---
title: "Champ d&#x27;application, service · Cour d&#x27;appel de Bruxelles, 20 mars 2008"
description: "Champ d'application, service, opération imposable, exonération, autre exemption. Cour d'appel de Bruxelles (Belgique), 20 mars 2008."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/champ-application-service-operation-imposable-cour-appel-bruxelles-2008-03-20-ad19"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Champ d'application, service, opération imposable, exonération, autre exemption · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Bruxelles

**Date**

20 mars 2008

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

97 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d Bruxelles du 20.03.2008

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**HOF van BEROEP te BRUSSEL, Zesde fiscale kamer - Openbare terechtzitting van 20.03.2008**

Nr. van de zaak : **2002/AR/1631**

INZAKE VAN :

**De NV G.**, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …, KBO nr. …,

**appellante,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door meester **C. T.** en meester **H. L.**, loco meester **S. H.-d. S.**, met kantoor gevestigd te …, ….

**tegen :**

**De BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, sector BTW, controlecentrum Leuven, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3001 Leuven, Philipssite 3A bus 1 (4de verdieping),

**geïntimeerde,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door meester **F. S.**, met kantoor gevestigd te …, ….

---

In deze zaak spreekt het hof volgend arrest uit.

Gelet op de processtukken, inzonderheid het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 26 april 2002, waarvan geen betekeningakte wordt voorgelegd, en waartegen hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift op de griffie van het hof neergelegd op 3juli 2002.

**R. 2008/2248** **EINDARREST - ongegrond**

## FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN

1\. Appellante verwierf op 24 december 1997 het recht van opstal op grond gelegen te …, en de eigendom van het daarop opgerichte gebouw, voor de prijs van … BEF voor het opstalrecht op de grond, en … BEF voor het gebouw.

De overdracht gebeurde met toepassing van de BTW.

Op 1 januari 1998 sloot appellante met de NV **B. T.** een overeenkomst van terbeschikkingstelling van het gebouw als bergruimte voor het opslaan van goederen.

Bij een controle in 2000 betreffende de periode van 1 januari 1997 tot 31 december 1998, was de administratie voor ondernemings- en inkomensfiscaliteit van mening dat appellante de BTW, geheven op de verwerving van het gebouw ten onrechte in aftrek had gebracht. Volgens de administratie is de litigieuze terbeschikkingstelling van het gebouw immers een onroerende verhuur en derhalve een van BTW vrijgestelde handeling.

Geïntimeerde vorderde de betaling van het bedrag van … BEF aan BTW en een boete van … BEF.

Appellante ging op 13 juni 2000 over tot betaling van de gevorderde sommen (… BEF interesten inbegrepen), onder voorbehoud van alle rechten.

2\. Appellante, van oordeel dat de litigieuze terbeschikkingstelling van bergruimte onder de toepassing van de BTW valt, en dat zij aldus terecht de BTW op de verwerving van het gebouw in aftrek bracht, dagvaardde op 3 augustus 2000 voor de eerste rechter geïntimeerde in teruggave van de ten onrechte gevorderde en geïnde bedragen, meer de wettelijke interesten vanaf de datum van betaling, en de kosten.

3\. Op 11 augustus 2000 vaardigde de administratie een dwangbevel uit met het oog op de stuiting van de verjaring, bij ter post aangetekende, brief ter kennis van appellante gegeven op 22 augustus 2000.

Appellante tekende op 27 oktober 2000 verzet aan tegen dit dwangbevel, voor de rechtbank van eerste aanleg te Leuven.

Bij vonnis van 7 december 2000 verwees deze rechtbank de zaak naar de eerste rechter.

4\. De eerste rechter was van oordeel dat geïntimeerde terecht de terbeschikkingstelling van het gebouw aan de NV **B. T.** in zijn geheel als een van BTW vrijgestelde huur beschouwde.

Na de beide zaken te hebben gevoegd, verklaarde de eerste rechter de vordering dienvolgens ontvankelijk, doch ongegrond, en veroordeelde appellante tot de kosten.

