---
title: "Champ d&#x27;application, service · Cour d&#x27;appel d&#x27;Anvers, 30 septembre 2008"
description: "Champ d'application, service, opération imposable, exonération, autre exemption, disposition pénale. Cour d'appel d'Anvers (Belgique), 30 septembre 2008."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/champ-application-service-operation-imposable-cour-appel-anvers-2008-09-30-1729"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Champ d'application, service, opération imposable, exonération, autre exemption · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Anvers

**Date**

30 septembre 2008

## Parcours procédural

2 étapes · 1 an 11 mois

1. [Décision attaquée Tribunal de première instance de Hasselt 18.10.2006](https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-poursuite-tribunal-hasselt-2006-10-18-fa51)
2. Décision affichée Cour d'appel d'Anvers 30.09.2008

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

106 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 30.09.2008

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft het volgende arrest uitgesproken :**

Zitting van : **30/9/2008**

## TUSSENARREST

## BTW - Fiscaal

In zake : **2006/AR/3217**

**A. G. "S. P."**, … te …;

**appellante,**

tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 18 oktober 2006;

vertegenwoordigd door Meester **H. V.**, advocaat te …, …;

**tegen :**

**de BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën (voorheen Ministerie van Financiën), Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de heer Minister van Financiën, waarvan het kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de e.a. inspecteur van het tweede BTW-ontvangkantoor te Hasselt, Thonissenlaan 20 en de e.a. inspeteur van het BTW-controlekantoor te Bree, Grauwe Torenwal 2;

**geïntimeerde,**

vertegenwoordigd door Meester **A. V. L. d. J.**, advocaat te …, …;

---

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 18 oktober 2006, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op I december 2006, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

Gelet dat partijen ter terechtzitting van 30 juni 2008 zich akkoord verklaarden kwestieuze zaak te hernemen voor de gewijzigde samenstelling van de zesde kamer.

## 1. Voorafgaande feiten en procedure

**1.1.**

Het autonoom gemeentebedrijf "**S. P.**", is geregistreerd als BTW-belastingplichtige (BTW-nummer …) voor de activiteit van projectontwikkeling en handel in onroerende goederen.

Ingevolge deze activiteiten is zij onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

**1.2.**

Op 1 juni 2004 heeft een e.a. inspecteur bij de FOD Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, verbonden aan het BTW-kantoor te Bree een gedeeltelijke controle doorgevoerd met betrekking tot de toepassing van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan getroffen besluiten over de periode van 1 maart 2004 tot en met 31 maart 2004 (1ste kwartaal 2004) (stuk 7 A.D.).

De controle behelsde twee contracten van onroerende financieringshuur, te weten :

\- een leasingovereenkomst tussen het Autonoom Gemeentebedrijf "**S. P.**" als leasinggever en de VZW **D.** als leasingnemer, verleden voor notaris **B.** te … op 20 juni 2002 (stuk 13 A.D.);

\- een leasingovereenkomst tussen het Autonoom Gemeentebedrijf "**S. P.**" als leasinggever en de VZW **G.** B.G.J.G. Limburg, verleden voor notaris **B.** te … op 15 oktober 2002 (stuk 14 A.D.).

De controleambtenaar was de mening toegedaan dat de overeenkomsten van onroerende financieringshuur afgesloten tussen enerzijds het Autonoom Gemeentebedrijf "**S. P.**" en anderzijds de VZW **D.** en de VZW **G.** B.G.J.G. Limburg niet aangemerkt konden worden als met BTW belaste overeenkomsten van onroerende financieringshuur in de zin van artikel 44, § 3, 2°, b) W.BTW. Derhalve werd de BTW met betrekking tot deze verrichtingen ten onrechte in vak 59 van de BTW-aangifte in aftrek gebracht.

Deze controle resulteerde in een correctieopgave van 9 juni 2004 waarbij het voorstel werd geformuleerd om over te gaan tot betaling van :

\- de belastingschuld ten bedrage van 40.111,52 EUR aan BTW;

\- 4.000,00 EUR proportionele geldboete (stuk 1 A.D.).

Bij gemotiveerde brief van 7 juni 2004 stelde het Autonoom Gemeentebedrijf "**S. P.**" dat zij zich niet kon akkoord verklaren met de voorgestelde regularisatie (stuk 2 A.D.).

