---
title: "Champ d&#x27;application, service · Cour d&#x27;appel d&#x27;Anvers, 28 juin 2011"
description: "Champ d'application, service, opération imposable, exonération, autre exemption, disposition pénale. Cour d'appel d'Anvers (Belgique), 28 juin 2011."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/champ-application-service-operation-imposable-cour-appel-anvers-2011-06-28-03db"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Champ d'application, service, opération imposable, exonération, autre exemption · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Anvers

**Date**

28 juin 2011

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

103 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 28.06.2011

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft het volgende arrest uitgesproken :**

In zake : **2010/AR/1945**

**G. C. BVBA**, met maatschappelijke zetel te …, …,

**appellante,**

tegen het vonnis gewezen op 01 april 2010 door de Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt

vertegenwoordigd door Mr. **B. J.**, advocaat te …, …

**tegen :**

**1.** **ADMINISTRATIE VAN DE BTW, REGISTRATIE EN DOMEINEN**, van de e.a. inspecteur van het 1 ste BTW­Onvangkantoor, te 3500 HASSELT, Voorstraat 43 bus 46,

**2.** **BELGISCHE STAAT ,FOD FINANCIËN, KABINET VAN DE MINISTER, VAN FINANCIËN**, te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12,

**geïntimeerden,**

vertegenwoordigd door Mr. **V. L. D. J. A.**, advocaat te …, …;

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het eensluidend afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak tussen partijen gewezen op 1 april 2010 door de Elfde Kamer A van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, en waartegen een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 17 juni 2010;

Gehoord partijen in hun middelen en conclusies;

## 1. Feiten, retroacten, eis en verweer in hoger beroep

**1.1.** De BVBA **G. C.**, appellante, werd op 1 april 2003 opgericht door de heer **A. G.** en zijn echtgenote mevrouw **I. D.** bij akte verleden voor notaris **E. N.**, met standplaats te … , met zetel te …, …, en met als maatschappelijk doel :

\- het adviseren van bedrijven bij hun productie, administratie en commerciële activiteiten, alsook mede het plannings- en investeringsbeleid met deze bedrijven te bepalen;

\- het beheer en bestuur van bedrijven en vennootschappen, enz.

Uit dezelfde akte blijkt dat de heer **A. G.**, geboren te … op …, tot zaakvoerder werd aangesteld.

De maatschappelijke zetel van de vennootschap werd per 1 mei 2004 overgebracht naar de … te ….

**1.2.** Appellante werd op 1 mei 2003 geregistreerd als BTW-plichtige onder het nummer BE … voor het uitoefenen van de aan de BTW onderworpen werkzaamheid van "Overige adviesbureaus op het gebied van bedrijfsvoering en beheer".

Op 26 juni 2006 werd er door de heer **G. V.**, adjunct fiscaal deskundige bij de Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, verbonden aan het eerste BTW­controlekantoor van Beringen te Houthalen-Helchteren, na voorafgaande verwittiging, een controle uitgevoerd over de juiste toepassing van de wetgeving van de belasting over de toegevoegde waarde en de ter uitvoering ervan getroffen besluiten met betrekking tot de handels- en beroepswerkzaamheden door appellante uitgeoefend tijdens de periode van 1 januari 2004 tot 31 maart 2006.

Ter plaatse werd vastgesteld dat appellante sedert 1 mei 2004 een woning ter beschikking stelt aan de heer en mevrouw **G.-D.**, zaakvoerder resp. aandeelhouders van appellante.

Bij schrijven van 2 maart 2007 deelde de raadsman van appellante aan de administratie een origineel contract "overeenkomst van gebruik van een woning", gedagtekend op 1 maart 2006, mede en stelde hij dat er geen sprake is van een onroerende verhuur maar van een terbeschikkingstelling met BTW.

