---
title: "Champ d&#x27;application, service · Cour d&#x27;appel de Gand, 26 mai 2009"
description: "Champ d'application, service, opération imposable, exonération, autre exemption, poursuite. Cour d'appel de Gand (Belgique), 26 mai 2009."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/champ-application-service-operation-imposable-cour-appel-gand-2009-05-26-a55f"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Champ d'application, service, opération imposable, exonération, autre exemption, poursuite · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Gand

**Date**

26 mai 2009

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

102 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 26.05.2009

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**Hof van beroep te Gent 5****e** **kamer terechtzitting van 26-05-2009**

Nr. **2008/AR/1604**

in de zaak van :

**DE BELGISCHE STAAT**, FOD Financiën,

\- in de persoon van de e.a. Inspecteur van het 1 e BTW-ontvangkantoor te Kortrijk, wiens. kantoren gevestigd zijn te 8500 KORTRIJK, Hoveniersstraat 31,

\- in de persoon van mevrouw **K. V. P.**, fiscaal deskundige, verbonden aan de Administratie van de BTW en ter beschikking gesteld van de AOIF van het Controlecentrum Kortrijk, .met kantoren aan de Hoveniersstraat 31 te 8500 KORTRIJK,

**appellant,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **W. F.**, advocaat te …, …

**tegen :**

**S. NV**, met maatschappelijke zetel te …, …; ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer …,

**geïntimeerde,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **S. F.**, advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

## 1. Procedure

Bij verzoekschrift van 17 juni 2008 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge, vierde kamer, op 26 februari 2008 werd uitgesproken. In het bestreden vonnis werd als volgt uitspraak gedaan :

*Verklaart de vordering ontvankelijk en gegrond in de mate zoals hierna bepaald.*

*Zegt voor recht dat de in het bestreden dwangbevel gevorderde BTW en boete ongegrond is in de mate ze betrekking heeft op de weigering van het recht op aftrek van de facturen die betrekking hebben op de aan de gedelegeerd bestuurder van eiseres gratis ter beschikking gestelde eerste verdieping van het gebouw aan de … te ….*

*Veroordeelt dienvolgens verweerder tot terugbetaling van het bedrag dat door hem reeds zou geïnd zijn ten nadele van eiseres boven het gedeelte dat gegrond werd bevonden, vermeerderd met de moratoire interest overeenkomstig artikel 91, § 4 W.BTW en dit te rekenen vanaf de inning ervan tot op datum van volledige terugbetaling.*

*Veroordeelt verweerder tot het betalen van de gerechtskosten, (...)*.

Het hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis teniet te doen en van het Hof te bekomen dat het de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde ongegrond verklaart.

Subsidiair verzoekt de appellant om aan het Hof van Justitie. van de E.G. de volgende prejudiciële vraag te stellen :

*Mag een lidstaat het gebruik van een woning voor eigen bewoning in een volledig tot het bedrijf behorend bedrijfsgebouw, welk gebruik volgens* [*artikel 6, lid 2, eerste alinea, sub a, van richtlijn 77/388/EEG*](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-6) *wordt gelijkgesteld met een onder bezwarende titel verrichte dienst, als belastingvrij behandelen (overeenkomstig* [*artikel 13, B, sub b, van richtlijn 77/388/EEG*](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-13)*, maar zonder mogelijkheid om van de belastingvrijstelling af te zien), met het gevolg dat de aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde die als voorbelasting voor de oprichting van het gebouw is voldaan voor dat deel, volgens* [*artikel 17, lid 2, sub a, van richtlijn 77/388/EEG*](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-17) *uitgesloten is ?*

De appellant vraagt bovendien dat de geïntimeerde zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen.

De geïntimeerde vordert de bevestiging van het bestreden vonnis. De geïntimeerde vraagt tevens dat het Hof de appellant zou veroordelen tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen.

De partijen werden in openbare terechtzitting géhoord in hun middelen en conclusies.