5\. Bij aangetekende brief van 12 mei 2005 stuurde de administratie naar appellante andermaal een kennisgeving van het dwangbevel met het oog op de stuiting van de verjaring.

## GRIEVEN

6\. Appellante roept vooreerst de verjaring van de BTW in, aan welke exceptie zij op de zitting verzaakt.

Vervolgens verwijt appellante de eerste rechter te hebben toegelaten dat de administratie, in haar beslissing nr. ET 84.364 van 29 september 1995 en deze genomen ter verduidelijking ervan, voorwaarden aan de wet toevoegt.

Appellante noemt tenslotte het bestreden vonnis strijdig met de rechtspraak van het Hof van Justitie betreffende de interpretatie van de uitzondering op de vrijstellingsregeling van de onroerende verhuur, die de terbeschikkingstelling van bergruimte is.

Appellante vordert het uitgevaardigde proces-verbaal te vernietigen en de teruggaaf te bevelen van de ten onrechte gevorderde en geïnde bedragen, te vermeerderen met de wettelijke interesten, te rekenen vanaf de datum van betaling.

Zij vordert, subsidiair, de teruggaaf te bevelen van het bedrag van … EUR (… BEF) aan onterecht geïnde BTW, en meer algemeen van alle onterecht geïnde BTW en andere bedragen, te vermeerderen met de wettelijke en moratoriuminteresten, te rekenen vanaf de datum van betaling.

Zij vordert tevens de veroordeling van geïntimeerde tot de kosten.

7\. Geïntimeerde vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis, en de veroordeling van appellante tot de kosten van beide aanleggen.

## DE TOEPASSING VAN DE BTW

8\. Artikel 18, eerste paragraaf, tweede lid, 9° W.BTW. bepaalt dat als een dienst wordt beschouwd : *"de terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen"*.

Artikel 44, derde paragraaf, 2°, a), tweede gedachtestreepje W.BTW stelt als uitzondering op de vrijstelling van de verhuur van onroerende goederen : *"de terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen"*.

Volgens het administratief standpunt vervat in de beslissing nr. … van 29 september 1995 (BTW-Revue, nr. 119, 69) en deze genomen ter verduidelijking ervan (BTW-Revue, nr. 122, 493), wordt de terbeschikkingstelling van bergruimten voor het opslaan van goederen slechts aan de belasting onderworpen, indien zij betrekking heeft op *“afzonderlijke gebouwen die uitsluitend als bergruimte voor het opslaan van goederen zijn ontworpen of ingericht en als zodanig kunnen worden gebruikt. De omstandigheid dat van dezelfde eigenaar nog een afzonderlijk gebouw wordt gehuurd dat bijvoorbeeld als exploitatiezetel of kantoorruimte zal gebruikt worden, doet geen afbreuk aan de belastbaarheid van de gehuurde bergruimte”,* en is *“de vrijstelling daarentegen voor het geheel van toepassing ten aanzien van de terbeschikkingstelling van eenzelfde gebouw dat zowel wordt gebruikt als opslagslagruimte als voor de verkoop (exploitatie) van de erin opgeslagen goederen of als kantoorruimte. In dergelijk geval gaat het immers om de huur van een uit zijn aard onroerend goed dat niet uitsluitend als opslagruimte kan worden gebruikt”*.

De administratieve beslissing voorziet een administratieve tolerantie waar zij stelt : *"De Administratie aanvaardt evenwel dat het bepaalde in het vorige lid niet geldt voor het kantoor of de plaats die in de bergruimte is voorzien voor de personen belast met het beheer van de opgeslagen goederen voor zover de oppervlakte van dat kantoor of die plaats niet meer bedraagt dan 10 % van de totale oppervlakte van het gebouw"*.

