---
title: "28 juin 2004 · Champ d&#x27;application, service · Tribunal de première instance de Bruges"
description: "Champ d'application, service, opération imposable, exonération, autre exemption. Tribunal de première instance de Bruges (Belgique), 28 juin 2004."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/champ-application-service-operation-imposable-tribunal-bruges-2004-06-28-7f62"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Champ d'application, service, opération imposable, exonération, autre exemption · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Bruges

**Date**

28 juin 2004

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

102 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruges du 28.06.2004

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :**

In de zaak **02/166/A** Rep. nr. 2004/9068

**de NV C.**, (HR Brugge nr. … - BTW-nr. …), met vennootschapszetel te …, …, voorheen gevestigd te …, …,

**eiseres,**

voor wie is opgetreden Meester **F. J.** loco Meester **J. M.**, beiden advocaat te …

**tegen :**

**De BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te Brugge, met burelen gevestigd te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4,

**verweerder,**

voor wie Is opgetreden Meester **F. H.**, advocaat te …, loco Meester **F. W.**, advocaat te …

## MEDE INZAKE :

**de NV C.**, (HR Brugge nr. … - BTW-nr. …), met vennootschapszetel te …, …, voorheen gevestigd te …, …,

**eiseres in gedwongen tussenkomst en vrijwaring,**

voor wie is opgetreden Meester **F. J.** loco Meester **J. M.**, belden advocaat te …

**tegen :**

**de NV Q. R.**, (HR Brussel nr. … - BTW-nr. …), met administratieve zetel te …, …, met vennootschapszetel te …, …,

**verweerster, hierna genoemd “verweerder”, in gedwongen tussenkomst en vrijwaring,**

voor wie zijn opgetreden Meester **J. V.** en meester **A. D. G.**, beiden advocaat te …

## I. RECHTSPLEGING

Gelet op de inleidende dagvaarding houdende verzet tegen het dwangbevel de dato 11 januari 2002.

Gelet op de dagvaarding in gedwongen tussenkomst en vrijwaring de dato 2 juli 2003.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 7 juni 2004.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

## ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

**2.1.** Eiseres was voor haar geregelde activiteit als restaurant, snackbar en activiteiten die in verband staan met het horecabedrijf geregistreerd onder het BTW-nummer ….

Op 21 februari 2001 werd door de heer **S. E.**, eerstaanwezend inspecteur­diensthoofd verbonden aan het BTW-controlecentrum te Kortrijk, een toezicht verricht met het oog op de juiste toepassing van de BTW en dit over de periode van 1 januari 1998 tot 31 december 2000.

Naar aanleiding van dit toezicht werden een aantal overtredingen op de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde vastgesteld.

Bij gebrek aan een akkoordverklaring over een aantal van de vastgestelde overtredingen werd door de heer **S.** voornoemd, op 18 september 2001, een proces-verbaal opgemaakt waarin de door eiseres begane overtredingen werden geacteerd (zie stuk 2 verweerder).

Ten gevolge van dit proces-verbaal werd van eiseres een bedrag gevorderd van 2.249.779 BF (55.770,56 EUR) BTW en 364.000 BF (9.023,32 EUR) geldboete.

Wegens niet-betaling werd op 23 november 2001 een dwangbevel uitgevaardigd dat op 29 november 2001 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer **D.**, waarnemend gewestelijk directeur, daartoe aangewezen door de gewestelijk directeur bij de BTW·(zie stuk 5 verweerder).

Dit dwangbevel werd op 5 december 2001 bij een ter post aangetekende brief aan eiseres ter kennis gebracht (zie stuk 4 verweerder).

**2.2.** Eiseres vraagt dat :

\- De hoofdvordering houdende verzet dwangbevel ontvankelijk en gegrond wordt verklaard.

\- Het bestreden dwangbevel wordt vernietigd en dal dienvolgens verweerder op hoofdvordering wordt veroordeeld tot terugbetaling van alle sommen die zij heeft betaald of die te haren laste werden ingehouden ter aanzuivering van de navordering die het voorwerp van het dwangbevel uitmaakt, verhoogd met de moratoire rente met toepassing van artikel 91, § 4 W.BTW.

\- In ondergeschikte orde, de opgelegde boeten worden kwijtgescholden, minstens worden verminderd.

