---
title: "24 octobre 2012 · Champ d&#x27;application, service · Tribunal de première instance de Bruges"
description: "Champ d'application, service, opération imposable, exonération, exportation, importation. Tribunal de première instance de Bruges (Belgique), 24 octobre 2012."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/champ-application-service-operation-imposable-tribunal-bruges-2012-10-24-b23e"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Champ d'application, service, opération imposable, exonération, exportation, importation · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Bruges

**Date**

24 octobre 2012

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

169 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruges du 24.10.2012

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :**

In de zaak **10/4061/A** Rep. nr. 2012/11560

**De NV J.**, (Ondernemingsnr. …), met zetel te …, …,

**eiseres,**

voor wie optreedt Meester **H. V.**, advocaat met kantoor te …, …,

**tegen :**

**De FOD FINANCIËN**, sector BTW,

\- in de persoon van de e.a. inspecteur van het 1 e BTW-Ontvangkantoor te Kortrijk, met burelen gevestigd te 8500 KORTRIJK, Hoveniersstraat 31,

\- in de persoon van de e.a. inspecteur van het BTW-controlekantoor te Oostende, met kantoren gevestigd te 8400 OOSTENDE, Vrijhavenstraat 1,

\- in de persoon van de Minister van Financiën, met kabinet gevestigd te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12,

**verweerder,**

voor wie is opgetreden Meester **C. B.** loco Meester **A. D. Z.**, advocaat met kantoor te …, …,

## EN

**In de zaak 11/3197/A**

**1. de NV J.**, (Ondernemingsnr. …), met zetel te …, …,

**2. de NV J.**, (Ondernemingsnr. …), met zetel te …, …,

**3. de NV T. A. B.**, (Ondernemingsnr. …), met zetel te …, …,

**4. de NV T. A. B.**, (Ondernemingsnr. …),

**5. de NV T.**, (Ondernemingsnr. …), met zetel te …, …,

**6. de NV P.**, (Ondernemingsnr. …), met zetel te …, …,

**7. de NV T. T. B.**, (Ondernemingsnr. …), met zetel te …, …

**samen vormende de** BTW**-eenheid** BTW**E T.**, (Ondernemingsnr. …), met zetel te …, …,

**eiseressen,**

voor wie optreedt Meester **H. V.**, advocaat met kantoor te …, …,

**TEGEN**

**De FOD FINANCIËN**, sector BTW,

\- in de persoon van de e.a. inspecteur van het 1 e BTW-Ontvangkantoor te Kortrijk, met burelen gevestigd te 8500 KORTRIJK, Hoveniersstraat 31,

\- in de persoon van de e.a. inspecteur van het BTW-Controlekantoor te Oostende, met kantoren gevestigd te 8400 OOSTENDE, Vrijhavenstraat 1,

\- in de persoon van de Minister van Financiën, met kabinet gevestigd te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12,

**verweerder,**

voor wie is opgetreden Meester **C. B.** loco Meester **A. D. Z.**, advocaat met kantoor te …, …,

## I. RECHTSPLEGING

### 1. In de zaak met AR nr. 10/4061/A

Gelet op het fiscaal verzoekschrift neergelegd ter griffie de dato 21 december 2010.

### 2. In de zaak met AR nr. 11/3197/A

Gelet op het fiscaal verzoekschrift neergelegd ter griffie de dato 24 oktober 2011.

### 3. In beide zaken

De rechtbank nam kennis van de dossiers der rechtspleging en van de door partijen overlegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen ter openbare terechtzitting van 19 september 2012.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

## ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS DER ZAAK

**2.1.** NV **J.** is ingeschreven als BTW belastingplichtige onder het BTW registratienummer BE … voor de geregelde activiteit van touroperator.

Op 1 februari 2009 is NV **J.** toegetreden tot de BTW eenheid **T.** met BTW nummer BE ….