Met betrekking tot dit contract stelde de controleur vast :

\- ter gelegenheid van de verificatie van de boekhouding op 26 juni 2006 werd dit contract niet voorgelegd of werd er niet naar verwezen;

\- ter gelegenheid van dit bezoek werd er door de zaakvoerder verklaard dat het gebouw op 31 januari 2006 in gebruik genomen was;

\- uit de· bescheiden van de Federale Overheidsdienst van bet Kadaster (doc.nr. 233E) blijkt dat het gebouw op 1 mei 2004 in gebruik genomen was;

\- bij nazicht van de uitgereikte verkoopfacturen blijkt dat tot op 31 december 2006 geen enkele factuur was uitgereikt en dat geen enkele betaling werd ontvangen in uitvoering van het door appellante voorgelegd contract van 1 maart 2006;

\- uit de overeenkomst blijkt dat appellante naast het verlenen van een gebruiksrecht met betrekking tot de woning ook de elektriciteit, water en verwarming levert plus de volledige uitrusting die nodig is voor het nuttig gebruik van het goed; voor het geheel, hetzij voor 70,79 % van de woning plus voormelde diensten, wordt een algemene prijs van … EUR per maand gevraagd.

Uit deze vaststellingen leidde de controleur af dat de terbeschikkingstelling van een onroerend goed door de vennootschap aan haar zaakvoerder of aandeelhouder waarbij de genieter gehouden is tot betaling van een vergoeding dient te worden aangemerkt als een huur onder bezwarende titel en is bijgevolg vrijgesteld op grond van [artikel 44, § 3, 2° van het BTW­wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-44). De onterechte aftrek van de BTW geheven van de handelingen die betrekking hebben op de privé-ruimten van de woning werden als overtredingen op de artikelen 44, § 3, 2°, en 45, § 1, W.BTW weerhouden.

De controleur stelde van voormelde bevindingen op 25 juni 2007 een proces-verbaal op.

**1.3.** Op grond van het proces-verbaal van 25 juni 2007 werd op 2 augustus 2007 door de heer **F. H.**, Eerstaanwezend Inspecteur a.i. van het Eerste BTW-Ontvangkantoor van Hasselt een dwangbevel uitgevaardigd, dat op 7 augustus 2007 geviseerd en uitvoerbaar werd verklaard door de heer **L. S.**, Eerstaanwezend inspecteur a.i. van de BTW te Beringen 1, aangewezen door de gewestelijke directeur van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Hasselt.

Hierin worden volgende door appellante verschuldigde bedragen gevorderd :

\- … EUR als belasting over de toegevoegde waarde;

\- … EUR als geldboete krachtens artikel 70, § 1, en 70, § 1bis, W.BTW;

\- de wettelijke interesten, overeenkomstig artikel 91, § 1, W.BTW berekend aan 0,8 % per maand vanaf 21 april 2006 over de verschuldigde BTW;

\- de moratoire interest over de nog verschuldigde geldboeten die loopt vanaf de eerste kennisgeving of betekening van dit dwangbevel, ingevolge [artikel 91, § 4, van het BTW­Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91);

\- de vervolgingskosten.

Een voor eensluidend verklaard afschrift van dit dwangbevel en van het proces-verbaal van 25 juni 2007 werd aan appellante betekend op 27 december 2007 bij exploot van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder **F. M.**, handelend in vervanging van gerechtsdeurwaarder **D. V.**, met standplaats te ….

**1.4.** Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt op 10 januari 2008 vordert appellante de nietigverklaring van het dwangbevel van 2 augustus 2007, het bevelen van de terugbetaling van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van dit dwangbevel werden geïnd, te verhogen met de verschuldigde interesten en de veroordeling van de BELGISCHE STAAT, geïntimeerde, tot de kosten van het geding.

**1.5.** Het bestreden vonnis uitgesproken door de Elfde Kamer A van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt op 1 april 2010 oordeelt dat het hoofddoel de onroerende verhuur van het gedeelte van de woning is en dat de zogenaamde "diensten", in casu het feit dat in de huurprijs de kosten van verwarming, elektriciteit, telefoon, water en keukenuitrusting forfaitair zijn opgenomen, slechts bijkomend zijn bij de onroerende verhuring. Wanneer deze diensten voor een forfaitaire prijs ter beschikking worden gesteld van de privatieve gedeelten, zijn deze in principe zoals de onroerende verhuur zelf vrijgesteld. Derhalve is de administratie terecht van oordeel dat het hier over een onroerende verhuur gaat die krachtens artikel 44, § 3, 2° is vrijgesteld van BTW. De vordering van appellante wordt derhalve ontvankelijk doch ongegrond verklaard en appellante wordt tot de kosten van het geding veroordeeld, begroot op … EUR rechtsplegingsvergoeding.