Op 24 juni 2004 werd door de wnd. e.a. inspecteur van het Tweede BTW-kantoor te Hasselt, dienst invorderingen sector BTW, een akte van inhouding opgesteld voortvloeiend uit de correctieopgave van 9 juni 2004. De inhouding heeft betrekking op een som van 37.915,35 EUR in het voordeel van het Autonoom Gemeentebedrijf "**S. P.**", die blijkt uit het saldo van de rekening-courant op datum van 30 april 2004. De akte van inhouding werd bij aangetekend schrijven van 24 juni 2004 ter kennis gebracht van het Autonoom Gemeentebedrijf "**S. P.**" (stuk 3 A.D.).

Op 25 juni 2004 werd door de e.a. inspecteur van de BTW-controle te Bree een verklaring van derde-beslagene opgesteld, die bij aangetekend schrijven van 25 juni 2004 ter kennis werd gebracht aan het Autonoom Gemeentebedrijf "**S. P.**" (stuk 4 A.D.).

Bij de gedinginleidende dagvaarding van 12 juli 2004 voor de eerste rechter vorderde het Autonoom Gemeentebedrijf "**S. P.**" dat de Belgische Staat zou worden veroordeeld tot teruggave van het BTW-tegoed van 37.915,35 EUR meer de intresten vanaf de inhouding, minstens vanaf de dagvaarding, in voorkomend geval te vermeerderen met de sommen die in de loop van de procedure ten onrechte worden geïnd of ingehouden op basis van de bestreden vordering.

Deze eerste procedure was gekend voor de eerste rechter onder AR nr. 04/1793/A.

**1.3.**

De controlevaststellingen bij het Autonoom Gemeentebedrijf "**S. P.**" van 1 juni 2004 door een e.a. inspecteur bij de FOD Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, verbonden aan het BTW-kantoor te Bree met betrekking tot de toepassing van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan getroffen besluiten voor de periode 1 maart 2004 tot en met 31 maart 2004 (1ste kwartaal 2004), leidden tevens tot een proces-verbaal van 13 oktober 2004 waarin gesteld werd dat het Autonoom Gemeentebedrijf "**S. P.**" de hierna volgende bedragen verschuldigd is :

\- 40.111,52 EUR aan BTW;

\- 4.010,00 EUR geldboete in toepassing van artikel 70, § 1 W.BTW en verminderd en afgerond overeenkomstig [artikel 1 van het KB nr. 41](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958#ar41-art1) van 30 januari 1987 (tabel H) tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde;

\- wettelijke intresten overeenkomstig artikel 91, § 1 W.BTW aan 0,8 % per maand vanaf 21 april 2004 over de som van 40.110,00 EUR. (stuk 7 A.D.).

Op 18 oktober 2004 werd er tegen het Autonoom Gemeentebedrijf "**S. P.**" een dwangbevel uitgevaardigd, gesteund op het proces-verbaal van 13 oktober 2004.

Het dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de e.a. inspecteur van de BTW te Bree aangewezen door de gewestelijke directeur van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen te Hasselt op 29 oktober 2004 (stuk 8 A.D.).

In dit dwangbevel werden de hoger vermelde bedragen gevorderd alsook moratoire intresten over de nog verschuldigde geldboeten vanaf de eerste kennisgeving of betekening van het dwangbevel in toepassing van artikel 91, § 4 W.BTW alsmede de vervolgingskosten.

Bij aangetekende brief van 7 maart 2005 werd aan het Autonoom Gemeentebedrijf "**S. P.**" een kennisgeving van dwangbevel betekend (stuk 9 A.D.).

Bij gedinginleidend verzoekschrift neergelegd op 18 maart 2005, werd er door het Autonoom Gemeentebedrijf "**S. P.**" voor de eerste rechter verzet aangetekend tegen het dwangbevel uitgevaardigd op 18 oktober 2004 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 29 oktober 2004 door **R. C.**, eerstaanwezend inspecteur van de BTW te Bree aangewezen door de gewestelijke directeur van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen te Hasselt.

Deze tweede procedure was gekend voor de eerste rechter onder AR nr. 05/696/A.

**1.4.**

De eerste rechter voegde de beide zaken samen omdat zij één zelfde BTW-discussie tot voorwerp hebben.

De eerste rechter verklaarde de vorderingen van het Autonoom Gemeentebedrijf "**S. P.**" ontvankelijk, doch ongegrond.

De eerste rechter veroordeelde het Autonoom Gemeentebedrijf "**S. P.**" tot de kosten van het geding.

