---
title: "Champ d&#x27;application, service · Cour d&#x27;appel d&#x27;Anvers, 18 décembre 2000"
description: "Champ d'application, service, opération imposable. Cour d'appel d'Anvers (Belgique), 18 décembre 2000."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/champ-application-service-operation-imposable-cour-appel-anvers-2000-12-18-d76e"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Champ d'application, service, opération imposable · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Anvers

**Date**

18 décembre 2000

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

121 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 18.12.2000

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**Het HOF VAN BEROEP zitting houdend te ANTWERPEN, VIJFDE KAMER rechtdoend in burgerlijke zaken heeft het volgend arrest gewezen :**

Zitting van **18 december 2000**

**EINDARREST**

Inzake : **1999/AR/1763**

De Ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Turnhout, met burelen te 2300 Turnhout, Spoorwegstraat 22 en de Hoofdcontroleur van de BTW Turnhout 1, met burelen te 2300 Turnhout, Spoorwegstraat 22;

**appellant,**

tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout d.d. 2 april 1999,

vertegenwoordigd door Mr. **P. B.** loco Mr. **P. V. D. S.**, advocaat te …, …;

**tegen :**

Mr. **K. S.**, advocaat te …, …, in haar hoedanigheid van curator van het faillissement van de NV **B. T.**, … te …;

**geïntimeerde,**

vertegenwoordigd door Mr. **J. S.** loco **L. S.**, advocaat te …, …;

NV **B. T.** plaatste in opdracht van NV **R.** een aantal modulaire units in dezes bedrijfshal te ….

Zij factureerde deze werken aanvankelijk met aanrekening van BTW.

Nadien stelde zij creditnota's op voor de BTW met de vermelding dat het werken in onroerende staat betrof en dat de BTW te voldoen was door de medecontractant.

In een PV opgesteld op 16.01.1997 verklaarde de fiscus zich hiermee niet akkoord en vorderde betaling van de BTW door **B.**.

Op 18 juni 1997 stelde de fiscus een dwangbevel op waarin 4.017.228 BEF als BTW te vermeerderen met de intresten en de kosten.

**B.** tekende verzet aan tegen deze aanslag.

Zij werd failliet verklaard en de curator zette het geding verder.

De rechtbank van eerste aanleg te Turnhout verklaarde het verzet gegrond in een vonnis van 2 april 1999.

De fiscus tekende hoger beroep aan bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 15 juni 1999.

---

De betwisting handelt over de vraag of de door **B.** uitgevoerde werken al dan niet te beschouwen zijn als werken in onroerende staat in de zin van [art. 19, § 2 BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-19) zodat de medecontractant van de aannemer gehouden is tot voldoening van de BTW overeenkomstig [art. 20, § 1 KB nr. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-20-0588) d.d. 29.12.1992.

Terecht heeft de eerste rechter bewezen geacht dat de roerende goederen op zodanige wijze aan het onroerend goed aangebracht werden dat ze onroerend uit hun aard geworden zijn.

Het Hof beaamt de motieven ter zake van de eerste rechter en neemt deze over.

In antwoord op de grieven van appellant worden deze motieven als volgt aangevuld.

Appellant roept in dat de bodems van de units geplaatst werden op de vloer van de fabriekshal en hieraan verbonden werden door chemische ankers (blijkbaar door verlijming) zodat er geen inlijving in de grond gebeurde en dat de units geen integrerend deel van het gebouw uitmaken en hun individualiteit behouden.

Terecht heeft de eerste rechter benadrukt dat de "inlijving" van een roerend goed in een onroerend goed dient beoordeeld rekening houdend met de moderne bouwtechnieken. Niet de manier waarop de goederen aan elkaar verbonden werden lijkt ter zake beslissend te zijn maar het bekomen resultaat. Nu de units in kwestie door gebruik van verlijming als het ware verankerd werden in de bedrijfshal blijft het resultaat hetzelfde als waren de units op mechanische wijze verbonden met de vloer (door bijvoorbeeld gebruik van schroeven en bouten of door ingraving). In al deze gevallen zijn de units omzeggens even onwrikbaar verbonden met het onroerend goed.

Onterecht houdt appellant voor dat de units geen integrerend deel uitmaken van het onroerend goed. Uit de overgelegde stukken blijkt immers dat door de plaatsing van de units in de bestaande bedrijfshal aparte ruimtes gecreëerd werden voor was- en doucheplaatsen, sanitair, eetzaal en rooklokaal. Ook hier blijkt het om niet meer te gaan dan een bouwprocédé waarvoor uit bouw economische redenen gekozen werd en was het kennelijk de bedoeling om de genoemde lokalen ten behoeve van het personeel zo goed mogelijk te integreren in de bestaande bedrijfsruimte. De individualiteit van de units spruit voor het overige voornamelijk voort uit voornoemde bestemming ervan maar neemt niet weg dat de units als zodanig behoren tot het gebouw zelf.