\- De vordering in tussenkomst en vrijwaring ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en dat dienvolgens verweerder in gedwongen tussenkomst en vrijwaring wordt veroordeeld om eiseres te vrijwaren met betrekking tot de vordering van de BTW-administratie voor zover deze betrekking heeft op de BTW ten bedrage van 16.080,33 EUR in hoofdsom, boete ten bedrage van 1.586,54 EUR en de verwijlsintresten op voormelde bedragen, minstens dat verweerder in gedwongen tussenkomst en vrijwaring desgevallend wordt veroordeeld tot terugbetaling van de mogelijkerwijze ten onrechte aan eiseres aangerekende BTW,

\- Verweerder op hoofdvordering en verweerder in gedwongen tussenkomst en vrijwaring worden veroordeeld tot alle kosten van het geding, in haar hoofde begroot op 213,35 EUR dagvaardingskosten verzet dwangbevel, 300,89 EUR kosten dagvaarding in gedwongen tussenkomst en 342,09 EUR rechtsplegingsvergoeding.

\- Het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, niettegenstaande alle verhaal.

**2.3.** Verweerder op hoofdvordering vraagt dat het verzet ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in zijn hoofde begroot op de rechtplegingsvergoeding ten bedrage van 342,09 EUR.

**2.4.** Verweerder in gedwongen tussenkomst en vrijwaring vraagt dat vordering in gedwongen tussenkomst en vrijwaring ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat dienvolgens eiseres wordt veroordeeld tot de gedingkosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 342,09 EUR.

## III. BEOORDELING

### 3.1. nopens de ontvankelijkheid van de hoofd- en tussenvordering

Verweerder op hoofdvordering en verweerder in gedwongen tussenkomst en vrijwaring voeren geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de hoofd- en tussenvordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, zijn de hoofd- en tussenvordering ontvankelijk.

### 3.2. nopens de grond

#### 3.2.1. overeenkomst van zaakvoering - onroerende verhuur

**3.2.1.1.** Tussen verweerder in gedwongen tussenkomst en eiseres werden op 27 september 1997 een franchisingovereenkomst en een overeenkomst van zaakvoering afgesloten met een duurtijd van 3 jaar. De franchisingovereenkomst heeft als voorwerp het verlenen door de franchisegever (verweerder in gedwongen tussenkomst) aan de franchisenemer (eiseres) van het recht om een verkooppunt/restaurant uit te baten met een Quick-teken en met toepassing van het Quick-systeem. De overeenkomst van zaakvoering heeft als voorwerp het toevertrouwen door verweerder in gedwongen tussenkomst aan eiseres van de uitbating van het handelsfonds van het restaurant waarvan verweerder in gedwongen tussenkomst eigenaar is, om er het systeem Quick in het werk te stellen.

In het kader van de overeenkomst van zaakvoering stelt verweerder in gedwongen tussenkomst aldus het geheel van het handelsfonds en het gebruik van de lokalen in dewelke het handelsfonds wordt uitgebaat, ter beschikking van eiseres. In punt 9 van de overeenkomst van zaakvoering wordt de bijdrage voor de terbeschikkingstelling van het handelsfonds forfaitair vastgesteld op 38.671,39 EUR voor het eerste jaar, 39.439,86 EUR voor het tweede jaar en 40.233,12 EUR voor het derde jaar.

In toepassing van artikel 18, § 1, lid 2, 6° W.BTW rekent verweerder in gedwongen tussenkomst BTW aan op de vergoedingen die zij ingevolge artikel 9 van de overeenkomst aan eiseres aanrekent. In toepassing van artikel 45, § 1 W.BTW trekt eiseres de door haar aan verweerder in gedwongen tussenkomst betaalde BTW af.

Verweerder op hoofdvordering stelt dat verweerder in gedwongen tussenkomst ten onrechte 21 % BTW heeft aangerekend op de vergoedingen die overeenkomstig artikel 9 van de overeenkomst van zaakvoering aan eiseres werden gefactureerd. Volgens verweerder op hoofdvordering zijn deze vergoedingen in toepassing van artikel 44, § 3, 2° W.BTW vrijgesteld van BTW, zodat eiseres deze BTW ten onrechte in aftrek heeft gebracht.

**3.2.1.2.** Krachtens artikel 18, § 1, eerste lid W.BTW moet als een dienst worden beschouwd elke handeling die geen levering is van een goed in de zin van het BTW-wetboek.

[Artikel 13](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-13), [6, eerste lid, b)](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-6) van de zesde richtlijn (nr. 77/388/EEG Raad 17.5.1977) bepaalt dat de lidstaten, onverminderd andere communautaire bepalingen, vrijstelling verlenen voor o.m. verpachting en verhuur van onroerende goederen, met uitzondering van de aldaar opgesomde gevallen.

