder borgstelling, noch aanbod van kantonnement.

Verweerder vraagt het verzet van eiseres onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren, en eiseres in haar eis af te wijzen.

B. BEOORDELING

### 1) Wat het argument van·eiseres in hoofdorde betreft : de beweerde verjaring van de BTW-vordering

**1.1.** Eiseres stelt dat de instelling van de bevrijdende verjaring van openbare orde is, maar dat het middel van de verjaring (d.w.z. het recht om de verjaring in te roepen eenmaal dit recht is ontstaan) enkel privé-belangen raakt, waaruit volgt dat partijen in beginsel geldig afstand kunnen doen van een reeds verkregen verjaring.

Partijen kunnen evenwel geen afstand doen van een reeds verkregen verjaring wanneer het een materie betreft die de openbare orde raakt, hetgeen het geval is voor de belastingwet.

Derhalve meent eiseres dat. in beginsel geen afstand van de verlopen tijd der verjaring inzake belastingschuldenmogelijk is.

In art. 83 W.BTW wordt toch in de mogelijkheid van afstand van de verlopen tijd der verjaring inzake BTW-schulden voorzien. Deze bepaling moet restrictief worden geïnterpreteerd en er dient duidelijk te worden gespecifieerd waarop deze afstand slaat.

Eiseres meent dat de afstand van de verlopen tijd der verjaring in deze zonder voorwerp is, omdat hij is gebaseerd op een ontwerp van proces-verbaal, dat evenwel in het licht van de BTW-controle van 6 januari 1998 nooit werd opgesteld. Er werd wel een correctieopgave opgesteld, die naar haar oordeel geenszins kan kwalificeren als (ontwerp van) proces-verbaal.

Het ontbreken van het proces-verbaal, waarvan als 'ontwerp' melding werd gemaakt in de door eiseres ondertekende afstand van de verlopen tijd der verjaring, en waarop deze afstand is gebaseerd, is dan ook volgens haar niet verzoenbaar met het openbare orde karakter van de schulden waarvoor die afstand wordt gedaan.

Zelfs al zou de correctieopgave naar aanleiding van de eerste BTW-controle kwalificeren als (ontwerp van) proces-verbaal waarop de afstand van de verlopen tijd der verjaring steunt, dan nog dient volgens eiseres te worden gesteld dat de afstand van de verlopen tijd der verjaring enkel betrekking heeft op de vordering tot voldoening van de belasting met betrekking tot het onroerend complex te Leuven op grond van **art. 19, § 2 W.BTW**. Pas in oktober 2000 baseerde verweerder zich op **art. 12 W.BTW**, terwijl eiseres geen afstand heeft gedaan voor BTW-schulden voortvloeiend uit inbreuken op dit artikel met betrekking tot het gebouwencomplex in kwestie.

Nu verweerder de 'ingebruikname' van het gebouwencomplex op 31 december 1994 situeert, meent eiseres dat eventuele BTW-schulden die voortvloeien uit inbreuken op art. 12 W.BTW met betrekking tot dit complex op 25 oktober 2000 (moment van de tweede BTW-controle) reeds verjaard waren op grond van art. 81 oud W.BTW.

**1.2.** Van zijn kant stelt verweerder dat de afstand van de verlopen tijd der verjaring evenzeer gebaseerd kan zijn op een regularisatieopgave die de BTW-schulden en de feiten specifieert waarop de afstand betrekking heeft. In de praktijk wordt in de verhouding tussen de BTW-administratie en de belastingplichtige meestal eerst een regularisatieopgave opgemaakt die als voorstel tot minnelijke schikking geldt. Pas in geval van een niet-akkoord wordt een proces-verbaal opgesteld dat gebaseerd is op de regularisatieopgave. Deze regularisatieopgave is in feite het ontwerp van proces-verbaal.

Verder wijst verweerder erop dat de controle van 25 oktober 2000 tot doel had o.a. de juiste wettelijke bepaling, nl. 12, § 1, 3° in plaats van art. 19, § 2 W.BTW in te roepen ter regularisatie, ingevolge de onroerende verhuur, van de afgetrokken BTW op de oprichtingskosten van het gebouw.

Reeds op 15 maart 2001 stelde verweerder, naar eigen zeggen, reeds duidelijk dat de vordering die als gevolg van de controle op 25 oktober 2000 werd ingesteld in se dezelfde was als die in de eerste regularisatieopgave van 6 januari 1998 werd opgenomen.

Verweerder meent dan ook dat het duidelijk is dat het om één en dezelfde vordering gaat, waarvan het bedrag en de juridische motivering gewijzigd zijn, die niet verjaard is.