Ten overvloede dient ook verwezen naar de [aanschrijving nr. 3 d.d. 1.2.1979](https://juriel.be/fr/circulaires/3-1979-a81e) betreffende de toepassing van art. 20 (voorheen art. 17 bis) van het KB nr. 1.

Het plaatsen van vaste toestellen voor sanitair of hygiënisch gebruik die aangesloten zijn op de waterleiding of een riool en van elektrische installaties worden beschouwd als vallende onder werken In onroerende staat. Blijkens de overgelegde documentatie zijn de units uitgerust met genoemde installaties en aangesloten op waterleiding en riolering.

Krachtens genoemde aanschrijving kan het gebeuren dat een overeenkomst de levering en aanhechting omvat van goederen die een geheel uitmaken waarvan bepaalde delen onder de toepassing van art. 20 vallen en andere niet, in welk geval "de administratie aanneemt dat de regeling van de verlegging van de heffing op de gehele overeenkomst kan worden toegepast".

Terecht werd voor de betrokken leveringen dan ook de BTW-schuld verlegd naar de medecontractant van **B.** en het verzet tegen de aanslag gegrond verklaard.

**OM DIE REDENEN,**

**HET HOF,**

Rechtdoende op **tegenspraak**,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Verklaart het hoger beroep ongegrond,

Bevestigt het bestreden vonnis;

Verwijst appellant in de kosten van het hoger beroep, deze tot op heden aan de zijde van geïntimeerde begroot op 17.200 BEF rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van **achttien december tweeduizend**

waar aanwezig waren :

de heren **E. H.**, Raadsheer, wnd.Voorzitter Raadsheer

**E. L.**, Raadsheer

**P. B.**, Raadsheer

mevrouw **G. V.**, Griffier

**G. V.** **P. B.** **E. L.** **E. H.**

## 97-1458-A

van : **2.4.1999**

**VONNIS gewezen en uitgesproken in het Gerechtsgebouw "Het Kasteel" te Turnhout op VRIJDAG 2 APRIL 1900 NEGENENNEGENTIG, in openbare zitting van de Tiende Kamer van de Rechtbank ban Eerste Aanleg van het arrondissement Turnhout, alwaar zetelden :**

**G. R.**, Enig Rechter.

**J. B.**, griffier.

Inzake van :

**NV B. T.**, HR Turnhout …, met maatschappelijke zetel te …, …, thans in faling verklaard en bij regelmatige gedingherneming vertegenwoordigd door de curator Mr. **G. S.**, …, …

**aanlegster op verzet**; ter zitting vertegenwoordigd door Mr. **J. S.** loco Mr. **L. S.**, advocaat te …;

**tegen :**

**1. de heer ONTVANGER van het BTW-ONTVANGKANTOOR te TURNHOUT**, met burelen te Turnhout, Spoorwegstraat 22;

**2. de heer HOOFDCONTROLEUR van de BTW TURNHOUT I**, met burelen te Turnhout, Spoorwegstraat 22;

**verweerders**; ter zitting vertegenwoordigd door Mr. **T. R.** loco Mr. **J. V. R.**, advocaat te …, …;

Gezien de dagvaarding de dato 7.7.1997, ertoe strekkende eerste verweerder te horen zeggen dat het op 25.6.1997 aan aanlegster betekend dwangbevel te niet wordt gedaan en de bedragen welke met het dwangbevel worden ingevorderd, door aanlegster niet verschuldigd zijn en tweede verweerder te horen veroordelen tot betaling aan aanlegster de som van 4.325.765 F, meer intresten en verweerders te veroordelen tot de kosten.

Gehoord partijen, bij monde van hun raadslieden, ter zitting van 5.3.1999, in hun middelen en besluiten.

Het verzet komt ontvankelijk voor Partijen voeren daarover geen betwisting.

## Voorgaanden

Aanlegster leverde in 1993 en 1994 “U.E.T.”’s (modulaire units) in de fabriekshallen van **R.** …

Aanvankelijk factureerde aanlegster met toerekening van BTW. Daaropvolgend schreef aanlegster creditnota’s uit en maakte opnieuw facturen op met vermelding “BTW te volden door medecontractant”.

De BTW-administratie aanvaart dit standpunt niet.

Er werd door haar diensten een PV opgesteld op 3.2.1997 m.b.t. het ten onrechte opmaken van creditnota’s door aanlegster.

Volgens de belastingadministratie is verschuldigd :

\- 7.026.112 fr. als belasting over de toegevoegde waarde.