**1.5.**

De vordering in graad van beroep van het Autonoom Gemeentebedrijf "**S. P.**", zoals laatst geformuleerd in besluiten, luidt meer bepaald als volgt :

> *"Het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;*
>
> *Het bestreden vonnis te vernietigen;*
>
> *Het genoemde dwangbevel nietig te verklaren;*
>
> *De terugbetaling te bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van dit dwangbevel werden geïnd;*
>
> *De teruggaaf te bevelen van de som van 37.915,35€, meerde interesten vanaf de inhouding, minstens vanaf de dagvaarding, in voorkomend geval te vermeerderen met de sommen die in de loop van de procedure ten onrechte worden geïnd of ingehouden op basis van de bestreden vordering;*
>
> *De opheffing te bevelen van de inhoudingsmaatregel op voormelde som, minstens te stellen voor recht dat de uitspraak geldt als opheffing van de inhoudingsmaatregel, in voorkomend geval ook voor de inhoudingsmaatregelen die in de loop van de procedure gebeuren;*
>
> *Het arrest uitvoerbaar te horen verklaren bij voorraad (...)*
>
> *De Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding ... "*

## 2. Bespreking

**2.1.**

Op 20 juni 2002 en 15 oktober 2002 werden door het Autonoom Gemeentebedrijf "**S. P.**" overeenkomsten van onroerende leasing afgesloten met respectievelijk de VZW **D.** en de VZW **G.** B.G.J.G. Limburg (stukken 13 en 14 A.D.).

**2.2.**

De verhuur die een uit hun aard onroerend goed tot voorwerp heeft, is bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 4° W.BTW, met dien verstande dat deze verhuur in de regel is vrijgesteld van de BTW op grond van artikel 44, § 3, 2° W.BTW.

Sommige handelingen die volgens het burgerlijk recht als een onroerende verhuur kunnen worden aangemerkt, vallen echter buiten het toepassingsgebied van voornoemde vrijstelling van BTW en zijn derhalve aan BTW onderworpen.

Dit is onder meer zo voor wat betreft de onroerende financieringshuur zoals bepaald in artikel 44, § 3, 2° b) W.BTW.

**2.3.**

De discussie betreft derhalve de vraag of de door het Autonoom Gemeentebedrijf "**S. P.**" afgesloten leasingovereenkomsten kunnen aangemerkt worden als een met BTW belastbare overeenkomst van onroerende financieringshuur in de zin van artikel 44, § 3, 2° b) W.BTW.

**2.3.1.**

Uit art. 44, § 3, 2°, b) W.BTW blijkt dat de onroerende financieringshuur, toegestaan door een onderneming gespecialiseerd in onroerende financieringshuur of zogenaamde onroerende leasing, buiten de vrijstelling bedoeld in artikel 44, § 3, 2° W.BTW valt wanneer het contract betrekking heeft op gebouwen die deze onderneming heeft opgericht, heeft laten oprichten of heeft verkregen met betaling van de belasting indien de huurder de gebouwen huurt om deze te gebruiken in de uitoefening van een activiteit van belastingplichtige.

**2.3.2.**

Overeenkomstig [artikel 1 van het KB nr. 30](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-30-decembre-application-taxe-valeur-ajoutee-49af#ar30-art1) van 29 december 1992 moeten er een aantal voorwaarden vervuld zijn voor de toepassing van artikel 44, § 3, 2°, b) W.BTW, te weten :

1) het contract moet betrekking hebben op gebouwde onroerende goederen die opgericht of verkregen worden door de onderneming die gespecialiseerd is in onroerende financieringshuur overeenkomstig de gespecificeerde aanwijzingen van de toekomstige leasingnemer om door hem in de uitoefening van zijn activiteit van belastingplichtige te worden gebruikt;

2) het genot van de gebouwen en van de grond waarop ze zijn opgericht moet aan de leasingnemer worden toegestaan op grond van een niet opzegbaar en niet eigendomsoverdragend contract;

3) de leasingnemer moet de mogelijkheid hebben om bij het einde van het contract van financieringshuur, tegen een prijs waarvan de vaststellingscriteria in dat contract zijn bepaald, de zakelijke rechten over te nemen die de leasinggever bezit op de goederen die het voorwerp zijn van de overeenkomst;

4) het totale bedrag van de sommen die door de leasingnemer moeten worden betaald tijdens de duur van het contract en ingevolge de eventuele lichting van de in 3° bedoelde optie, moet het de leasinggever mogelijk maken het geïnvesteerde kapitaal, verhoogd met de intresten en de financiële lasten van de verrichting, integraal weder samen te stellen.