**1.6.** Tegen deze beschikking heeft appellante hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 17 juni 2010.

**1.7.** In dit verzoekschrift en in conclusies neergelegd op 20 december 2010 voert appellante aan dat de vrijstelling inzake onroerende verhuur strikt moet worden uitgelegd omdat zij een afwijking vormt op de algemene regel, die bepaalt dat BTW wordt geheven over alle diensten die door een belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht. Bij gebrek aan zowel een communautaire als een nationale definitie, dient het begrip 'onroerende verhuur' te worden uitgelegd in de zin die er in het burgerlijk recht wordt aan gegeven. Burgerrechtelijk is de verhuur van een onroerend goed een overeenkomst waarbij de ene partij zich verbindt om aan een andere partij gedurende een zekere tijd en tegen een bepaalde prijs het genot van een onroerend goed te verlenen.

Volgens het Europees Hof van Justitie is er sprake van één dienst ingeval een of meerder elementen moeten worden geacht de hoofddienst te vormen, terwijl een of meer andere elementen moeten worden beschouwd als een of meer bijkomende diensten die het fiscale lot van de hoofddienst delen. Tevens werd reeds beslist dat een bepaalde activiteit als één geheel te beschouwen is, waarbij zij een groot aantal activiteiten kan omvatten, waarin de onroerende verhuur niet de overwegende prestatie kan zijn. In casu is er geen exclusief genot : appellante heeft het recht de woning door anderen te laten gebruiken, de zaakvoerder mag geen veranderingen aanbrengen niet aanpassen aan zijn behoeften, niet schilderen noch behangen. Er is bijgevolg niet voldaan aan de essentie van de huurovereenkomst, nl. een exclusief genot verlenen. Appellante onderhoudt de woning en de tuin, voorziet water, elektriciteit, telefoon en verwarming, voorziet in de uitrusting van de woning zoals keukenuitrusting, wasmachines enz. en zelfs meubilair. Appellante betaalt alle belastingen met betrekking tot de woning o.m. de onroerende voorheffing. Het contract is dan ook een complexe overeenkomst. Het is geen huurovereenkomst. De overeenkomst is niet splitsbaar. De (eventuele) dienst van onroerende verhuur kan niet onderscheiden worden van andere diensten. Minstens is het een gemengde overeenkomst die gedeeltelijk onder BTW ressorteert en moet in onderling overleg de prijs gesplitst worden en de aftrek gedeeltelijk worden toegestaan. Wanneer een BTW-plichtige rechtspersoon een gebouw dat volledig in het bedrijf werd opgenomen ter beschikking van een bestuurder, zaakvoerder of ander personeelslid stelt, kan deze rechtspersoon de BTW betaald bij de verkrijging van het gebouw, volledig in aftrek brengen. De loutere terbeschikkingstelling van een onroerend goed aan de zaakvoerder van een vennootschap vormt reeds op zich een aan BTW onderworpen activiteit uit. Het privé-gebruik door een belastingplichtige van een woning in een gebouw dat hij volledig in zijn onderneming heeft opgenomen kan niet worden gelijkgesteld met een vrijgestelde onroerende verhuur. Indien het Hof van oordeel zou zijn dat niet met zekerheid kan besloten worden dat een BTW-belastingplichtige rechtspersoon de inkomende BTW met betrekking tot een onroerend goed dat deze rechtspersoon, gedeeltelijk voor privé-bewoning aan haar zaakvoerder ter beschikking stelt, volledig in aftrek kan brengen, dan verzoekt appellante het Hof twee volgende prejudiciële vragen aan het Europees Hof van Justitie te stellen :

1\. "Moeten de artikelen [6, lid 2, alinea 1, sub a](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-6) en [17, lid 2](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-17) van de Zesde Richtlijn nr. 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten·inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde : uniforme grondslag, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling die een belastingplichtige rechtspersoon niet toelaat een investeringsgoed dat gedeeltelijk voor bedrijfsdoeleinden wordt gebruikt en gedeeltelijk voor privé-doeleinden ter beschikking van de zaakvoerder van deze rechtspersoon wordt gesteld, volledig voor de onderneming te bestemmen en aldus de ter zake van de aanschaf van dat goed verschuldigde belasting over de toegevoegde waarde volledig en onmiddellijk in aftrek te brengen ?"