## 2. Feitelijke gegevens

De geïntimeerde is sedert 1994 als BTW-belastingplichtige geregistreerd voor haar activiteit van handel in schoenen.

De betwisting heeft betrekking op de BTW-verplichtingen van de geïntimeerde in de periode van 1 januari 2002 tot 30 november 2003. In die periode was de geïntimeerde eigenares van meerdere onroerende goederen, waaronder het gebouw aan de … te …. Ze had aan dat gebouw in die periode diverse werken in onroerende staat laten uitvoeren. Dat gebouw werd door de geïntimeerde tot bedrijfsgoed bestemd. Terwijl de benedenverdieping aan een bankinstelling werd verhuurd om er een bank uit te baten, stelde de geïntimeerde de eerste verdieping gratis (zonder dat enige betaling verschuldigd was aan de geïntimeerde) ter beschikking van haar gedelegeerd bestuurder, die er met haar gezin woonde (hoofdverblijf).

Er waren ook nog andere onroerende goederen waaraan in de betrokken periode werken in onroerende staat hadden plaats gevonden en die door de geïntimeerde verhuurd werden.

De geïntimeerde heeft de BTW die betrekking heeft op de werken in onroerende staat voor die onroerende goederen integraal als voorbelasting in aftrek gebracht. Het ging in het totaal om een bedrag van … euro aan BTW. De geïntimeerde heeft nooit een herziening toegepast wegens privégebruik.

In een proces-verbaal van 29 november 2005 heeft de controleambtenaar van de appellant dat bedrag aan BTW verschuldigd verklaard, meer een verminderde proportionele boete van … euro (10 %) en meer de interest volgens artikel 91 W.BTW te rekenen vanaf 21 januari 2004.

Bij gebrek aan betaling werd door de geïntimeerde op 2 december 2005 voor diezelfde bedragen, meer de interest op de boete en de vervolgingskosten een dwangbevel uitgevaardigd. Het werd op 9 december 2005 geviseerd en uitvoerbaar verklaard.

De geïntimeerde kon niet akkoord gaan met de weigering van de aftrek van de BTW op het gedeelte van de BTW dat betrekking had op de eerste verdieping van het gebouw aan de … te …. In een informeel bezwaar vroeg ze de appellant de aftrek van de BTW voor dat deel toe te staan om reden dat de gratis terbeschikkingstelling van het bedrijfsgoed aan de gedelegeerd bestuurder zou moeten beschouwd worden als een bedrijfsactiviteit waarvoor geen vrijstelling van BTW geldt. Nadat de appellant liet weten met dat standpunt niet te kunnen instemmen, heeft de geïntimeerde met een verzoekschrift van 19 april 2006 haar vordering ingesteld voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge.

De vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge heeft in zijn vonnis van 26 februari 2008 de vordering van de geïntimeerde ingewilligd zoals hoger vermeld.

Het is tegen dat vonnis dat de appellant hoger beroep heeft ingesteld.

## 3. Grieven en argumenten van de partijen

De betwisting heeft enkel betrekking op de vraag of er recht van aftrek van voorbelasting bestaat voor de BTW die de geïntimeerde in de betreffende periode betaald heeft met betrekking tot de werken in onroerende staat die werden uitgevoerd aan de eerste verdieping van het gebouw aan de … te ….

3.1. Standpunt van de appellant

De appellant maakt een uitgebreide analyse van de BTW-reglementering aangaande het recht op aftrek van voorbelasting inzake het gratis ter beschikking stellen van een gebouw aan een bestuurder van de vennootschap die eigenaar is van het gebouw. Op basis van de diverse rechtspraak van het Europees Hof van Justitie komt de appellant tot de conclusie dat er geen recht op aftrek bestaat.

De appellant steunt die conclusie op de volgende argumentatie.

• Private bewoning is geen belaste handeling en is ook geen handeling voor de economische activiteit van de belastingplichtige, de geïntimeerde.