NV **J.** is onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Naar aanleiding van een administratief onderzoek naar de echtheid van het BTW-tegoed ten bedrage van 55.733.652,61 euro dat op 31 oktober 2007 (AR 10/4061/A) en het BTW-tegoed van 37.574.141,38 euro dat op 30 april 2010 (AR 11/3197/A) ontstaan is in hoofde van voornoemde belastingplichtigen werden inbreuken vastgesteld ten aanzien van [artikel 26 van de Zesde richtlijn nr. 77/388/EG](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-26) van de Raad betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, artikel 1, § 7, eerste lid, 2° en artikel 18, § 2, tweede lid en artikel 77, § 1, 1° W.BTW en [artikel 1 van het Koninklijk Besluit nr. 35](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-35-decembre-etablissant-base-forfaitaire-imposition-6259#ar35-art1) van 28 december 1999 tot invoering van een forfaitaire maatstaf van heffing van de BTW op de winstmarges van reisbureaus.

Eiseressen zijn de mening toegedaan dat er geen Belgische BTW verschuldigd is over de reizen buiten de EU.

Derhalve hebben eiseressen voor de sinds 1 januari 2011 aangegeven en betaalde BTW voor reizen buiten de EU, bij wijze van bewarende maatregel om haar recht op teruggaaf te vrijwaren, telkens ook de BTW teruggevraagd via inschrijving in het rooster 62 van hun BTW-aangiften als een herziening in hun voordeel.

Het saldo van de BTW-aangiften werd telkens betaald zonder rekening te houden met het bedrag van de herzieningen.

### In het geschil AR nr. 10/4061/A

In vak 62 van de BTW-aangifte van september 2007 werden de BTW-bedragen met betrekking tot reizen buiten de EU betaald in de jaren 2004, 2005 en 2006, opgenomen.

In de BTW-aangifte van september 2007 werd eveneens de effectieve terugbetaling gevraagd van het BTW tegoed voor de periode van 2001 tot en met 2006 voor een totaalbedrag van 55.849.506,70 EUR.

Op 5 december 2007 werd een proces-verbaal aangetekend ter kennis gebracht waarin de BTW controle van Oostende verklaarde niet akkoord te gaan met de doorgevoerde herzieningen (administratief dossier stuk 1).

Op basis van dit proces-verbaal werd een inhouding verricht van het voor teruggaaf gevraagd bedrag van 55.733.652,61 EUR (administratief dossier stuk 2).

Op 12 december 2007, 23 december 2008 en 17 december 2009 werden akten van verzaking aan de gelopen tijd van de verjaring ondertekend m.b.t. de BTW respectievelijk betaald in 2001, 2002 en 2003 voor reizen buiten de EU (administratief dossier stuk 3).

Op 11 augustus 2010 werd een proces-verbaal opgemaakt door het BTW­controlekantoor te Oostende waarin de vastgestelde overtredingen werden opgenomen (administratief dossier stuk 4).

Op 17 augustus 2010 werd een dwangbevel uitgevaardigd (administratief dossier stuk 5).

Overeenkomstig [artikel 85, § 1 BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-85) werd dit dwangbevel op 23 augustus 201O aan eiseres ter kennis gebracht per aangetekend schrijven (administratief dossier stuk 6).

Op 21 december 2010 heeft eiseres en verzoekschrift gedeponeerd ter griffie dezer rechtbank.

### Tweede geding

In de BTW-aangiften van september 2009, december 2009 en januari 2010 werden de BTW-bedragen met betrekking tot reizen buiten de EU betaald in de periode 2007 tot en met januari 2010 eveneens door de NV **J.** verrekend via vak 62 (herziening in het voordeel van de belastingplichtige).

In de BTW-aangifte van maart 2010 werd overgegaan tot effectieve aanvraag tot terugbetaling van het BTW tegoed van 37.399.896,18 euro voor de periode van 2007 tot en met januari 2010.

Op 10 juni 201O werd een proces-verbaal ter kennis gebracht waarin de BTW-controle van Oostende verklaarde niet akkoord te gaan met de doorgevoerde herzieningen (zie stuk nr. 7, bijlagen bij proces-verbaal).

Op basis van dit proces-verbaal, heeft de bevoegde BTW ontvanger een inhouding verricht van het voor teruggaaf gevraagd bedrag van 37.574.171,38 euro.

Op 25 november 201O werd een proces-verbaal opgemaakt door het BTW­controlekantoor te Oostende waarin de vastgestelde overtredingen werden opgenomen. Dit werd dezelfde dag per aangetekend schrijven ter kennis gebracht (zie stuk nr. 7, bijlagen bij proces-verbaal).