\- 702.000 fr. als wettelijke boete.

\- wettelijke interesten over de rechten vanaf 21.8.1995.

De twee tegoeden in rekening-courant ten voordele van aanlegster, met name 3.879.508 fr. vanaf 31.10.1995 en 45.648 fr., met ingang van 31.1.1996, werden op de schuld verrekend.

Ook een tegoed van 122.799 fr., voor het derde kwartaal 1997, werd door de belastingadministratie ingehouden.

Dwangbevel werd uitgevaardigd op 18.6.1997 door de bevoegde ontvanger, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de hoofdcontroleur van het BTW-controlekantoor te Turnhout op 18.6.1997 en samen met het PV d.d. 3.2.1997 aan aanlegster betekend op 25.6.1997.

## In rechte

Ingevolge faillissement van de NV **B. T.** d.d. 16.6.1998, wordt het geding thans voortgezet door de curator.

Partijen zijn het erover eens dat in casu de medecontractant van de belastingplichtige gehouden is tot voldoening van de BTW, overeenkomstig [art. 20, § 1 van het KB nr. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-20-0588) d.d. 29.12.1992 voor zover het door aanlegster geleverde werk een werk in onroerende staat betrof, in de zin van [art. 19, § 2](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-19) van het Wetboek hetzij zou dienen ondergebracht worden in de categorie van limitatief opgesomde werken in art. 20, § 2 van het KB.

Betwisting wordt gevoerd omtrent de vraag of het werken in onroerende staat betrof hetzij onder te brengen in één van de categorieën van art. 20, § 2.

Overeenkomstig art. 19, § 2 W.BTW wordt verstaan onder “werk in onroerende staat”, het bouwen, het verbouwen, het afwerken, het inrichten, het herstellen, het onderhouden, het reinigen en het afbreken, geheel of ten dele, van een uit zijn aard onroerend goed, en de handeling die erin bestaat een roerend goed te leveren en het meteen op zodanige wijze aan te brengen aan een onroerend goed dat het onroerend goed uit zijn aard wordt.

Bij gebrek aan een definitie van “onroerende goederen uit hun aard” in het BTW-Wetboek, dient de rechtbank zich te richten naar het gemeen recht van art. 51, e.v. B. Wb..

Onder gebouw wordt elke constructie verstaan, die op, in of aan de grond bevestigd is en bestemd is ter plaatse te blijven.

Voorwerpen, die duurzaam en gewoonlijk in gebouwen geïncorporeerd zijn of ermee verenigd zijn, moeten met gebouwen gelijkgesteld worden.

(cfr. Cass. 13.9.1988 met overeenstemmende conclusie van het OM. Fiscale Jurisprudentie 1988, p. 407).

Het begrip “incorporatie” dient te worden gezien in het licht van de huidige bouwtechnieken, de constructie dient met het gebouw verbonden te zijn op duurzame wijze, d.w.z. dat het de bedoeling dient te zijn dat de constructie bestendig ter plaatst blijft.

De omstandigheid op zich dat de constructie verplaatsbaar is of is opgetrokken uit lichte materialen is niet onverenigbaar meet het begrip “onroerend uit de aard”.

Er dient te worden nagegaan of de constructie op duurzame wijze met het gebouw verbonden is met de bedoeling er te blijven.

(dr. Kokelenberg J., Van Sinay Th. En Vuye H., Overzicht van rechtspraak zakenrecht, TPR 1995, nr.11, p. 516 e.v.)

In casu werden in de fabrieksruimte van **R.** “units”, opgetrokken, die dienstig zijn als refter voor het personeel, als sanitair lokaal en als rooklokaal.

Deze units zijn met chemische ankers aan de vloer verbonden en aangesloten op het riolerings-, electriciteits-, sprinkling- en waterleidingnet.

De onderdelen zijn aan mekaar gelast tot een grote ruimte. In sommige gevallen zijn de ruimtes voorzien van een trap, die, vanuit de hal, toegang geeft tot de eerste verdieping van de “unit”.

De verankering aan de vloer, de aansluiting op diverse nutsvoorzieningen, tonen voldoende aan dat de constructies op vaste wijze met het gebouw verbonden zijn.

Een verplaatsing van de units ware niet mogelijk zonder de inzet van buitengewone middelen.

Uit het bovenstaande blijkt alzo dat de units, door incorporatie, onroerend uit hun aard zijn geworden.

De levering en plaatsing van de units valt onder toepassing van de regeling van [art. 20 van het KB nr. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-20-0588) d.d. 29.12.1992.

De beslissing van de BTW-administratie tot invordering van een bedrag van 7.026.112 fr. als BTW op deze handelingen is dan ook ongegrond.