2\. "Moeten de artikelen [6, lid 2, alinea 1, sub a](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-6) en [13, B, sub b](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-13) van de Zesde Richtlijn nr. 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde : uniforme grondslag, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling die het gebruik van een gedeelte van een gebouw dat tot het bedrijf van een belastingplichtige rechtspersoon behoort, voor privé-bewoning van de zaakvoerder van deze rechtspersoon van belasting vrijstelt als zijnde een verpachting of verhuur van een onroerend goed in de zin van [artikel 13, B, sub b](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-13) van deze richtlijn ?".

Met een wijziging van de artikelen 19, § 1, en 44, § 3, 2°, W.BTW door respectievelijk de artikelen 41 en 45 van Programmawet van 27 december 2006 poogde de wetgever de toepassing van het arrest "Seeling" te ondermijnen. Ingevolge deze wetswijziging wordt volgens de nieuwe tekst van artikel 19, § 1, W.BTW enkel nog het gebruik van een roerend bedrijfsmiddel voor privé-doeleinden van de belastingplichtige of zijn personeel of meer algemeen, voor andere doeleinden dan deze van de economische activiteit van de belastingplichtige, met een dienst verricht onder bezwarende titel gelijkgesteld. Zelfs indien deze wijziging van de artikelen 19, § 1, en 44, § 3, 2°, W.BTW al in overeenstemming zou zijn met de Europese BTW-regelgeving en de rechtspraak : van het Hof van Justitie, dan nog vindt deze wetswijziging geen toepassing op onderhavige zaak daar de nieuwe wet slechts in werking trad op 7 januari 2007, zijnde 10 dagen na de publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad (cf. artikel 4, lid 2, Wet 31 mei 1961 betreffende het gebruik der talen in wetgevingszaken, het opmaken, bekendmaken en inwerkingtreden van wetten en verordeningen, BS 21 juni 1961). Tenslotte dienen, om het neutraliteitsbeginsel te respecteren, de vrijstellingen waarin [artikel 13, Zesde Richtlijn](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-13) voorziet strikt te worden geïnterpreteerd. Zij vormen immers een afwijking van het algemene beginsel dat BTW wordt geheven over elke dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht. Iedere uitzonderingsregel leidt immers tot verschillen in de hoogte van de belastingdruk in de Lid-Staten en concurrentievervalsing moet worden vermeden. Om de verrichtingen rond de toepassing van de BTW te vergemakkelijken, uitzonderingsgevallen daargelaten, moet worden afgegaan op de objectieve aard van de betrokken handeling. Om deze principes te respecteren mag het beginsel "de bijzaak volgt de hoofdzaak" niet worden toegepast. De toepassing van dit beginsel zou inhouden dat belastbare handelingen onbelastbaar worden. Met betrekking tot de opgelegde boete, voert appellante aan dat, gezien het om een principiële betwisting gaat, het vorderen van een boete niet gerechtvaardigd is. Appellante besluit derhalve tot het gegrond verklaren van het hoger beroep, de nietigverklaring van het dwangbevel, het stellen van de twee voormelde voorgestelde prejudiciële vragen aan het Europees Hof van Justitie, het bevelen van de terugbetaling van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van het dwangbevel werden geïnd, te verhogen met de verschuldigde interesten, en de veroordeling van geïntimeerde tot de kosten van het geding. Appellante begroot het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding zo in eerste aanleg als in hoger beroep op … EUR.

**1.8.** Geïntimeerde beaamt in zijn syntheseconclusies neergelegd op 28 februari 2011 de redengeving van het bestreden vonnis en voert bijkomend aan met betrekking tot het arrest 'SEELING' dat appellante in casu geen BTW-belastingplichtige natuurlijke persoon is, maar een vennootschap en dat de goederen die een rechtspersoon verkrijgt enkel tot het bedrijfsvermogen kunnen behoren aangezien een rechtspersoon geen privé-vermogen kent. Een belastingplichtige rechtspersoon heeft dus slechts één vermogen, hij stelt enkel handelingen in de uitoefening van zijn economische activiteit en het enige vermogen dat hij daartoe kan bestemmen is een beroepspatrimonium. De terbeschikkingstelling van de woning dient bijgevolg aangemerkt te worden als een huur onder bezwarende titel en is bijgevolg vrijgesteld door [artikel 44, § 3, 2° van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-44).