• Het is onmiskenbaar dat het gratis ter beschikking stellen van het deel van het betrokken gebouw aan de gedelegeerd bestuurder voor privédoeleinden een dienst is in de zin van artikel19 W.BTW (art. 13, B, sub b 6 de richtl.).".

• Waar artikel 44, § 3, 2 W.BTW niet alleen verpachting en verhuring van BTW vrijstelt maar ook de terbeschikkingstelling van goederen voor privédoeleinden (dienst bepaald in art. 19, § 1 W.BTW en in art. 6, lid 2, eerste al, sub a 6 de Richtl.), is die bepaling in strijd met de 6 de richtlijn; die bepaling moet - inderdaad - voor niet gelezen worden beschouwd.

• De gevallen die onder dat artikel 19, § 1 W.BTW moeten gerekend worden, zijn evenwel beperkt, namelijk deze waarin er sprake is van een tijdelijk gebruik voor korte duur, louter toevallig of zeer onregelmatig van een (roerend of onroerend) goed dat normaal bestemd is om in zijn geheel te worden aangewend voor de economische activiteit van de belastingplichtige.

• Het arrest Seeling (HvJ, 8 mei 2003) heeft duidelijk gemaakt dat een belastingplichtige die ervoor kiest om een gebouw volledig in zijn bedrijf op te nemen en een gedeelte ervan voor privédoeleinden gebruikt, zowel het recht heeft om de over de totale bouwprijs van het gebouw voldane voorbelasting af te trekken, als de daar tegenoverstaande plicht heeft om de BTW over de voor dat (privé-) gebruik gemaakte uitgaven te betalen.

• Er moet nochtans rekening gehouden worden met de bedoeling die steekt achter de gelijkstelling door artikel 6, lid 2,eerste alinea, sub a van de 6 de richtlijn (art. 19, § 1 W.BTW) van de ter beschikkingstelling voor privégebruik of voor andere doeleinden dan de economische activiteit van de belastingplichtige met een dienst verricht onder bezwarende titel. De bedoeling van die gelijkstelling is te voorkomen dat de in eerste instantie op de werken in onroerende staat betaalde maar afgetrokken BTW, (geheel of gedeeltelijk) verloren gaat door de terbeschikkingstelling voor privédoeleinden zonder dat dit met heffing van BTW gepaard gaat.

• Bij onttrekking voor privégebruik, gelden de regels van de herziening van het recht van aftrek, weliswaar binnen een beperkte periode.

• In het arrest Seeling heeft het Europees Hof van Justitie aangenomen dat het de keuze van de gemeenschapswetgever was om een systeem toe te laten waarin de herziening van het recht van aftrek van voorbelasting wegens privégebruik slechts voor een beperkte periode mogelijk is en daardoor in bepaalde gevallen slechts gedeeltelijk gebeurt, met name omdat de BTW-heffing over het privégebruik van een onroerend bedrijfsgoed gespreid wordt over een periode die langer duurt dan de herzieningsperiode. Er werd geoordeeld dat deze vaststelling niet kon verantwoorden om de vrijstelling voor verpachting en verhuring uit artikel 13, B, sub b 6 de Richtlijn zo ruim uit te leggen dat de ter beschikkingstelling voor privégebruik als een verhuring zou worden beschouwd.

• Er moet hoe dan ook worden nagegaan of er in het concrete geval toch geen sprake is van onroerende verhuring. Daarbij is de duur van de verhuur op zich geen onderscheidend criterium; het is in ieder geval op zich niet noodzakelijk dat de duur bij het sluiten van de overeenkomst is vastgelegd. Gelet op het passieve karakter van een verhuring, valt te verwachten dat de tegenprestatie in relatie staat tot de duur van de overeenkomst maar niets belet dat ook andere elementen als tegenprestatie gelden. Ook het kenmerk dat aan de huurder een exclusief gebruik wordt toegekend met uitsluiting van een gebruik door derden, moet niet te absoluut worden opgevat.