Op 24 oktober 2011 heeft eiseres een verzoekschrift neergelegd ter griffie dezer rechtbank.

**2.2.** Eiseressen vragen dat :

"Volgende prejudiciële vragen te stellen aan het Europees Hof van Justitie :

*1.* *Mag België zijn wetgeving wijzigen door een vrijgestelde dienst te belasten - in casu reizen buiten de EU - op een moment (1 december 1977) net vóór de invoering van de Zesde Richtlijn (1 januari 1978) inzake BTW en alzo de stand still-bepaling van artikel 28, lid 3° (artikel 370 RI. 2006/112) Zesde Richtlijn te omzeilen die voorziet dat de bedoelde reizen alleen mogen belast blijven indien ze vóór de invoering van de Zesde Richtlijn reeds belast werden ?*

*2.* *Diende België zich vanaf 13 juni 1977 (datum van publicatie van de Richtlijn) te onthouden van het belasten van reizen buiten de EU ?*

*3.* *Schendt België artikel 309 RI. 2006/112 door reisbureaus, wat betreft hun diensten buiten die Gemeenschap niet gelijk te stellen met tussenpersonen en deze diensten desondanks te blijven belasten ?*

*4.* *Schenden de artikelen 309, 153, 370 en bijlage X van RI. 2006/112 de algemene beginstelen van het Gemeenschapsrecht, het gelijkheidsbeginsel, evenredigheidsbeginsel en de bepalingen betreffende het vrij verkeer van personen, goederen en diensten o.m. de artikelen 43 en 56 EG-Verdrag, door te voorzien in een keuzerecht voor de Lidstaten diensten met betrekking tot reizen buiten de Gemeenschap al dan niet te belasten ?*

*5.* *Is het strijdig met de beginselen van het Gemeenschapsrecht met name het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel en het neutraliteitsbeginsel inzake BTW dat de Belgische Staat bij KB 28 november 1999 alleen de reisbureaus belastbaar stelde wat betreft reizen buiten de EU, maar niet bemiddelende personen ?*

*6.* *Schenden artikel 79 W.BTW en* [*artikel 4 KB nr. 4*](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-4-decembre-restitutions-matiere-taxe-valeur-406b#ar4-art4) *inzake BTW het evenredigheidsbeginsel en fiscaal neutraliteitsbeginsel in de interpretatie dat deze bepalingen formaliteiten voorschrijven die moeten nageleefd worden zelfs als er geen betaling moet gebeuren aan de medecontractant, deze geen BTW heeft afgetrokken en er geen enkel risico van verlies van belastinginkomsten is;*

*7.* *Schenden deze bepalingen het evenredigheidsbeginsel en neutraliteitsbeginsel of de Algemene Beginselen van het Gemeenschapsrecht indien zou moeten aanvaard worden dat de belastingplichtige de terug te geven BTW aan zijn medecontractant moet terugbetalen opdat hij recht op teruggave zou hebben, indien de BTW niet op deze is afgewenteld of deze teruggave voor hem echter een groot verlies zou vormen dat groter is dan de terug te geven BTW Kan in die omstandigheden nog geacht worden dat de belastingplichtige zich ongerechtvaardigd verrijkt ?*

• de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren;

• het dwangbevel uitvoerbaar verklaard op·18 augustus 2010 en betekend op 23 augustus 2010, nietig te verklaren (eerste geding, AR 10/04061/A);

• de terugbetaling te bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van dit dwangbevel werden geïnd, verhoogd met de wettelijke intresten vanaf de betaling of aanrekening (eerste geding, AR 10/04061/A);

• de Belgische Staat te veroordelen tot teruggaaf van een bedrag van 55.849.506,70 €, verhoogd met moratoire intresten vanaf 1 april 2008 en tot teruggave van een bedrag van 37.399.896,18 € verhoogd met de wettelijke intresten vanaf 1 april 2011;

• te zeggen voor recht dat concluanten de terug te geven bedragen niet moeten terugbetalen aan de reizigers;

• de Belgische Staat te veroordelen tot de, kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding (zijnde 33.000 € - maximum - een ingewikkelde zaak)."