De belasting geheven van de verkrijging van het vruchtgebruik van het appartement is dan ook niet aftrekbaar. In ondergeschikte orde, stelt geïntimeerde dat in zoverre de vordering gegrond zou worden verklaard, de terugbetaling alsdan moet gebeuren bij wijze van herziening van de oorspronkelijk in aftrek gebrachte BTW gedurende het nog lopende gedeelte van het herzieningstijdvak. Op grond van [artikel 9 van het Koninklijk Besluit nr. 3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c#ar3-art9) is ten aanzien van de belasting geheven van de verkrijging met voldoening van de belasting van een in [artikel 9, tweede lid, 2°](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-9) van het Wetboek bedoeld zakelijk recht op een gebouw, bedraagt het herzieningstijdvak vijftien jaar, in casu loopt het herzieningstijdvak van 2004 tot en met 2018. Ingevolge de gecombineerde toepassing van artikel 10, § 1, 1° en [artikel 11, § 1 van het Koninklijk Besluit nr. 3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-article-11-046b), gebeurt de herziening jaarlijks tot beloop van een vijftiende van de oorspronkelijk in aftrek gebrachte BTW, in de aangifte die moet worden ingediend in de maand april van het jaar volgend op dat waarin de wijziging van bestemming plaatsvond. De eerste herziening, met betrekking tot het jaar 2007, moest gebeuren in de aangifte die moest worden ingediend uiterlijk op 20 april 2008. Indien het Hof van oordeel is dat het arrest Seeling in casu van toepassing is en appellante volledig recht op aftrek van BTW mocht uitoefenen in haar aangiften dan heeft dit tot gevolg dat appellante vanaf het jaar 2007 jaarlijks een herziening dient te verrichten en dit elk jaar gedurende het nog lopende gedeelte van het herzieningstijdvak, dus laatste herziening dient te gebeuren in de aangifte die moet worden ingediend uiterlijk op 20 april 2019. Geïntimeerde verzoekt het Hof dan ook, mocht zij van oordeel zijn dat de vordering van appellante gegrond is, om appellante te veroordelen tot betaling van de herziening betreffende het jaar 20007 en de jaren die daarop volgen tot het jaar waarin een in kracht van gewijsde getreden rechterlijke beslissing wordt gewezen en tevens voor recht te zeggen dat appellante daarna voor het nog lopende gedeelte van het herzieningstijdvak, jaarlijks de herziening dient te verrichten in de aangifte die moet worden ingediend uiterlijk op 20 april. Met betrekking tot de door appellante voorgestelde prejudiciële vraagstelling meent geïntimeerde dat de Belgische wetgeving volledig in overeenstemming is met de Zesde Richtlijnen dat het dan ook niet noodzakelijk is prejudiciële vragen te stellen. Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft, vordert geïntimeerde thans het maximumbedrag. Gelet op het voorstel van appellante tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Europese Hof van Justitie kreeg het geding een hogere graad van complexiteit en diende de administratie en haar raadsman een grondige studie te maken van de opportuniteit hiervan. Aldus werden er bijkomende kosten gemaakt die het vorderen van het maximumbedrag rechtvaardigen.

Geïntimeerde besluit derhalve in hoofdorde tot de afwijzing van het hoger beroep als ongegrond en dienvolgens de bevestiging van het bestreden vonnis, en in ondergeschikte orde tot het zeggen voor recht dat appellante vanaf het jaar 2007 jaarlijks een herziening dient te verrichten en dit elk jaar gedurende het nog lopende gedeelte van het herzieningstijdvak zodat de laatste herziening dient te gebeuren in de aangifte die moet worden ingediend uiterlijk op 20 april 2019.

## 2. Beoordeling

**2.1.** Het arrest Seeling van het Hof van Justitie (H.v.J. (5e k.) nr. [C-269/00](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-269-00-arret), 8 mei 2003 (Seeling), *AFT* 2004 (weergave L. HEYLENS, S. RUYSSSCHAERT), afl. 2, 75, *FJF* 2003, afl. 8, 776, conclusies advocaat-generaal F. JACOBS, *Jur.HvJ* 2003, afl. 5 (A), I, 4101, conclusies advocaat-generaal F. JACOBS, *Pb C* 21 juni 2003 (dispositief), afl. 146, 4, *RABG* 2004, afl. 9, 570, noot D. STAS, 'BTW­aftrek voor een privé-woning ?', (*RABG* 2004, afl. 9, 576-578), *Rec.CJCE* 2003, afl. 5 (A), I, 4101, conclusies advocaat-generaal F. JACOBS, *RGF* 2003 (verkort), afl. 8-9, 15, noot V. SEPULCHRE, 'Utilisation privée d'un logement dans un bâtiment affecté à l'entreprise - Déduction de la TVA acquittée en amont - Non-assimilation de l'utilisation privée du bâtiment à l'affermage et à la location de biens immeubles', (*RGF* 2003, afl. 8-9, 16-22), *TFR* 2003, afl. 251, 1032, noot G. DE WIT, G. BELLENS, 'Deels privé-gebruik bedrijfsgoed valt niet onder vrijstelling verhuur onroerend goed', (*TFR* 2003, afl. 251, 1038), *T Vred*. 2004, afl. 1-2, 78) heeft drie belangrijke principes geponeerd (S. REYNDERS, 'Recht op aftrek van BTW voor privé-woningen : de fiscus slaat wild om zich heen', *Fisc.Act.* 2005, afl. 7, p. 3-5):