• In het concrete geval is er weliswaar geen schriftelijke overeenkomst, maar dat belet niet dat er een overeenkomst is. Dat de duur niet werd bepaald, zou geen beletsel zijn om van een verhuring te spreken. Ook zou er een akkoord zijn over de te betalen huurprijs, weliswaar niet door de betaling van geld maar in natura door het verstrekken van de diensten door de gedelegeerd bestuurder. Doordat het gebruik voor de bewoning door het gezin van de gedelegeerd bestuurder bestemd is, zou er ook (impliciet) overeengekomen zijn dat geen enkele derde van het gedeelte van het gebouw gebruik mag maken.

• De Europese Commissie heeft een ontwerp van richtlijn in de maak waarin de aftrekregeling voor het gemengd gebruik van onroerende goederen zou worden gewijzigd. Met name zou een correctiemechanisme worden voorzien om schommelingen in zakelijk en persoonlijk gebruik te ondervangen. Daarin zou het aanvankelijke recht op aftrek van de voorbelasting beperkt worden volgens het principe van het werkelijk gebruik, met mogelijkheid tot herziening van het recht van aftrek wanneer dat werkelijk gebruik wijzigt. De Belgische wetgever heeft, door artikel 19, § 1 W.BTW met ingang van 7 januari 2007 te wijzigen (Programmawet van 27 december 2006) op die situatie geanticipeerd.

De appellant stelt zich de vraag of de redenering die in de rechtspraak van het Hof van Justitie terug te vinden is, wel de strikte interpretatie volgt.

Ook stelt de appellant zich de vraag of de toepassing van de redenering door de eerste rechter wel in overeenstemming is met het neutraliteitsbeginsel. In dat verband ziet de appellant een onderscheid met de feiten uit het arrest Seeling, meer bepaald omdat de belastingplichtige toen een natuurlijke persoon was, terwijl de geïntimeerde een rechtspersoon is. De appellant erkent dat er voor de toepassing van de BTW in principe geen onderscheid moet gemaakt worden in functie van de rechtsvorm waaronder een economische activiteit ontplooid wordt. Het zou nochtans·vereist zijn dat er in werkelijkheid sprake is van een economische activiteit. Het is tegen deze achtergrond dat de appellant verzoekt om aan het Europese Hof van Justitie de hoger geciteerde prejudiciële vraag te stellen. Precies het feit dat de geïntimeerde een rechtspersoon is met een patrimonium onderscheiden van dat van haar gedelegeerd bestuurder zou tot gevolg hebben dat er sprake is van een betaling (in natura) van de huurprijs (door het verstrekken van de diensten door de gedelegeerd bestuurder aan de geïntimeerde). Anders dan wanneer er - zoals in de zaak Seeling - sprake is van een belastingplichtige die een deel van zijn bedrijfsgoed privé gebruikt, is er - zo stelt de appellant - in het geval de belastingplichtige een rechtspersoon is en het gebouw aan de gedelegeerd bestuurder ter beschikking wordt gesteld voor privédoeleinden, noodzakelijk sprake van een echte overeenkomst (al is ze mondeling) en is er dus steeds een afspraak over de duur van het gebruik en zal afgesproken zijn dat derden niet tegelijk gebruik mogen maken van dat gebouw. Die terbeschikkingstelling zou dan onder artikel 13, B, sub b van de 6 de Richtlijn vallen en dus een onroerende verhuring uitmaken.

3.2.Standpunt van de geïntimeerde

De geïntimeerde stelt dat de appellant ten onrechte betwist dat er in het huidige geval sprake is van een terbeschikkingstelling van een gebouw voor privédoeleinden in de zin van artikel 19, § 1 W.BTW. De appellant zou zich volgens de geïntimeerde zelfs letterlijk in besluiten tegenspreken.

De wijziging van artikel 19, § 1 W.BTW door de Programmawet van 27 december 2006 zou hier hoe dan ook zonder relevantie zijn omdat hij op de betreffende periode niet toepasselijk is.