**2.3.** Verweerder vraagt dat :

> "De zaken gekend onder de rolnummers AR 10/04061/A en AR 11/3197/A samen te voegen.
>
> De vorderingen ongegrond te verklaren.
>
> Eisers solidair, minstens de ene bij gebreke aan de andere te veroordelen tot de kosten van het geding, in hoofde van verweerder op heden begroot op : - de rechtsplegingsvergoeding : 16.500,00 euro."

## III. BEOORDELING

### A. nopens de samenvoeging

Partijen verzoeken om samenvoeging der gedingen gekend onder AR nrs. 10/4061/A en 11/3197/A.

Beide gedingen betreffen een identieke betwisting maar voor andere periodes, tussen partijen.

De zaken zijn samenhangend in de zin van artikel 30 Ger. W. en worden dan ook gevoegd.

### B. nopens de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vorderingen kunnen leiden.

Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid die hij ambtshalve zou dienen op te werpen, ontwaart, zijn de vorderingen ontvankelijk.

### C. nopens de grond

**1.** Eiseressen organiseren vakantiereizen, waarvoor zij beroep doen op diensten van anderen (hotels, vliegtuigmaatschappijen e.a.) en verkopen deze reizen aan reizigers.

Eiseressen vormen een reisbureau in de zin van Hoofdstuk IV en V van [Aanschrijving 33/1978 (stuk 34 bundel eiseressen)](https://juriel.be/fr/circulaires/33-1978-bureau-voyages-b4f6).

Volgens verweerder zijn deze reizen conform de Belgische BTW-wetgeving in België belastbaar.

Volgens eiseressen hebben zij ten onrechte de BTW afgedragen daar de belastbaar stelling van de kwestieuze reizen door verweerder in strijd is met de terzake geldende Europese richtlijnen.

Eiseressen menen dan ook dat zij conform artikel·77, § 1, 1° W.BTW en de Europese regelgeving recht hebben op de teruggave van de kwestieuze afgedragen BTW.

#### 2. nopens de stand·still-bepaling van artikel 28, 3°, Zesde RI - rechtsmisbruik

**a.** Volgens eiseressen schendt België door zijn wetgeving te wijzigen door een vrijgestelde dienst te belasten - in casu reizen buiten de EU - op een moment (1 december 1977) net vóór de invoering van de Zesde Richtlijn (1 januari 1978) inzake BTW, de stand still-bepaling van artikel 28, lid 3 (artikel 370 RI. 2600/112) Zesde Richtlijn die voorziet dat de bedoelde reizen alleen mogen belast blijven indien ze vóór de Zesde Richtlijn reeds belast werden en diende België zich vanaf 13 juni 1977 (datum van publicatie van de Richtlijn) te onthouden van het belasten van reizen buiten de EU.

**b.** Volgens verweerder is er geen schending van de stand still-bepaling nu de kwestieuze belastingheffing reeds werd ingevoerd met ingang van 1 december 1977 zodat deze belastingheffing overeenkomstig huidig [artikel 370 van de BTW-richtlijn](https://juriel.be/fr/droit-union/directive-tva-2006-112/article-370) 2006/112/EG equivalent van het toenmalige artikel 28, lid 3 van de Zesde BTW-richtlijn 77/388/EG dat in werking trad op 1 januari 1978, verder worden aangehouden na 1 januari 1978.

**c.** Vóór 1 december 1977 waren de reizen buiten de EU vrijgesteld van BTW.

Hierover bestaat geen betwisting.

In het kader van de omzetting van de Zesde Richtlijn voerde een wet van 29 november 977 met ingang van 1 december 1977 wijzigingen door aan het bestaande BTW­stelstel en werden reizen buiten de EU belast.

De Zesde Richtlijn bepaalt in artikel 1 :

> "De Lidstaten brengen hun huidige stelsel van belasting over de toegevoegde waarde in overeenstemming met de bepalingen van de volgende artikelen.
>
> Zij treffen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen, opdat hun dienovereenkomstig aangepast stelsel zo spoedig mogelijk en uiterlijk op 1 januari 1978 in werking treedt."

[Artikel 28, lid 3, sub a) van de Zesde BTW-richtlijn](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-28) luidt :

“Gedurende de in lid 4 genoemde overgangsperiode kunnen de Lidstaten : a) de in de lijst van bijlage E genoemde handelingen die krachtens artikel 13 of artikel 15 zijn vrijgesteld, blijven belasten."