Artikel 44, § 3, 2° W.BTW voorziet op zijn beurt dat van de BTW zijn vrijgesteld de verpachting, de verhuur en de overdracht van huur van uit hun aard onroerende goederen, alsook het gebruik van dergelijke goederen onder de voorwaarden van artikel 19, § 1 W.BTW, met de in artikel 44, § 3, 2° W.BTW opgesomde uitzonderingen.

Waar voormeld artikel 44 voorziet in de vrijstelling voor verhuur van uit hun aard onroerende goederen is het een implementatie van het [artikel 13, B, eerste lid, b) van de zesde richtlijn 77/388/EEG](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-13), zodat het dient te worden uitgelegd in het licht van de bewoordingen en het doel van de richtlijn. Dit brengt onder meer met zich dat bij het onderzoek van de vraag of te dezen al dan niet sprake is van onroerende verhuur in de zin van [artikel 44, § 3, 2° BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-44), de volgende principes dienen in acht genomen :

\- de bewoordingen waarin de in [artikel 13 van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-13) bedoelde vrijstellingen zijn omschreven, moeten strikt worden uitgelegd, daar die vrijstellingen afwijkingen zijn van het algemeen beginsel, dat BTW wordt geheven over elke dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht.

\- de vrijstellingen van [artikel 13 van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-13) zijn autonome communautaire rechtsbegrippen en dienen derhalve een communautaire definitie te krijgen,

\- wat de in [artikel 13, B, sub b, van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-13) bedoelde vrijstellingen betreft, geeft deze bepaling geen omschrijving van het begrip "verhuur" en verwijst zij evenmin naar de respectieve omschrijvingen van dat begrip in de wettelijke regelingen van de lidstaten; krachtens de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is het wezenlijke kenmerk van de verhuur van onroerende goederen in de zin van [artikel 13, B, sub b, van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-13), dat aan de houder voor een overeengekomen tijdsduur tegen vergoeding het recht wordt verleend, een onroerend goed te gebruiken als ware hij de eigenaar ervan en ieder ander van het genot van dat recht uit te sluiten.

\- om de aard van een belastbare handeling vast te stellen, moeten vorder alle omstandigheden waaronder de betrokken handeling wordt verricht in aanmerking worden genomen om daaruit de kenmerkende elementen naar voren te halen.

(*zie Hof van Beroep Gent, 30.03.2004, niet gepubliceerd*).

**3.2.1.3.** Uit de overeenkomst van zaakvoering blijkt dat eiseres het betrokken pand als een Quick-restaurant moet uitbaten en dit volgens de opgelegde methodes en standaarden van verweerder in gedwongen tussenkomst Verder mogen verweerder in gedwongen tussenkomst, de verzekeraars en hun afgevaardigden, tijdens de openingsuren overgaan tot gelijk welke veiligheidscontrole die zij nuttig achten (zie punt 12.2). In geval van sluiting van de inrichting tijdens de normale openingsuren is verweerder in gedwongen tussenkomst verder gerechtigd onmiddellijk een einde te stellen aan de overeenkomst (zie punt 14 a), In geval de overeenkomst voortijdig zou worden ontbonden, of bij afloop van de termijn niet zou worden hernieuwd, zal verweerder in gedwongen tussenkomst geen enkele schadevergoeding aan eiseres verschuldigd zijn en meer in het bijzonder geen enkele vergoeding voor cliënteel (zie punt 15, 2 de lid). Verder is eiseres verplicht om het personeel dat tewerkgesteld is in het verkooppunt over te nemen, alsook de contracten afgesloten met derden m.b.t. de uitbating van het verkooppunt (zie punt 24). Tenslotte wordt de toepassing van de handelshuurwetgeving door de partijen uitdrukkelijk uitgesloten. In punt 5.6 van de overeenkomst wordt immers bepaald dat de overeenkomst geen enkele huur of onderhuur van de handelslokalen omvat, zodat eiseres geen titularis is van enig recht op handelshuur.

De overeenkomst van zaakvoering kan dan ook niet worden gekwalificeerd als een huurovereenkomst. Het essentieel voorwerp van kwestieuze overeenkomst bestaat immers niet uit het verlenen van het volle en gehele genot van een bepaalde ruimte.

Het gebruik van de uitbating en de aard van de uitgeoefende beroepswerkzaamheid voor verweerder in gedwongen tussenkomst is hier duidelijk van primordiaal belang. Het beschikkingsrecht op de inrichting is hierbij bijkomstig.

Derhalve dient voor de toepassing van de BTW te worden aangenomen dat de dienstverlening van verweerder in gedwongen tussenkomst moet worden beschouwd als een belastbare handeling in de zin van artikel 18, § 1, 6 W.BTW.