9\. De overeenkomst tot terbeschikkingstelling, die appellante met de NV **B. T.** op 1 januari 1998 afsloot, omvat de volledige terbeschikkingstelling van het gebouw, bestemd voor de opslag en de behandeling van groenten en fruit, evenals voor het beheer van deze opslag en behandeling, en ingericht als volgt :

\- opslagruimten en koelinstallaties (oppervlakte 2.659 m 2)

\- burelen (oppervlakte 216 m 2) ,

\- inrichting voor chauffeurs : douches, gangen, refter, toiletten (oppervlakte 269 m 2).

In het proces-verbaal van 12 mei 2000 wordt vastgesteld dat het ter beschikking gestelde gebouw de enige inrichting is van de NV **B. T.**, die de handelsactiviteit van groothandel in groenten en fruit, import en export, nationaal en internationaal transport uitoefent, zodat de activiteiten nodig voor de exploitatie van de onderneming in dit gebouw plaatsvinden. Ook de boekhouding wordt, volgens het proces-verbaal, in het gebouw, waar de NV **B. T.** haar maatschappelijke zetel heeft, gevoerd. Verder stelde de controleambtenaar vast dat blijkens de verslagen de raad van bestuur van 30 april 1999 en de algemene vergadering van 14 mei 1999 van de NV **B. T.** in het gebouw worden gehouden.

In het proces-verbaal wordt nog vastgesteld dat de opstalgever van de grond, de NV **M.**, met dezelfde bestuurders als appellante, eveneens haar maatschappelijke zetel in het gebouw heeft, er haar boekhouding voert, en er haar raad van bestuur van 3 juni 1999 en haar algemene vergadering van 17 juni 1999 hield.

Tenslotte herberekende de controleambtenaar, gelet op de betwisting van appellante, de oppervlakte op basis van een grondplan. Hij berekende dat de magazijnruimte 84,51 % van de totale ruimte van het gebouw bedraagt, afgerond 85 %. De ruimte niet bestemd voor het opslagen van goederen bedraagt 15 %.

Verwijzend naar het voormeld administratief standpunt, besloot de controleambtenaar : *"De ruimte die niet bestemd is voor het opslagen van goederen bedraagt 15 % en de administratieve tolerantie van 10 % is dus overschreden.*

*Afgezien van de overschrijding van de tolerantie m.b.t. het percentage, wordt ook de tolerantie inzake de bestemming en het gebruik overschreden. De ruimte, andere dan magazijnruimte, bestaat uit kantoorruimten en ruimten voor chauffeurs en bedienden. Wij verwijzen naar ons standpunt onder punt 1 : deze ruimten worden niet uitsluitend gebruikt. voor het beheer van de opgeslagen goederen, maar óók voor de exploitatie van een handelsvennootschap"*.

10\. Het besluit van de controleambtenaar komt erom neer dat hij de litigieuze overeenkomst tot terbeschikkingstelling van bergruimte herkwalificeert als een onroerende verhuur.

Bij de (her)kwalificatie van handelingen, dient de administratie de BTW-begrippen in acht te nemen.

In deze steunde de administratie de BTW-herkwalificatie op het administratief standpunt.

De vaststellingen van het proces-verbaal tonen aan dat appellante en de NV **B. T.** niet alle gevolgen van hun overeenkomst aanvaardden.

Het gebruik van het gebouw beperkte zich immers niet tot zijn contractuele bestemming, nl. de opslag en de behandeling van groenten en fruit, en het beheer van deze opslag ,en behandeling.

Het gebouw werd daarenboven gebruikt voor de exploitatie van de onderneming van de NV **B. T.**, voor haar maatschappelijke zetel, voor het voeren van haar boekhouding, en haar raden van bestuur en algemene vergaderingen, en zelfs voor de maatschappelijke zetel, het voeren van de boekhouding, en de raden van bestuur en algemene vergaderingen van de opstalgever, de NV **M.**.

Het is derhalve terecht dat de administratie de BTW-kwalificatie als terbeschikkingstelling van bergruimte terzijde schoof, en aan de handeling de BTW-kwalificatie als onroerende verhuur gaf.