De Zesde Richtlijn werd gepubliceerd in het Publicatieblad van de EU op 13 juni 1977.

Volgens eiseressen dienen de Lidstaten zich tijdens de periode tussen de publicatie van een Richtlijn (in casu 13 juni 1977) en het afgelopen van de omzettingstermijn van die Richtlijn zich “zoveel mogelijk” te onthouden van een uitlegging van het interne Recht die, na het verstrijken van de omzettingstermijn, de verwezenlijking van de met deze richtlijn nagestreefde doelstelling ernstig in gevaar zou kunnen brengen, wat betekent dat vanaf 13 juni 1977 (datum van publicatie van de Richtlijn) de Lidstaten zich moeten onthouden van het nemen van maatregelen die tegen de Richtlijn ingaan.

**d.** Verweerder stelt dat de diensten van de reisbureaus die onder de bijzondere regeling van belastingheffing over de winsten vallen en die sinds 1 december 1977 werden belast nog steeds belast blijven als dergelijke reisbureaus tussenkomst verlenen bij reizen die buiten de Gemeenschap plaatsvinden.

Deze belastingheffing wijkt af van de basisregeling zoals terzake opgenomen in artikel 309 van de huidige BTW-richtlijn.

Volgens verweerder werd kwestieuze belastingheffing in België reeds ingevoerd met ingang van 1 december 1977 en kon deze belastingheffing overeenkomstig het bepaalde in het huidig [artikel 370 van de BTW-richtlijn](https://juriel.be/fr/droit-union/directive-tva-2006-112/article-370) 2006/112/EG equivalent van het toenmalige artikel 28, lid 3 van de Zesde BTW-richtlijn 77/388/EG dat in werking trad op 1 januari 1978 verder worden aangehouden na 1 januari 1978.

**e.** Gelet op de talrijke nauwkeurig omschreven en gestaafde tegenstrijdige argumenten van beide partijen twijfelt de rechtbank aan de interpretatie van de geciteerde bepalingen van de Richtlijn en is deze interpretatie noodzakelijk om te oordelen omtrent de eisen van eiseressen.

Op grond van artikel 234 van het EG-Verdrag wenst de rechtbank de volgende prejudiciële vragen te stellen aan het Europese Hof van Justitie :

*1.* *Mag België zijn wetgeving wijzigen door een vrijgestelde dienst te belasten - in casu reizen buiten de EU- op een moment (1 december 1977) net vóór de invoering van de Zesde Richtlijn (1 januari 1978) inzake BTW en alzo de stand still-bepaling van artikel 28, lid 3° (artikel 370 RI. 2006/112) Zesde Richtlijn te omzeilen die voorziet dat de bedoelde reizen alleen mogen belast blijven indien ze vóór de invoering van de Zesde Richtlijn reeds belast werden ?*

*2.* *Diende België zich vanaf 13 juni 1977 (datum van publicatie van de Richtlijn) te onthouden van het belasten van reizen buiten de EU ?*

#### 3. nopens [artikel 26 Zesde Richtlijn](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-26) (artikel 309 Richtlijn 206/11)

Eiseressen stellen dat verweerder met betrekking tot diensten van reisbureaus wat betreft reizen buiten de gemeenschap ten onrechte in 2000 de gelijkstelling van tussenpersonen van reisbureaus met makelaars en lasthebbers heeft afgeschaft en derhalve vanaf 1 januari 2000 een directe werkende bepaling van de BTW-richtlijn heeft geschonden.

[Artikel 309 Richtlijn 2006/112](https://juriel.be/fr/droit-union/directive-tva-2006-112/article-309) ([artikel 26 Zesde Richtlijn](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-26)) luidt :

> "Indien de handelingen waarvoor het reisbureau een beroep doet op andere belastingplichtigen, door laatstgenoemden buiten de Gemeenschap worden verricht, wordt de dienst van het reisbureau gelijkgesteld met een krachtens artikel 153 vrijgestelde handeling van een tussenpersoon.
>
> Indien de in de eerste alinea bedoelde handelingen zowel binnen als buiten de Gemeenschap worden verricht, mag alleen het gedeelte van de dienst van het reisbureau betreffende de buiten de Gemeenschap verrichte handelingen als vrijgesteld worden beschouwd.
>
> Behoudens de verwijzing naar het van toepassing zijnde artikel, stemt artikel 309 RI. 2006/112/EG volledig overeen met artikel 26 (3) van de Zesde Richtlijn."