**2.4.**

Volgens de Belgische Staat voldoen de kwestieuze leasingovereenkomsten niet aan [artikel 1, 4° van het KB nr. 30](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-30-decembre-application-taxe-valeur-ajoutee-49af#ar30-art1) van 29 december 1992.

**2.5.**

De Belgische Staat gaat er vooreerst van uit dat enkel de tijdens de duur van het contract betaalde sommen dienen in aanmerking te worden genomen, en niet de optieprijs. Ook de eerste rechter volgde dit standpunt, dat zou gebaseerd zijn op de "ratio legis".

Principieel kan de Belgische Staat niet worden gevolgd.

Uit de voor de litigieuze periode vigerende duidelijke wettekst van [artikel 1, 4° van het KB nr. 30](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-30-decembre-application-taxe-valeur-ajoutee-49af#ar30-art1) van 29 december 1992 blijkt dat zowel de optieprijs als de tijdens de duur van het contract verschuldigde huurtermijnen dienen in aanmerking te worden genomen. Zij moeten het de leasinggever mogelijk maken het geïnvesteerde kapitaal, verhoogd met de intresten en de financiële lasten van de verrichting, integraal weder samen te stellen (cfr. Fiscoloog, nr. 967 d.d. 2 februari 2005, p. 1 en 2 en Fiscoloog, nr. 987 d.d. 22 juni 2005, p. 1 en 2).

**2.6.**

De Belgische Staat stelt bovendien dat, zelfs als de optieprijs mag meegerekend worden, de belastingplichtige nog niet bewijst te voldoen aan [artikel 1, 4° van het KB nr. 30](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-30-decembre-application-taxe-valeur-ajoutee-49af#ar30-art1) van 29 december 1992.

Appellante bewijst in casu inderdaad niet m.b.t.de litigieuze leasingcontracten dat het totale bedrag van de sommen die door de resp. leasingnemer dienen te worden betaald tijdens de duur van het contract en ingevolge de eventuele lichting van de optie, het haar mogelijk maken het geïnvesteerde kapitaal, verhoogd met de intresten en de financiële lasten van de verrichting, integraal weder samen te stellen (de interpretatie van de wettekst die appellante in laatste besluiten doet, kan niet worden gevolgd).

**2.7.**

Blijft dan nog het probleem van de door de Belgische Staat gevorderde intresten (vanaf wanneer, op welk bedrag, ... ), gelet op het feit dat er nu moet vanuit gegaan worden dat appellante ten onrechte BTW in aftrok heeft gebracht en dat de Belgische Staat nu - al of niet volledig - de door haar geclaimde sommen heeft ingehouden.

Hierover dient door partijen duidelijkheid te worden verschaft en ter terechtzitting van 30 juni 2008 bleek reeds dat hieromtrent de zaak niet in staat was.

Terzelfder tijd worden partijen uitgenodigd in een laatste syntheseconclusie nog alle argumenten te herhalen inzake de twistpunten die in casu nog niet zijn opgelost, nu deze al te veel verspreid zijn over verschillende elkaar opvolgende conclusies (bvb. omtrent de mogelijkheid voor de Belgische Staat voor de litigieuze BTW een dwangbevel uit te vaardigen, ... )

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**HET HOF**, recht doende op **tegenspraak**, en na herneming van de zaak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk.

Alvorens verder recht te doen ten gronde,

Zegt voor recht dat de zaak niet volledig in staat is, gelet op wat voorafgaat (zie hoger randnr. 2.7.).

Verzendt de zaak naar de bijzondere rol teneinde partijen toe te laten de zaak verder in staat te stellen.

Houdt de beslissing over de kosten aan.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het **HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN** van **DERTIG SEPTEMBER TWEEDUIZENDENACHT**,

waar aanwezig waren :

**D. W.**, Raadsheer wd. Voorzitter;

**M. V. d. B.** en **R. L.**, Raadsheren;

**A. V. L.**, Griffier.

**A. V. L.** **R. L.** **M. V. D. B.** **D. W.**

## Textes cités

2

[AR no 30 art. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-30-decembre-application-taxe-valeur-ajoutee-49af) 4 occurrences

[AR no 41 art. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958) 1 occurrence