Sedert het arrest Seeling zou vaststaan dat het ter beschikking stellen voor privégebruik zoals bedoeld in artikel 19, § 1 W.BTW niet kan gelijk gesteld worden met een onroerende verhuring. De vrijstelling voor die terbeschikkingstelling, voorzien in artikel 44, § 3, 2° W.BTW zou daarom in strijd zijn met het Europese recht.

Op basis van die principes zou niet langer kunnen betwist worden dat het gratis ter beschikking stellen door de geïntimeerde van de bovenverdieping van het gebouw aan de … te … aan haar gedelegeerd bestuurder een belastbare dienst is die wordt gelijkgesteld met een dienst ten bezwarende titel waarop geen vrijstelling toepasselijk is.

Er zou geen onderscheid moeten gemaakt worden naargelang de terbeschikkingstelling door een natuurlijke persoon dan wel door een rechtspersoon gebeurt. Het begrip 'onroerende verhuur' zou een uniform begrip zijn. De appellant zou trouwens zelf erkennen dat het Hof van Justitie stelt dat alle economische activiteiten gelijk moeten behandeld worden en dat die gelijkheid geldt voor alle ondernemers die dezelfde handelingen verrichten. Het Hof van Justitie zou het door de appellant gemaakte onderscheid niet gemaakt hebben.

De feitelijke terbeschikkingstelling door de geïntimeerde van het betreffende onroerend goed aan haar gedelegeerd bestuurder zou in elk geval niet kunnen gelijkgesteld worden met een onroerende verhuring.

Er zou geen sprake zijn van een huurprijs en dus is er volgens de geïntimeerde geen overeenkomst onder bezwarende titel gesloten. Dat de prijs in natura wordt betaald en daardoor onder bezwarende titel, zou in strijd zijn met de vaststelling dat artikel 19, § 1 W.BTW stelt dat een terbeschikkingstelling voor privédoeleinden bij wijze van fictie gelijkgesteld wordt met een dienst onder bezwarende titel. Daarmee zou de wetgever hebben uitgedrukt dat bij het (kosteloos) ter beschikking stellen van een gebouw aan een werknemer, deze laatste geen tegenprestatie verricht, ook al geniet hij een voordeel dat voortvloeit uit zijn arbeidsovereenkomst. Gelet op het feit dat artikel 19, § 1 niet alleen de terbeschikkingstelling viseert voor privédoeleinden van de belastingplichtige of zijn personeel, maar in het algemeen ook voor andere doeleinden dan deze van de economische activiteit van de belastingplichtige, concludeert de geïntimeerde dat het niet van belang is of een gedelegeerd bestuurder een personeelslid is of niet.

Wat de prejudiciële vraag betreft, laat de geïntimeerde gelden dat ze letterlijk overeenstemt met de vraag die in de zaak Seeling was gesteld. Volgens de geïntimeerde zou het verschil in feitelijke achtergrond, niet verantwoorden om de vraag opnieuw te stellen. Dat zij een rechtspersoon is, zou geen relevant onderscheid zijn omdat het ook in dat geval zou gaan om een dienst onder bezwarende titel.

In zoverre de appellant nu niet langer zou voorhouden dat er sprake is van een handeling in de zin van artikel 19, § 1 W.BTW maar wel van een handeling ten bezwarende titel, zou de appellant de motivering zoals vermeld in het proces-verbaal van 29 november 2005, wijzigen wat tot de nietigheid van het dwangbevel zou leiden.

Essentieel is volgens de geïntimeerde hoe dan ook dat er geen weder prestatie voorhanden is en er dus geen sprake kan zijn van een onroerende verhuring. Noch in geld, noch in natura zou de gedelegeerd bestuurder een (huur)prijs betaald hebben.

Verder stelt de geïntimeerde dat de appellant ten onrechte uit het arrest Temco van het Europese Hof van Justitie afleidt dat het element tijdsduur voor de kwalificatie van de 'onroerende verhuring' zou afgezwakt zijn.