Eiseressen wijzen op het feit dat de administratie de reizen buiten de Gemeenschap enkel kan belasten of vrijstellen via de techniek van [artikel 309 van Richtlijn 2006/112](https://juriel.be/fr/droit-union/directive-tva-2006-112/article-309)/ [artikel 26 van de Zesde Richtlijn](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-26) en het Belgisch BTW wetboek tot 1 januari 2000 voorzag in een gelijkstelling van de diensten van reisbureaus voor wat reizen buiten de Gemeenschap betreft met de dienst van een tussenpersoon.

Artikel 20, § 2 W.BTW bepaalde dat wanneer een reisbureau tussenkomst verleent bij het verschaffen van vervoer, van logies, van ter plaatse verbruikte spijzen of dranken, van vermaak of van één of meer van deze diensten, het wordt geacht te handelen in naam en voor rekening van de reiziger, welke ook de modaliteiten van zijn tussenkomst zijn, behalve in de mate waarin het die diensten zelf rechtstreeks met eigen middelen verricht of wanneer het handelt in naam en voor rekening. van de verrichter van die diensten.

België maakte gebruik van de overgangsbepaling voorzien in de Richtlijn door in artikel 41, § 2, tweede alinea W.BTW de reisbureaus uit te sluiten vanaf 1 december 1977 van de vrijstelling.

Eiseressen stellen dat door de wetswijziging via het Koninklijk Besluit van 28 december 1999 de gelijkstelling met makelaars en lasthebbers (tussenpersonen) vervallen is en het Belgisch BTW-wetboek ook niet langer voorziet in een uitsluiting van reisbureaus van de vrijstelling die makelaars en lasthebbers genieten wanneer zij tussenkomst verlenen bij leveringen van goederen of diensten die niet in de Gemeenschap plaatsvinden.

Naar luid van eiseressen heeft België door deze wijzigingen en de directe werking van de Zesde Richtlijn en de Richtlijn 2006/112/EG geen wettelijke basis meer om reizen buiten de Gemeenschap te blijven belasten.

Eiseressen steunen zich op de directe werking van [artikel 309 Richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/fr/droit-union/directive-tva-2006-112/article-309) ([artikel 26 Zesde Richtlijn](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-26)) waardoor zij zich rechtstreeks op de richtlijn kunnen beroepen.

Niettegenstaande verweerder opwerpt dat ondanks de wijzigingen van verschillende artikelen uit het BTW-wetboek die betrekking hebben op reisbureaus met ingang van 1 januari 2000, uit de samenlezing van de verschillende nieuwe artikelen ondubbelzinnig blijkt dat de diensten van de reisbureaus die onder de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge vallen, nog steeds belast blijven als dergelijke reisbureaus tussenkomst verlenen bij reizen die buiten de Gemeenschap plaatsvinden en dat het loutere feit dat deze belastingheffing wordt gerealiseerd door middel van bepalingen die niet woordelijk de bepalingen van de BTW-richtlijn hernemen, deze regeling niet strijdig maakt met de bepalingen van de BTW-richtlijn in de mate dat de Lidstaten bij de omzetting van de Richtlijn de keuze wordt gelaten van de vorm en de middelen om het vereiste of gewenste resultaat te. bereiken, twijfelt de rechtbank aan de interpretatie die aan de Richtlijn dient gegeven te worden en is de interpretatie noodzakelijk om te oordelen omtrent de eisen van eiseressen.

Zodoende wenst de rechtbank nog een volgende prejudiciële vraag aan het Europese Hof van Justitie te stellen :

*3.* *Schendt België artikel 309 RI. 2006/112 door reisbureaus, wat betreft hun diensten buiten die Gemeenschap niet gelijk te stellen met tussenpersonen en deze diensten desondanks te blijven belasten ?*

#### 4. nopens de beginselen van vrij verkeer uit het EG-Verdrag

Eiseressen stellen dat de Zesde Richtlijn en de Richtlijn 2006/112 de artikelen 43 en 56 EG-Verdrag schenden daar ze de Lidstaten een keuzemogelijkheid geven reizen buiten de Gemeenschap te belasten.