**1.3.** De rechtbank gaat met verweerder akkoord dat de afstand van de verlopen tijd der verjaring evenzeer gebaseerd kan zijn op een regularisatieopgave die de BTW­schulden en de feiten specifieert waarop de afstand betrekking heeft (zie : Brussel, 30 oktober 1997, A.J.T., 1998-99, 175; Parl. Vraag nr. 1479 van Volksvertegenwoordiger FOURNAUX van 8 september 1998, Bull. V. & A., Kamer, 1998-99, nr. 151, p. 20627; X., "Afstand van verjaring en BTW", Fisc. Act., 1999, afl. 4, p. 4).

Anderzijds treedt de rechtbank eiseres bij wanneer zij stelt dat het openbare orde karakter van de BTW-schulden, waarvoor zij afstand van verjaring heeft gedaan, impliceert dat deze schulden duidelijk dienen te worden omschreven. Bijgevolg kan verweerder zich niet beroepen op een afstand van de verlopen tijd der verjaring voor schulden die door partijen niet werden omschreven.

De rechtbank stelt vast dat in casu met betrekking tot het gebouw gelegen te …, … in de eerste regularisatieopgave, die tot basis dient van de afstand van de verlopen tijd der verjaring, enkel wordt verwezen naar de vordering van BTW gebaseerd op **art. 19 W.BTW**, en niet naar de vordering van BTW gebaseerd op **art. 12 W.BTW**.

Met reden stelt eiseres dat het feit dat verweerder opmerkt dat o.m. een nieuwe controle werd uitgevoerd om de juiste wettelijke bepaling in te roepen (nl. art. 12 W.BTW in plaats van art. 19 W.BTW) op zich reeds bewijst dat deze juiste wettelijke bepaling wel degelijk haar belang had, in tegenstelling tot wat verweerder voorhoudt.

Eveneens terecht merkt eiseres op dat, van zodra de wettelijke grondslag van de vordering wordt gewijzigd, men te maken heeft met een nieuwe vordering.

Derhalve gaat de rechtbank met eiseres akkoord dat men in casu bezwaarlijk kan stellen dat de stuiting van de verjaring van de vordering op grond van art. 12 W.BTW virtueel besloten ligt in de stuiting van de verjaring van de vordering op grond van art. 19 W.BTW.

Wat de vordering van BTW gebaseerd op art. 12 W.BTW betreft, verwijst eiseres met reden naar art. 81 oud W.BTW, volgens hetwelk BTW-schulden verjaren door verloop van een termijn van 5 jaar te rekenen vanaf de dag waarop de vordering tot voldoening van de belasting is ontstaan (nl. bij het verstrijken van de indieningstermijn van de aangifte waarin deze BTW diende te worden opgenomen (zie : Gent, 19 december 2001, TFRnet http://www.larcier.be/tfrnet ) : in casu 20 januari 1995), d.w.z. in casu op 20 januari 2000.

Derhalve zijn de BTW-schulden met betrekking tot het werk in onroerende staat, gelegen te …, … gebaseerd op art. 12 W.BTW in casu verjaard.

In die mate dient het verzet van eiseres tegen het dwangbevel gegrond te worden verklaard.

Anderzijds geeft eiseres zelf toe (zie haar synthesebesluiten, pagina 10) dat - voor zover die geldig is gebeurd, hetgeen in casu het geval is - een afstand van de verlopen tijd der verjaring werd ondertekend met betrekking tot de inbreuken op art. 12, § 2 W.BTW met betrekking tot kavel 20 en 25 in het gebouwencomplex **R. 'T. H.'**, waardoor de vordering tot voldoening van de daaruit voortvloeiende BTW niet verjaard is.

Hetzelfde geldt naar het oordeel van de rechtbank voor wat de inbreuken op art. 53, lid 1, 3° en 4° W.BTW en [art. 18 KB nr. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-18-ae74) met betrekking tot de aangegeven omzet van de verkoop van de kavels 1, 14 A, 38 en 23 in hetzelfde gebouwencomplex **R. 'T. H.'** betreft.

In die mate dient het verzet van eiseres tegen het dwangbevel te worden afgewezen.

**2) Wat de gevraagde uitvoerbaarheid bij voorraad van het tussen te komen vonnis betreft, niettegenstaande elk verhaal en zonder borgstelling, noch aanbod van kantonnement**

Aangezien onderhavige zaak reeds geruime tijd aansleept, meent de rechtbank dat het verantwoord is om in te gaan op het verzoek van eiseres om het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande elk verhaal en zonder borgstelling.