De hoofdvordering van eiseres is gegrond De vordering van eiseres in gedwongen tussenkomst en vrijwaring dient als ongegrond te worden afgewezen.

#### 3.2.2. tarieven take out/take in

**3.2.2.1.** Volgens de BTW-aangiften van de jaren 1998 en 1999 bedragen de leveringen van goederen die ter plaatste worden verbruikt 60 % van de omzet en bedragen de leveringen van goederen die door de klant worden meegenomen 40 % van de omzet.

Tijdens de periode van 27 januari 2000 tot en met 23 maart 2000 heeft verweerder op hoofdvordering 8 controles verricht waaruit evenwel blijkt dat de leveringen van goederen die ter plaatste worden verbruikt 80 % van de omzet en de leveringen van goederen die door de klant worden meegenomen 20 % van de omzet bedragen.

**3.2.2.2.** Zoals verweerder op hoofdvordering zelf stelt moeten vermoedens vertrekken van vaststaande gegevens en moeten zij gewichtig zijn en voldoende met elkaar overeenstemmen. Dat wil zeggen dat de vaststaande feiten waarvan vertrokken wordt, elkaar voldoende ondersteunen en/of aanvullen (= overeenstemmen) om de conclusie vrijwel zonder twijfel te kunnen trekken (gewichtigheid).

De rechtbank stelt vast dat verweerder op hoofdvordering slechts over zeer summiere gegevens beschikt van 8 controles (8 dagen in de periode van 27 januari t.e.m. 23 maart 2000) om de verhouding tussen de leveringen van goederen die ter plaatse worden verbruikt en de leveringen van goederen die door de klant worden meegenomen te bepalen. Er liggen geen andere overzichten voor die een zelfde of vergelijkbare verhouding laten zien. Evenmin zijn er andere feitelijke gegevens die de vastgestelde verhouding bevestigen of aannemelijk maken dat die verhouding een gemiddelde of een constante is. Nog veel minder is er enig feit voorgebracht dat ondersteunt, of zelfs maar objectief aanwijst dat een vergelijkbare toestand zich ook in de jaren 1998 en 1999 zou bestaan hebben.

De rechtbank komt dan ook tot de vaststelling dat verweerder zijn vermoeden voor het bestaan van de verhouding tussen de leveringen van goederen die ter plaatste worden verbruikt (80 % van de omzet) en de leveringen van goederen die door de klant worden meegenomen (20 % van de omzet) niet gesteund heeft op voldoende met elkaar overeenstemmende vaststaande feiten om voldoende waarschijnlijkheid over de conclusie te laten bestaan.

In die omstandigheden is de aanslag aangetast door willekeur en derhalve nietig.

#### 3.2.3. overtredingen m.b.t. het bijhouden van de nodige stukken en bescheiden

De overtredingen m.b.t. het vervangen van de rekening of de ontvangstbewijzen door bons van het kasregister zonder vergunning en m.b.t. het niet bijhouden van een dagboek van ontvangsten kunnen niet ernstig worden betwist (zie Post III.1 en III.2 van het proces-verbaal de dato 18 september 2001 en de verklaring dienaangaande van de heer **D.**).

De rechtbank Is principieel bij machte om de opportuniteit en de omvang van de BTW-boete te beoordelen.

Het bijhouden van de nodige stukken en bescheiden is een essentiële verplichting van elke BTW-plichtige. De schending van die verplichting verstoort het raderwerk van de administratieve controle.

Anders dan eiseres is de rechtbank van oordeel dat, in de gegeven omstandigheden, de opgelegde boetes voor een gezamenlijk bedrag van (3.470,51 EUR) 140.000 Bf gepast is. Zij zijn zeker niet buitenissig. De boete moet hoe dan ook een repressief karakter hebben. Zij moet ontrading betrachten in de toekomst. Zowel het principe als de omvang van de boete werden overigens voldoende gemotiveerd door de vaststellingen zoals omschreven in het proces-verbaal van 18 september 2001.

Dit deel van de vordering dient bijgevolg als ongegrond te worden afgewezen.

### 3.3. nopens de kosten

Verweerder op hoofdvordering wordt grotendeels in het ongelijk gesteld m.b.t. de vordering houdende verzet dwangbevel. Overeenkomstig artikel 1017, 1 ste lid van het gerechtelijk wetboek moet hij de eraan verbonden gerechtskosten dragen.

Eiseres in tussenkomst en vrijwaring wordt in het ongelijk gesteld m.b.t. de dagvaarding in gedwongen tussenkomst. Overeenkomstig artikel 1017, 1 ste lid van het gerechtelijk wetboek moet zij de eraan verbonden gerechtskosten dragen.