Volgens eiseressen heeft het verlenen van een keuze in casu tot gevolg dat sommige Lidstaten reizen buiten de Europese Gemeenschap zullen belasten en andere Lidstaten deze reizen zullen vrijstellen, wat volgens eiseressen concurrentieverstorend is, een inbreuk op het gelijkheidsbeginsel vormt en een belemmering van het vrij verkeer van personen, goederen en kapitalen.

Artikel 43 EG-Verdrag luidt :

> "In het kader van de volgende bepalingen zijn beperkingen van de vrijheid van vestiging voor onderdanen van een Lidstaat op het grondgebied van een andere Lidstaat verboden.
>
> Dit verbod heeft eveneens betrekking op beperkingen betreffende de oprichting van agentschappen, filialen of dochterondernemingen door de onderdanen van een Lidstaat die op het grondgebied van een Lidstaat zijn gevestigd.
>
> De vrijheid van een vestiging omvat, behoudens de bepalingen van het hoofdstuk betreffende het kapitaal, de toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst en de uitoefening daarvan alsmede de oprichting en het beheer van ondernemingen, en met name van vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 48, overeenkomstig de bepalingen welke door de wetgeving van het land van vestiging voor de eigen onderdanen zijn vastgesteld."

Artikel 56 luidt :

"1. In het kader van de bepalingen van dit hoofdstuk zijn alle beperkingen van het kapitaalverkeer tussen Lidstaten onderling en tussen Lidstaten en derde landen verboden.

2\. In het kader van de bepalingen van dit hoofdstuk zijn alle beperkingen van het betalingsverkeer tussen Lidstaten onderling en tussen Lidstaten en derde landen verboden.”

Eiseressen wijzen op het feit dat alle maatregelen die de onderdanen van de EU afschrikken van het gebruik maken van hun vrijheden die gewaarborgd zijn door het EG-Verdrag strijdig zijn met dit Verdrag.

Zij stellen dat hetzelfde geldt voor vrij kapitaalverkeer en dat nu de schending van de bepaling over vrij kapitaalverkeer samenhangt met de vrijheid van vrije vestiging, men door dit laatste te beperken automatisch het vrij kapitaalverkeer beperkt.

Niettegenstaande verweerder opwerpt dat het om een loutere theoretische beschouwing gaat, meent de rechtbank dat het aangewezen is de volgende prejudiciële vragen aan het Europese Hof van Justitie te stellen :

*4.* *Schenden de artikelen 309, 153, 370 en bijlage X van RI. 2006/112 de algemene beginstelen van het Gemeenschapsrecht, het gelijkheidsbeginsel, evenredigheidsbeginsel en de bepalingen betreffende het vrij verkeer van personen, goederen en diensten o.m. de artikelen 43 en 56 EG-Verdrag, door te voorzien in een keuzerecht voor de Lidstaten diensten met betrekking tot reizen buiten de Gemeenschap af dan niet te belasten ?*

*5.* *Is het strijdig met de beginselen van het Gemeenschapsrecht met name het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel en het neutraliteitsbeginsel inzake BTW dat de Belgische Staat bij KB 28 november 1999 alleen de reisbureaus belastbaar stelde wat betreft reizen buiten de EU, maar niet bemiddelende personen ?*

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**De Rechtbank,**

Wijzende in eerste aanleg en op **tegenspraak**.

Voegt de zaken met AR nrs. 10/4061/A en 11/3197/A samen.

Verklaart de fiscale vorderingen van eiseressen ontvankelijk.