De geïntimeerde stelt dat het aan het Hof toekomt om na te gaan of de overeenkomst zoals ze werd uitgevoerd, in hoofdzaak de passieve terbeschikkingstelling tot doel had van ruimtes of oppervlakten van onroerende goederen tegen een vergoeding die verband houdt met het tijdsverloop (in welk geval er van onroerende verhuring zou sprake zijn) dan wel strekte tot het verrichten van een dienst die anders moet gekwalificeerd worden.

## 4. Beoordeling

Terecht laat de geïntimeerde gelden dat de verwijzing door de appellant naar wetgeving die dateert van na de periode waarop de betwiste belastingschuld slaat, niet relevant is.

De vraag die aan de orde is, is of er tussen de geïntimeerde en haar gedelegeerd bestuurder met betrekking tot de eerste verdieping van het betrokken gebouw dan toch geen overeenkomst van verhuring van onroerende goederen was afgesloten. Sedert het arrest *Wolfgang Seeling* (H.v.J. 8 mei 2003, [C-269/00](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-269-00-arret), vindplaats http://curia.europa.eu ) staat vast dat de belastingplichtige die ervoor kiest om een goed te behandelen als een goed van de onderneming, in principe een volledig en onmiddellijk recht op aftrek heeft van de voorbelasting; tevens staat daar tegenover dat het feit dat de BTW in aftrek is gebracht, tot gevolg heeft dat het latere privégebruik gelijkgesteld wordt met een belastbare dienst onder bezwarende titel; in dat verband geldt dat de terbeschikkingstelling voor privégebruik, wanneer zij betrekking heeft op onroerende goederen, niet kan worden gelijkgesteld met een van BTW vrijgestelde onroerende verhuur en daarom in de regel aan BTW onderworpen is.

Nu laat de appellant met reden gelden dat de onderhavige zaak zich enigszins onderscheidt van de zaak Seeling. Anders dan in het arrest Seeling, waarin wordt aangenomen dat de voorbelasting in beginsel aftrekbaar is voor een natuurlijke persoon die ervoor koos om het investeringsgoed te behandelen als een goed van de onderneming, al werd het zowel voor bedrijfs- als voor privédoeleinden gebruikt, is de geïntimeerde een handelsvennootschap die een schoenenhandel uitbaat.

Deze handelsvennootschap, zijnde een vennootschap die een handelsactiviteit tot doel heeft (vgI.m. art. 3, § 2 W.Venn.), heeft in de onderhavige zaak het volledige gebouw aan de … te … als een investeringsgoed behandeld. Het goed bevindt zich noodzakelijkerwijze in het bedrijfsvermogen van de geïntimeerde; de benedenverdieping wordt verhuurd aan een bank; de eerste verdieping wordt ter beschikking gesteld van de bestuurder van de geïntimeerde die er woont met haar gezin.

In die omstandigheden is de BTW op de aankoop van het onroerend goed en/of op de werken in onroerende staat aan dat onroerend goed onmiddellijk en volledig aftrekbaar (zie o.m. H.v.J. 14 september 2006, [C-72/05](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-72-05-arret), *Hausgemeinschaft Jörg und Stefanie Woliny/Finanzamt Landshut*, punten 20 tot 24 en de aldaar aangehaalde vroegere rechtspraak, vindplaats http://curia.europa.eu ). Daaraan wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat het betreffende goed slechts gedeeltelijk voor een andere dan de bedrijfsactiviteit gebruikt wordt noch door het feit dat het goed gedeeltelijk voor vrijgestelde handelingen zou worden aangewend (*ibid*.).