Wat de gevraagde uitsluiting van kantonnement betreft, dient te worden aangenomen dat het door de schuldeiser gevorderde verbod tot kantonnement door hem voldoende moet worden gemotiveerd, door aan te tonen dat hij dringend de beschikking over de gelden nodig heeft. Enkel indien de vertraging in de regeling hem blootstelt aan een ernstig nadeel, kan het kantonnement worden verboden (zie : Brussel, 25 april 1997, P. & B., 1997, 224; Brussel, 8 juli 1998, J.T., 1998, 796; DIRIX, E. en BROECKX, K., Beslag, in A.P.R., Brussel, E. Story-Scientia, 1992, nr. 360, p. 196).

De rechtbank dient vast te stellen dat eiseres haar vordering ter zake geenszins motiveert.

Aangezien het kantonnement een recht is voor de debiteur, onder voorbehoud van toepassing van art. 1406 Ger. W. (zie : Brussel, 25 april 1997, voormeld), dient het door eiseres gevraagde kantonnementsverbod te worden afgewezen.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.

Rechtsprekend in eerste aanleg, **op tegenspraak**,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart het verzet tegen het dwangbevel van de NV **A.** ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond.

Zegt voor recht dat de BTW-schulden die voortvloeien uit inbreuken op art. 12 W.BTW met betrekking tot het werk in onroerende staat gelegen te …, …, op 20 januari 2000 verjaard zijn.

Wijst derhalve de vordering van de Belgische Staat, vervat in het dwangbevel, betekend aan de NV **A.** op 18 juni 2001, lastens haar uitgevaardigd op 31 mei 2001 door de heer **J. J.**, eerstaanwezend inspecteur van het ontvangkantoor BTW­CKBB, Kantersteen 47 - Verd. 0/1, te 1000 Brussel, met referte RCIV …, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door mevrouw **H. W.**, eerstaanwezend inspecteur diensthoofd a.i., aangewezen door de gewestelijke directeur van de administratie van de BTW, registratie en domeinen te Brussel, 2 de BTW directie, Bischoffsheimlaan 38, 1000 Brussel, af in de mate dat deze verband houdt met de hiervoor aangehaalde BTW-schulden.

Beveelt de terugbetaling van alle ten onrechte betaalde sommen, inclusief interesten en boeten, verhoogd met de moratoire interesten overeenkomstig de wet.

Wijst het meergevorderde af.

Veroordeelt de Belgische Staat tot de kosten van het geding, begroot in hoofde van de NV **A.** op 272,66 euro (dagvaarding) + 342,09 euro (RPV) en in zijnen hoofde op 342,09 euro (RPV).

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk verhaal en zonder borgstelling.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de **33****ste** **kamer** van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op datum van **5 maart 2004**,

Waar aanwezig waren en zitting namen :

de heer **V.**, alleenrechtsprekend rechter,

mevrouw **B.**, afgevaardigd adjunct-griffier.

**B.** **V.**

## Textes cités

1

[AR no 1 art. 18](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-18-ae74) 3 occurrences

## Décisions similaires

8

[Chiffre d’affaires, Droit à déduction, Amendes, Question de principe](https://juriel.be/fr/jurisprudence/chiffre-affaires-droit-deduction-amendes-tribunal-anvers-2021-01-08-1063) 1 dispositions communes

[Compte spécial, Légalité formelle de la notification](https://juriel.be/fr/jurisprudence/compte-special-legalite-formelle-notification-tribunal-namur-2020-04-30-2252) 1 dispositions communes

[Comptable, Amende, expert-comptable](https://juriel.be/fr/jurisprudence/comptable-amende-expert-tribunal-mons-2026-04-08-22f8) 1 dispositions communes

[Compte spécial, Amende, Dommages et intérêts](https://juriel.be/fr/jurisprudence/compte-special-amende-dommages-interets-cour-appel-gand-2021-03-23-230a) 1 dispositions communes

[Amendes non proportionnelles](https://juriel.be/fr/jurisprudence/amendes-non-proportionnelles-pouvoir-juge-tribunal-2023-01-18-2485) 1 dispositions communes

[Comptabilité probante, Paiement en cash, Livre de caisse](https://juriel.be/fr/jurisprudence/comptabilite-probante-paiement-cash-livre-tribunal-bruxelles-2020-09-10-261d) 1 dispositions communes

[Chiffre d’affaires non déclaré, déclaration, chiffre d'affaires](https://juriel.be/fr/jurisprudence/chiffre-affaires-non-declare-declaration-cour-appel-gand-2024-02-13-38e9) 1 dispositions communes

[Droit de déduction, Charge de la preuve](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-yacht-charge-preuve-cour-appel-anvers-2026-03-17-4706) 1 dispositions communes