### 3.4. nopens de uitvoerbaarheid bij voorraad

Gelet op de uitspraak heeft eiseres, belang bij de voorlopige tenuitvoerlegging.

Er is de rechtbank verder geen reden bekend op grond waarvan zij geen uitstel van tenuitvoerlegging zou kunnen verlenen. Aldus geldt het principe van artikel 1333 Ger. Wb.. De uitvoerbaarheid bij voorraad wordt daarom toegestaan.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Wijzende in eerste aanleg en op **tegenspraak**.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart de hoofdvordering houdende verzet dwangbevel ontvankelijk en gegrond in de mate zoals hierna bepaald.

Verklaart de tussenvordering in gedwongen tussenkomst en vrijwaring ontvankelijk doch wijst ze af als ongegrond.

Zegt voor recht dat het bestreden **dwangbevel nietig is** en als onbestaande moet worden beschouwd met uitzondering van de verschuldigde boete van 3.470,51 EUR krachtens artikel 70, § 4 W.BTW ingevolge het vervangen van de rekening of de ontvangstbewijzen door bons van een kasregister en ingevolge het niet bijhouden van een kasboek voor ontvangsten (zie post III.1 en III.2 van het proces-verbaal d.d. 18 september 2001).

Veroordeelt dienvolgens **verweerder op hoofdvordering** tot terugbetaling van het bedrag dat door hem reeds zou geïnd zijn ten nadele van eiseres op hoofdvordering, vermeerderd met de moratoire interest overeenkomstig artikel 91, § 4 W.BTW.

Veroordeelt **verweerder op hoofdvordering** tot het betalen van de gerechtskosten van de procedure houder.de verzet dwangbevel, in zijn hoofde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven en begroot deze aan de zijde van eiseres op hoofdvordering op 213,35 EUR dagvaardingskosten en 342,09 EUR geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding.

Veroordeelt **eiseres in gedwongen tussenkomst** en vrijwaring tot het betalen van de gerechtskosten van de procedure houdende dagvaarding in gedwongen tussenkomst en vrijwaring, in haar hoofde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven en begroot deze aan de zijde van verweerder in gedwongen tussenkomst en vrijwaring op 342,09 EUR geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding.

Verklaart onderhavig vonnis uitvoerbaar bij voorraad, spijts alle verhaal en zonder borgstelling.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op **achtentwintig juni tweeduizend en vier**.

Aanwezig zijn :

**H. N.**, alleenrechtsprekend rechter

**L. N.**, e.a. adjunct-griffier

**N. L.** **N. H.**

## Textes cités

3

[6e directive 77/388 art. 13](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-13) 6 occurrences

[CTVA art. 44](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-44) 1 occurrence

[6e directive 77/388 art. 6](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-6) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Prestation de services, Mandat, Mandataire, Contrat de commission, Commissionnaire](https://juriel.be/fr/jurisprudence/prestation-services-mandat-mandataire-contrat-cour-appel-bruxelles-2015-10-29-0318) 3 dispositions communes

[Champ d'application, service, opération imposable, exonération, autre exemption](https://juriel.be/fr/jurisprudence/champ-application-service-operation-imposable-cour-appel-anvers-2011-06-28-03db) 3 dispositions communes

[Exonération, autre exemption, champ d'application, opération imposable, service](https://juriel.be/fr/jurisprudence/exoneration-autre-exemption-champ-application-tribunal-bruges-2007-12-24-2d17) 3 dispositions communes

[Exemption, Loteries, Jeux de hasard ou d'argent, exonération](https://juriel.be/fr/jurisprudence/exemption-paris-loteries-jeux-hasard-cassation-bruxelles-2007-10-05-3d88) 3 dispositions communes

[Bien d’investissement](https://juriel.be/fr/jurisprudence/bien-investissement-immeuble-utilise-comme-tribunal-bruxelles-2017-04-19-40f2) 3 dispositions communes

[Transport d'organes humains pour des hôpitaux et des laboratoires](https://juriel.be/fr/jurisprudence/transport-organes-humains-hopitaux-laboratoires-cassation-bruxelles-2009-06-18-45c6) 3 dispositions communes

[Transport d'organes et de prélèvements humains pour des hôpitaux et des laboratoires](https://juriel.be/fr/jurisprudence/transport-organes-prelevements-humains-hopitaux-cassation-bruxelles-2010-09-16-4b96) 3 dispositions communes

[Droit à déduction, Bien immobilier, Frais de construction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-bien-immobilier-frais-cassation-bruxelles-2019-09-27-59d6) 3 dispositions communes