Anders dan de appellant voorhoudt, moet verder worden aangenomen dat de terbeschikkingstelling van de eerste verdieping door de geïntimeerde aan haar gedelegeerd bestuurder, niet als een huurovereenkomst kan worden beschouwd. Er bestaat geen schriftelijke overeenkomst waaruit de precieze afspraken zouden kunnen worden afgeleid. Zelfs al valt niet te ontkennen dat de terbeschikkingstelling van die eerste verdieping door een vennootschap aan een natuurlijke persoon, nu er geen zakenrechtelijke rechtsverhouding bestaat maar wederzijdse verbintenissen moeten in het leven zijn geroepen, als een overeenkomst moet worden beschouwd, toch volstaat dit niet om tot het bestaan van een huurovereenkomst te besluiten. Van een huurovereenkomst zou in dit kader slechts sprake zijn wanneer blijkt dat de overeenkomst in wezen de betrekkelijk passieve terbeschikkingstelling tot doel had van ruimtes of oppervlakten van onroerende goederen tegen een vergoeding die verband houdt met het tijdsverloop en geen toegevoegde waarde van betekenis oplevert, waarbij aan de huurder het recht verleend wordt om het goed te gebruiken alsof hij eigenaar ervan is met uitsluiting van enig gebruik door andere personen (H.v.J, 18 november 2004, [C-284/03](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-284-03-arret), *Temco Europe*).

Zoals de geïntimeerde met reden laat gelden kan de enkele vaststelling dat het de gedelegeerd bestuurder is die de beschikking heeft over de eerste verdieping van het onroerend goed, niet volstaan om aan te nemen dat er een huurovereenkomst is, ook al kan dit beschouwd worden als een voordeel van alle aard voor de inkomstenbelastingen; die terbeschikkingstelling is in dat geval een vergoeding voor de activiteit in de vennootschap, dus een soort 'wedde'; dat is niet hetzelfde als zou de arbeid van de gedelegeerd bestuurder door de partijen beschouwd worden als een wijze om de overeengekomen huurprijs te betalen.

Bij gebrek aan huurprijs, is er geen sprake van een huurovereenkomst.

De terbeschikkingstelling aan de gedelegeerd bestuurder van de geïntimeerde van de eerste verdieping van het betrokken onroerend goed is dan ook te beschouwen als een dienst onder bezwarende titel en een belastbare handeling in de zin van artikel 6.2. sub a van de 6 de richtlijn en artikel 19, § 1 W.BTW (zie H.v.J. 14 september 2006, C-72-05, *Hausgemeinsehaft Jörg und Stefanie Woliny/Finanzamt Landshut*, punt 23 en de aldaar aangehaalde vroegere rechtspraak, vindplaats http://curia.europa.eu ). Terecht laat de geïntimeerde trouwens gelden dat het tegenstrijdig zou zijn om te oordelen dat een gratis terbeschikkingstelling van een onroerend goed zoals voorzien in het (toenmalige) artikel 19, § 1 W.BTW, om reden dat er eigenlijk een vergoeding in natura zou achter schuil gaan, toch als een huurovereenkomst kan beschouwd worden, wanneer de wetgever in dat artikel 19 precies doelbewust de fictie heeft ingevoerd dat het om een 'dienst verricht onder bezwarende titel' gaat. Dat het een fictie is, bevestigt dat "het gebruiken van een tot het bedrijf behorend goed voor privé-doeleinden van de belastingplichtige of van zijn personeel, of algemeen, voor andere doeleinden dan deze van de economische activiteit van de belastingplichtige, wanneer voor dat goed recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan" anders (zonder die fictie) als een "dienst verricht om niet" zou gaan. Dat sluit dus tegelijk uit dat de terbeschikkingstelling aan de gedelegeerd bestuurder wegens het feit dat er een voordeel in natura kan voor in aanmerking genomen worden voor de inkomstenbelastingen, geacht kan worden een tegenprestatie te vormen in het kader van een onroerende verhuring.