• Een BTW-plichtige die een bedrijfsmiddel zowel gebruikt voor zijn economische activiteit als voor zijn privé-doeleinden, heeft de keuze om het gedeelte van het goed dat hij voor privé­doeleinden gebruikt, al dan niet in zijn bedrijfsvermogen op te nemen. Als de BTW-plichtige ervoor kiest om het goed te behandelen als een goed van de onderneming, heeft hij in principe een volledig en onmiddellijk recht op aftrek.

• Eenmaal op die manier recht op aftrek van BTW is ontstaan voor dat goed, wordt het gebruik ervan voor de privé-doeleinden van de BTW-plichtige, of meer algemeen, voor andere doeleinden dan zijn economische activiteit, gelijkgesteld met een dienst verricht onder bezwarende titel en belast op basis van de voor het verrichten van de dienst gemaakte uitgaven.

• Het gebruik voor de privé-doeleinden van de BTW-plichtige van een woning in een gebouw dat hij volledig had toegewezen aan zijn bedrijfsvermogen, kan niet worden gelijkgesteld met een van BTW vrijgestelde verhuur van onroerende goederen.

Anders dan in het arrest Seeling waarin aangenomen werd dat de voorbelasting in beginsel aftrekbaar was voor een particulier die ervoor koos het investeringsgoed te behandelen als een goed van de onderneming, al werd het zowel voor bedrijfs- als voor privé-doeleinden gebruikt, is de belastingplichtige in deze zaak een handelsvennootschap.

Er zijn echter geen redenen om de lering van het Hof van Justitie in de zaak Seeling te beperken tot de situatie waarin de woning wordt ter beschikking gesteld door een belastingplichtige natuurlijke persoon. Artikel 19, § 1, van het W.BTW maakt geen onderscheid tussen enerzijds belastingplichtigen "natuurlijke personen" en anderzijds belastingplichtigen "rechtspersonen", doch is van toepassing op alle belastingschuldigen zonder onderscheid. Appellante had even goed als een natuurlijk persoon de vrije keuze om het onroerend goed al dan niet te bestemmen als ondernemingsactief.

De terbeschikkingstelling aan de zaakvoerder van appellante van een deel van het onroerend goed is derhalve te beschouwen als een dienst ten bezwarende titel en een belastbare handeling (artikel 6.2., a) Zesde Richtlijn nr. 77/388/EEG Raad 17 mei 1977 en artikel 19, § 1, W.BTW­Wetboek) (zie H.v.J. 14 september 2006, [C-72/05](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-72-05-arret), Hausgemeinschaft Jörg und Stefanie Wollny/Finanzamt Landshut, punt 23, en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

Er bestaat derhalve geen aanleiding tot het stellen van enige prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

De oorspronkelijke hoofdvordering dient dan ook te worden toegewezen.

**2.2.** Appellante is handelsvennootschap, zijnde een vennootschap die een handelsactiviteit tot doel heeft (vgl. artikel 3, § 2, W.Venn.), en heeft te dezen het investeringsgoed aangekocht. Het goed bevindt zich noodzakelijkerwijze in het bedrijfsvermogen van appellante, en wordt voor 29,21 % gebruikt voor de eigenlijke handelsactiviteit en voor 70,79 % door haar zaakvoerder als privé-woonst.