Aanlegster vordert de terugbetaling van een bedrag van 5.547.740 fr. BTW, welke zij zou gestort hebben, hetgeen door verweerster betwist wordt.

Het behoort aanlegster het bewijs daarvan te leveren.

De Rechtbank stelt vast dat zij hierin in gebreke blijft.

In acht genomen het voorgaande heeft verweerster ten onrechte BTW ingehouden ten bedrage van 4.047.955 fr. Aanlegster heeft recht op teruggave van deze som.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

Gezien de artikelen 2, 34, 36, 37 en 42 van de wet van 15 juni 1935.

**DE RECHTBANK,** vonnissende op tegenspraak en in eerste aanleg,

Verleent akte aan de curator Mr. **G. S.**, …, …, dat hij het geding in deze hoedanigheid herneemt.

Verklaart het verzet tegen het dwangbevel, uitgevaardigd door de Belgische Staat, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, d.d. 18.6.1997, uitvoerbaar verklaard op 18.6.1997, ontvankelijk en gegrond als volgt,

zegt voor recht dat met betrekking tot de levering en de plaatsing van de modulaire units in de fabriekshallen bij **R.** … door aanlegster geen BTW verschuldigd was, evenmin als de geldboete en interesten.

verklaart het dwangbevel, betekend op 25.6.1997 nietig,

verklaart tevens de vordering van aanlegster ontvankelijk en gegrond als volgt :

veroordeelt verweerster tot betaling aan aanlegster van een bedrag van **DRIE MILJOEN ACHTHONDERD NEGENENZEVENTIG DUIZEND VIJFHONDERD EN ACHT frank** (3.879.508 fr.), te verhogen met de wettelijke interesten vanaf de datum van inhouding tot op de dag van algehele betaling,

veroordeelt verweerster tot betaling aan aanlegster van een bedrag van **VIJFENVEERTIG DUIZEND ZESHONDERD ACHTENVEERTIG frank** (45.648 fr. ), te verhogen met de wettelijke interesten vanaf de datum van inhouding tot op de dag van algehele betaling,

veroordeelt verweerster tot betaling aan aanlegster van een bedrag van **HONDERD TWEEENTWlNTIG DUIZEND ZEVENHONDERD NEGENENNEGENTIG frank**, (122.799 fr.), te verhogen met de wettelijke interesten vanaf de datum van inhouding tot op de dag van algehele betaling.

Verklaart het overige van de vordering van aanlegster ongegrond.

Veroordeelt verweerster tot de kosten van het geding begroot op :

\- in hoofde van aanlegster :

\- dagvaarding en rolstelling : 4.763 fr.

\- rechtsplegingsvergoeding : 12.300 fr.

\- in hoofde van verweerster :

\- rechtsplegingsvergoeding : 12.300 fr.

**J. B.** **G. R.**

## Textes cités

2

[AR no 1 art. 20](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-20-0588) 3 occurrences

[CTVA art. 19](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-19) 2 occurrences

## Décisions similaires

8

[Autoliquidation, Conditions d’application, Charge de la preuve](https://juriel.be/fr/jurisprudence/autoliquidation-conditions-application-charge-preuve-tribunal-bruxelles-2025-06-26-379d) 2 dispositions communes

[Autoliquidation, Conditions d’application, Charge de la preuve](https://juriel.be/fr/jurisprudence/autoliquidation-conditions-application-charge-preuve-tribunal-bruxelles-2024-12-06-9700) 2 dispositions communes

[Droit à déduction, Travaux immobiliers, Location immobilière, Opération exemptée](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-travaux-immobiliers-location-cour-appel-bruxelles-2015-10-15-c685) 2 dispositions communes

[Droit à déduction, Rejet de déductions opérées](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-rejet-deductions-operees-cassation-bruxelles-2020-05-22-1815) 2 dispositions communes

[Paiement de l'impôt, disposition pénale, amende administrative, poursuite, instance](https://juriel.be/fr/jurisprudence/paiement-impot-disposition-penale-amende-cour-appel-anvers-2009-09-06-1872) 2 dispositions communes

[Assujettissement, champ d'application, service, opération imposable](https://juriel.be/fr/jurisprudence/assujettissement-champ-application-service-operation-tribunal-bruges-2013-02-27-2493) 2 dispositions communes

[Bien d’investissement](https://juriel.be/fr/jurisprudence/bien-investissement-immeuble-utilise-comme-tribunal-bruxelles-2017-04-19-40f2) 2 dispositions communes

[Droit à déduction, Régime cocontractant, Report de perception, Amende](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-regime-cocontractant-report-tribunal-nivelles-2019-01-14-54dd) 2 dispositions communes