Er is verder geen reden om aan het Europese Hof van Justitie nogmaals een prejudiciële vraag te stellen zoals door de appellant wordt voorgesteld. Terecht laat de geïntimeerde opmerken dat de in het arrest Seeling vastgestelde principes ook gelden wanneer het gebruik voor privé-doeleinden van het onroerend goed toekomt aan een andere persoon dan de belastingplichtige zelf (anders dus dan in de zaak Seeling). Artikel 19, § 1 W.BTW (zoals artikel 6.2. sub a van de 6 de richtlijn) heeft immers niet alleen betrekking op het gebruik voor privé-doeleinden van de belastingplichtige zelf, maar in het algemeen op het gebruik "voor andere doeleinden dan deze van de economische activiteit van de belastingplichtige". De terbeschikkingstelling van een appartement aan de gedelegeerd bestuurder van de belastingplichtige (voor privé-doeleinden) leidt in deze context dan ook niet tot verschillende gevolgen dan het gebruik van een appartement voor privédoeleinden door de belastingplichtige zelf.

Het hoger beroep is in die omstandigheden ongegrond.

## 5. De gerechtskosten

De appellant wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van de aanleg dragen.

Voor de vaststelling van de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, hebben de partijen verklaard akkoord te gaan met de toepassing van de basisbedragen.

Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. zich in de schijf van 60.000,01 tot 100.000,00 euro bevindt, is het basisbedrag van … euro toepasselijk.

### Dispositif

**OP DIE GRONDEN,**

**HET HOF**,

recht doende op **tegenspraak**;

gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar wijst het af als ongegrond; bevestigt het bestreden vonnis.

veroordeelt de appellant tot het betalen van de gerechtskosten van deze aanleg, vastgesteld als volgt :

\- aan de kant van de appellant :

• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : … EUR

\- aan de kant van de geïntimeerde :

• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : … EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, **vijfde kamer**, recht doende in fiscale zaken, op **ZESENTWINTIG MEI TWEEDUIZEND EN NEGEN**.

Aanwezig de Heren :

**A. D. M.**, Kamervoorzitter, Voorzitter,

**G. T.** en **D. V.**, Raadsheren,

**M. V.**, griffier.

**M. V.** **D. V.** **G. T.** **A. D. M.**

## Textes cités

6

[6e directive 77/388 art. 13](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-13) 1 occurrence

[6e directive 77/388 art. 17](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-17) 1 occurrence

[6e directive 77/388 art. 6](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-6) 1 occurrence

[C-269/00, arrêt du 8 mai 2003](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-269-00-arret) 1 occurrence

[C-284/03, arrêt du 18 novembre 2004](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-284-03-arret) 1 occurrence

[C-72/05, arrêt du 14 septembre 2006](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-72-05-arret) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Champ d'application, service, opération imposable, exonération, autre exemption](https://juriel.be/fr/jurisprudence/champ-application-service-operation-imposable-cour-appel-anvers-2011-06-28-03db) 3 dispositions communes

[Bien d’investissement](https://juriel.be/fr/jurisprudence/bien-investissement-immeuble-utilise-comme-tribunal-bruxelles-2017-04-19-40f2) 3 dispositions communes

[Droit à déduction, Bien immobilier, Frais de construction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-bien-immobilier-frais-cassation-bruxelles-2019-09-27-59d6) 3 dispositions communes

[Champ d'application, opération imposable, exonération, autre exemption](https://juriel.be/fr/jurisprudence/champ-application-operation-imposable-exoneration-tribunal-gand-2009-02-26-76f4) 3 dispositions communes

[Immeuble, Propriété d'une personne morale](https://juriel.be/fr/jurisprudence/immeuble-propriete-personne-morale-mise-cassation-bruxelles-2013-11-22-d0ac) 3 dispositions communes

[Champ d'application, service, opération imposable](https://juriel.be/fr/jurisprudence/champ-application-service-operation-imposable-tribunal-bruxelles-2010-09-21-d1c4) 3 dispositions communes

[Prestation de services, Mandat, Mandataire, Contrat de commission, Commissionnaire](https://juriel.be/fr/jurisprudence/prestation-services-mandat-mandataire-contrat-cour-appel-bruxelles-2015-10-29-0318) 2 dispositions communes

[Exonération, autre exemption, champ d'application, opération imposable, service](https://juriel.be/fr/jurisprudence/exoneration-autre-exemption-champ-application-tribunal-bruges-2007-12-24-2d17) 2 dispositions communes