In deze omstandigheden is de BTW op de aankoop van het onroerend goed waarover de betwisting loopt onmiddellijk en volledig aftrekbaar (zie o.m. H.v.J. (1e k.) nr. [C-72/05](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-72-05-arret), 14 september 2006 (Wollny), *ET (Katern)* 2006 (dispositief), afl. 11, 43, *FJF* 2008, afl. 3, 241, *J.T. dr. eur.* 2006 (samenvatting), afl. 132, 249, *Pb C* 18 november 2006 (dispositief), afl. 281, 12, *Rec.CJCE* 2006, afl. 8-9 (B), I, 8297, conclusies advocaat­generaal P. LEGER, *TFR* 2006 (samenvatting), afl. 311, 943, punten 20 tot 24, en de aldaar aangehaalde vroegere rechtspraak). Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat het goed in kwestie maar gedeeltelijk voor een andere dan de bedrijfsactiviteit zou gebruikt worden of het goed gedeeltelijk voor vrijgestelde handelingen zou worden aangewend.

De keerzijde van de aftrek is de belasting van het privé-gebruik. Zodra het gebouw dat deels voor privé-doeleinden is bestemd, aan het beroepsvermogen is toegewezen en er recht op aftrek van de BTW voor is genoten, moet dat privé-gebruik overeenkomstig artikel 19 van het W.BTW worden belast. Het Hof van Justitie heeft in de Seeling-zaak immers duidelijk gesteld dat dat privé-gebruik niet kan worden gelijkgesteld met een vrijgestelde onroerende verhuur.

Artikel 19, § 1, van het W.BTW is door de Programmawet van 27 december 2006 gewijzigd met ingang van 7 januari 2007 (zie *Fisc. Act.* 2007, 2/1 en 9/5). Als reactie op het arrest Seeling werd daarbij de toepassingssfeer van artikel 19, § 1, beperkt tot roerende goederen, met de bedoeling de BTW-aftrek (verantwoord door een onttrekking) met betrekking tot het privé-gedeelte van een gemengd gebruikt onroerend goed, onmogelijk te maken en zo in feite het arrest Seeling buiten werking te stellen.

Voor BTW die is afgetrokken ingevolge een gedeeltelijk privé-gebruik vóór 7 januari 2007, betekent dit dat die aftrek vanaf de inwerkingtreding van de wetswijziging herzien moet worden voor het nog lopende gedeelte van het herzieningstijdvak.

Die herziening wordt niet in één maal uitgeoefend, maar jaarlijks ten belope van 1/15 van de afgetrokken BTW (of 1/5 bij omvormingswerken e.d.). Die herziening wordt dan jaarlijks opgenomen in de aangifte die moet worden ingediend in de maand april van het jaar na het jaar van het gratis privé-gebruik:. Er kan in dat opzicht verwezen worden naar [artikel 10, § 1, 1° van KB nr. 3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c#ar3-art10) dat de herziening voorschrijft in geval van gebruik van een bedrijfsmiddel voor privé-doeleinden. [Artikel 11, § 1 van KB nr. 3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-article-11-046b) bepaalt vervolgens dat de herziening voor het privé-gebruik in principe jaarlijks wordt uitgevoerd gedurende het nog lopende gedeelte van het herzieningstijdvak. Bij een volledig privé-gebruik van een bedrijfsmiddel moet de herziening in één maal uitgevoerd worden.

De vordering van geïntimeerde, strekkende tot het zeggen voor recht dat appellante vanaf het jaar 2007 een herziening dient te verrichten en dit elk jaar gedurende het nog lopende gedeelte van het herzieningstijdvak zodat de laatste herziening dient te gebeuren in de aangifte die moet worden ingediend uiterlijk op 20 april 2019, dient dan ook te worden toegewezen.

**2.3.** Gezien de toewijzing van de oorspronkelijke hoofdvordering, dient geïntimeerde te worden veroordeeld tot de kosten in eerste aanleg, door appellante begroot op een rechtsplegingsvergoeding t.b.v. … EUR.