Stelt op grond van artikel 234 EG-Verdrag de vijf volgende vragen aan het Europese Hof van Justitie :

*1.* *Mag België zijn wetgeving wijzigen door een vrijgestelde dienst te belasten - in casu reizen buiten de EU - op een moment (1 december 1977) net vóór de invoering van de Zesde Richtlijn (1 januari 1978) inzake BTW en alzo de stand still-bepaling van artikel 28, lid 3° (artikel 370 RI. 2006/112) Zesde Richtlijn te omzeilen die voorziet dat de bedoelde reizen alleen mogen belast blijven indien ze vóór de invoering van de Zesde Richtlijn steeds belast werden ?*

*2.* *Diende België zich vanaf 13 juni 1977 (datum van publicatie van de Richtlijn) te onthouden van het belasten van reizen buiten de EU ?*

*3.* *Schendt België artikel 309 RI. 2006/1121 door reisbureaus, wat betreft hun diensten buiten die Gemeenschap niet gelijk te stellen met tussenpersonen en deze diensten desondanks te blijven belasten ?*

*4.* *Schenden de artikelen 309, 153, 370 en bijlage X van RI. 2006/112 de algemene beginstelen van het Gemeenschapsrecht, het gelijkheidsbeginsel, evenredigheidsbeginsel en de bepalingen betreffende het vrij verkeer van personen, goederen en diensten o.m. de artikelen 43 en 56 EG-Verdrag, door te voorzien in een keuzerecht voor de Lidstaten diensten met betrekking tot reizen buiten de Gemeenschap al dan niet te belasten ?*

*5.* *Is het strijdig met de beginselen van het Gemeenschapsrecht met name het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel en het neutraliteitbeginsel inzake BTW dat de Belgische Staat bij KB 28 november 1999 alleen de reisbureaus belastbaar stelde wat betreft reizen buiten de EU, maar niet bemiddelende personen ?*

De rechtbank verwijst in afwachting van het antwoord van het Hof van Justitie de zaak naar **de bijzondere rol** en houdt de beslissing in verband met de kosten aan.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op **woensdag vierentwintig oktober tweeduizend en twaalf**.

Aanwezig zijn :

**H. A.**, alleenrechtsprekend rechter;

**L. N.**, griffier.

**N. L.** **A. H.**

## Textes cités

10

traité CE art. 43 5 occurrences

[6e directive 77/388 art. 26](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-26) 5 occurrences

traité CE art. 56 4 occurrences

[directive TVA 2006/112 art. 309](https://juriel.be/fr/droit-union/directive-tva-2006-112/article-309) 3 occurrences

traité CE art. 234 2 occurrences

[directive TVA 2006/112 art. 370](https://juriel.be/fr/droit-union/directive-tva-2006-112/article-370) 2 occurrences

[AR no 35 art. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-35-decembre-etablissant-base-forfaitaire-imposition-6259) 1 occurrence

[AR no 4 art. 4](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-4-decembre-restitutions-matiere-taxe-valeur-406b) 1 occurrence

[CTVA art. 85](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-85) 1 occurrence

[6e directive 77/388 art. 28](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-28) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Agence de voyages, Commissionnaire](https://juriel.be/fr/jurisprudence/agence-voyages-commissionnaire-regime-particulier-cour-appel-bruxelles-2015-11-04-09f0) 4 dispositions communes

[Exonération, Clause de “standstill”](https://juriel.be/fr/jurisprudence/exoneration-clause-standstill-prestations-services-cassation-bruxelles-2026-10-16-cbb8) 4 dispositions communes

[Exonération de TVA pour les agences de voyages, pour les services](https://juriel.be/fr/jurisprudence/exoneration-tva-agences-voyages-services-cassation-bruxelles-2025-02-28-3ef6) 3 dispositions communes

[Agence de voyages, Notion d’agence de voyages](https://juriel.be/fr/jurisprudence/agence-voyages-notion-base-imposition-tribunal-bruxelles-2016-06-08-a37e) 3 dispositions communes

[Reconstitution du chiffres d’affaires, Preuve par présomptions](https://juriel.be/fr/jurisprudence/reconstitution-chiffres-affaires-preuve-presomptions-cour-appel-bruxelles-2023-02-0e22) 1 dispositions communes

[Secteur Horeca, Système de caisse enregistreuse, Absence de détention](https://juriel.be/fr/jurisprudence/secteur-horeca-systeme-caisse-enregistreuse-tribunal-namur-2021-12-08-0e27) 1 dispositions communes

[Prescription](https://juriel.be/fr/jurisprudence/prescription-tribunal-bruxelles-2026-03-04-10c6) 1 dispositions communes

[Registre de perception et recouvrement, Titre exécutoire](https://juriel.be/fr/jurisprudence/registre-perception-recouvrement-titre-executoire-cour-appel-gand-2024-03-12-1183) 1 dispositions communes