11\. Appellante bepleit, op basis van de rechtspraak van het Hof van Justitie (H.v.J., 12 september 2000, Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Ierland, zaak C-358, r.o. 51-55), terecht een ruime interpretatie van de uitzondering (de terbeschikkingstelling van bergruimte) op de vrijstellingsregeling (de onroerende verhuur), die van strikte interpretatie is, nu de belastbaarheid van dienstverrichtingen de algemene regel is.

Echter, ook in een strikte interpretatie van de vrijstelling van de onroerende verhuur en een ruime interpretatie van de uitzondering daarop, de belasting van de terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen, valt de litigieuze terbeschikkingstelling van bergruimte niet onder de toepassing van de BTW.

Appellante meent dat in het kader van de door hem voorgestane ruime interpretatie van de uitzondering op de vrijstelling van onroerende verhuur, de hoofdzakelijke bestemming als opslagruimte volstaat, en een exclusieve bestemming niet vereist is.

Verder wil appellante, in het kader van een ruime interpretatie, toepassing maken van het adagium *accessorium sequitur principale*, waarbij zij de opslag van goederen als hoofdactiviteit beschouwt, en het beheer van de opgeslagen goederen als de bijkomende activiteit.

Appellante houdt echter geen rekening met de vaststellingen van het proces-verbaal van 12 mei 2000 (zie supra nr. 9).

Aangezien het gebouw tevens wordt gebruikt voor de exploitatie van de onderneming, van de NV **B. T.** voor haar maatschappelijke zetel, voor her voeren van haar boekhouding, en haar raden van bestuur en algemene vergaderingen, en zelfs voor de maatschappelijke zetel, het voeren van de boekhouding, en de raden van bestuur en algemene vergaderingen van de opstalgever : de NV **M.**, kan appellante in de rede niet eens voorhouden dat het gebouw ook maar hoofdzakelijk werd bestemd voor de opslag van goederen en dat de hoofdactiviteit de opslag van goederen is.

De grootste oppervlakte van het "gebouw (84,15 %) wordt weliswaar ingericht als bergruimte (zie supra nr. 9). Het is evenwel niet de inrichting van het gebouw, maar de bestemming en het werkelijk gebruik ervan, die bij de kwalificatie bepalend zijn, wat appellante zelf overigens ook meent.

12\. Aan de kwalificatie als onroerende verhuur doet geen afbreuk het feit dat, volgens het Hof van Justitie, de onroerende verhuur in hoofdzaak een passieve terbeschikkingstelling inhoudt van ruimten of oppervlakten in gebouwen, tegen een vergoeding die verband houdt met het tijdsverloop, en niet het verrichten van een dienst, die voor andere kwalificaties in aanmerking komt (H.v.J., 18 november 2004, Temco Europe S.A. tegen Belgische staat, zaak [C-284/03](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-284-03-arret), r.o. 27).

De aanwezigheid van koelinstallaties in de ter beschikking gestelde bergruimte sluit, volgens appellante, uit dat zij zich beperkte tot een passieve terbeschikkingstelling maar houdt in dat zij voornamelijk een dienst verleende, die zich niet leent tot een kwalificatie als verhuur van onroerend goed, nl. het voorzien van koeling van de opgeslagen groenten en fruit.

Zoals hierboven gesteld, blijkt uit het proces-verbaal niet eens dat het gebouw hoofdzakelijk werd bestemd voor de opslag van goederen en dat de hoofdactiviteit de opslag van goederen was.

Dezelfde vaststelling geldt *ipso facto* voor de aanwezigheid van koelinstallaties in de ter beschikking gestelde bergruimte, die dus evenmin als hoofdzakelijk kan worden bestempeld.

13\. Volgens appellante voegt het administratief standpunt vervat in de beslissing nr. ET 84.364 van 29 september 1995 en deze genomen ter verduidelijking ervan, met de voorwaarde dat het gebouw uitsluitend als bergruimte voor het opslaan van goederen is ontworpen of ingericht en als dusdanig kan worden gebruikt, een voorwaarde aan de wet toe.