Gezien partijen in hoger beroep ieder omtrent enig geschilpunt in het ongelijk worden gesteld, komt het gepast voor om de kosten in hoger beroep tussen partijen om te slaan.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**HET HOF,**

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Recht doende op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en zoals hierna bepaald gegrond;

Doet het bestreden vonnis teniet, en opnieuw recht doende,

Verklaart de oorspronkelijke vordering van appellante ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond;

Verklaart het dwangbevel van 2 augustus 2007 nietig;

Beveelt dienvolgens de terugbetaling van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van dit dwangbevel werden geïnd, te verhogen met de verschuldigde interesten;

Verklaart de door geïntimeerde in syntheseconclusies neergelegd op 28 februari 2011 ingestelde vordering ontvankelijk en zoals hierna bepaald gegrond;

Zegt voor recht dat appellante vanaf het jaar 2007 een herziening dient te verrichten en dit elk jaar gedurende het nog lopende gedeelte van het herzieningstijdvak zodat de laatste herziening dient te gebeuren in de aangifte die moet worden ingediend uiterlijk op 20 april 2019;

Veroordeelt geïntimeerde tot de kosten van eerste aanleg, begroot aan de zijde van appellante op … euro (… EUR) rechtsplegingsvergoeding;

Slaat de kosten in hoger beroep tussen partijen om;

Wijst het anders of meergevorderde als ongegrond af;

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het **HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN** van **ACHTENTWINTIG JUNI TWEEDUIZENDENELF**,

waar aanwezig waren :

**D. W.**, Raadsheer wd. Voorzitter;

**S. B.** en M. G., Raadsheren;

**A. V. L.**, Griffier.

**A. V L.** **M. G.** **S. B.** **D. W.**

Lasten en bevelen dat alle daartoe gevorderde gerechtsdeurwaarders dit arrest ten uitvoer zullen leggen;

Dat onze procureurs-generaal en onze procureurs des Konings bij de rechtbanken van eerste aanleg daaraan de hand zullen houden en dat alle bevelhebbers en officieren van de openbare macht daartoe de sterke hand zullen bieden wanneer dit wettelijk van hen gevorderd wordt;

Ten blijke waarvan dit arrest is ondertekend en gezegeld met het zegel van het Hof.

Voor gelijkvormige expeditie afgeleverd aan Mr. **V. L. D. J. A.**, advocaat, die optreedt voor geïntimeerden.

Antwerpen, **8 september 2011**

**V. V.**

Griffier-hoofd van dienst

Vrij van expeditierecht

Art. 162, § 4 W. R.

Art. 280, § 1 W. R.

## Textes cités

11

[6e directive 77/388 art. 13](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-13) 3 occurrences

[AR no 3 art. 11](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-article-11-046b) 2 occurrences

[CTVA art. 44](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-44) 2 occurrences

[6e directive 77/388 art. 6](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-6) 2 occurrences

[AR no 3 art. 10](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c) 1 occurrence

[AR no 3 art. 9](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c) 1 occurrence

[CTVA art. 9](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-9) 1 occurrence

[CTVA art. 91](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91) 1 occurrence

[6e directive 77/388 art. 17](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-17) 1 occurrence

[C-72/05, arrêt du 14 septembre 2006](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-72-05-arret) 2 occurrences

[C-269/00, arrêt du 8 mai 2003](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-269-00-arret) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Prestation de services, Mandat, Mandataire, Contrat de commission, Commissionnaire](https://juriel.be/fr/jurisprudence/prestation-services-mandat-mandataire-contrat-cour-appel-bruxelles-2015-10-29-0318) 4 dispositions communes

[Droit à Déduction, Conditions d’exercice, Lien direct et immédiat](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-conditions-exercice-lien-cour-appel-liege-2020-03-24-1606) 4 dispositions communes

[Bien d’investissement](https://juriel.be/fr/jurisprudence/bien-investissement-immeuble-utilise-comme-tribunal-bruxelles-2017-04-19-40f2) 4 dispositions communes

[Droit à déduction, Bien immobilier, Frais de construction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-bien-immobilier-frais-cassation-bruxelles-2019-09-27-59d6) 4 dispositions communes

[Immeuble, Propriété d'une personne morale](https://juriel.be/fr/jurisprudence/immeuble-propriete-personne-morale-mise-cassation-bruxelles-2013-11-22-d0ac) 4 dispositions communes

[Champ d'application, service, opération imposable](https://juriel.be/fr/jurisprudence/champ-application-service-operation-imposable-tribunal-bruxelles-2010-09-21-d1c4) 4 dispositions communes

[Notion de construction neuve, révision, période de révision](https://juriel.be/fr/jurisprudence/notion-construction-neuve-revision-periode-cour-appel-gand-2022-11-22-34cd) 3 dispositions communes

[Constitution d’un droit d’emphytéose, Droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/constitution-droit-emphyteose-deduction-revision-cour-appel-anvers-2019-06-04-4949) 3 dispositions communes