Appellante noemt vervolgens de administratieve tolerantie, de 10 %-regel, veel te strikt.

Echter ook zonder die voorwaarde en administratieve tolerantie, kwalificeert de litigieuse overeenkomst niet als een overeenkomst tot terbeschikkingstelling van bergruimte, nu partijen met alle gevolgen van die overeenkomst, nl. dat het gebouw slechts één bestemming had en er slechts één activiteit in werd uitgeoefend, te weten de opslag van goederen en het beheer ervan, geenszins aanvaardden.

14\. Artikel 28, derde paragraaf, b) van de Zesde Richtlijn verzet zich tegen het invoeren van nieuwe vrijstellingen of de uitbreiding van bestaande vrijstellingen.

Volgens appellante voert geïntimeerde met de voormelde aan de wet toegevoegde voorwaarde en de te strikt opgevatte administratieve tolerantie, voorzien in het administratief standpunt, terug een vrijstelling in, in strijd met artikel 28, derde paragraaf, b) van de Zesde Richtlijn.

Uit het vorenstaande volgt dat de litigieuze overeenkomst alleszins niet kwalificeert als een overeenkomst tot terbeschikkingstelling van bergruimte.

Het middel afgeleid uit de schending van artikel 28, derde paragraaf, b) van de Zesde Richtlijn, dient dan ook niet verder te worden onderzocht.

## DE TERUGGAAF VAN DE BTW

15\. Subsidiair, ingeval de litigieuze overeenkomst tot terbeschikkingstelling van bergruimte moet worden beschouwd als een onroerende verhuur, vrijgesteld van BTW, betoogt appellante dat zij ten onrechte BTW op de in het kader van de litigieuze overeenkomst ontvangen bedragen inhield en doorstortte aan de Schatkist.

Appellante vordert dan ook teruggaaf van de in 1998 aan de Schatkist doorgestorte BTW ten bedrage van … EUR.

Geïntimeerde werpt hiertegen met recht op dat hij niet tot terugbetaling verplicht is, zolang appellante niet het door [artikel 4 van het KB nr. 4](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-4-decembre-restitutions-matiere-taxe-valeur-406b#ar4-art4) van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggave inzake BTW voorgeschreven verbeterend stuk opmaakt.

Appellante maakte op heden geen verbeterend stuk op.

De subsidiaire vordering wordt ongegrond verklaard.

## DE RECHTSPLEGINGSVERGOEDING

16\. Op de zitting verklaarden partijen zich akkoord met het basisbedrag van … EUR van de rechtsplegingvergoeding.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**HET HOF**, rechtsprekend na **tegenspraak**,

Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond,

Wat betreft de subsidiaire vordering tot teruggaaf, zegt voor recht dat geïntimeerde niet tot terugbetaling van de BTW ten bedrage van … EUR en van de andere onterecht geïnde bedragen verplicht is, zolang appellante niet het door [artikel 4 van het KB nr. 4](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-4-decembre-restitutions-matiere-taxe-valeur-406b#ar4-art4) van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggave inzake BTW voorgeschreven verbeterend stuk opmaakt,

Veroordeelt appellante tot de kosten van het hoger beroep, aan haar zijde begroot op het bedrag van … EUR, en aan de zijde van geïntimeerde op het bedrag van … EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de **zesde fiscale kamer** van het hof van beroep te Brussel, op 20-03-2008.

alwaar aanwezig waren en zitting namen :

**P. V.**, alleen zetelend raadsheer, griffier.

**C. D. N.**, griffier.

**C. D. N.** **P. V.**

## Textes cités

2

[AR no 4 art. 4](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-4-decembre-restitutions-matiere-taxe-valeur-406b) 2 occurrences

[C-284/03, arrêt du 18 novembre 2004](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-284-03-arret) 1 occurrence
