---
title: "2 juin 2005 · Champ d&#x27;application, livraison de biens · Cour d&#x27;appel d&#x27;Anvers"
description: "Champ d'application, livraison de biens, opération imposable, exonération, autre exemption. Cour d'appel d'Anvers (Belgique), 2 juin 2005."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/champ-application-livraison-biens-operation-cour-appel-anvers-2005-06-02-52e3"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Champ d'application, livraison de biens, opération imposable, exonération · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Anvers

**Date**

2 juin 2005

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

79 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 02.06.2005

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, VIJFDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen :**

Zitting van : **2 JUNI 2005**

Inzake : **2003/AR/753**

**BVBA ’T P.**, met maatschappelijke zetel te …, voorheen …, en thans …, ingeschreven in het handelsregister te Mechelen onder nr. …, BTW nr. …;

**appellante,**

tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 14 februari 2003;

vertegenwoordigd door Mrs. **V. D.** en **Ph. V.**, advocaten te …, …;

**tegen :**

**De BELGISCHE STAAT**, in de persoon van de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de E.A. INSPECTEUR VAN HET ONTVANGKANTOOR TE MECHELEN, Nekkerspoelstraat 21-23 te 2800 Mechelen;

**geïntimeerde,**

vertegenwoordigd door Mr. **L. E.** loco Mr. **L. C.**, advocaat te …, …;

## 1. ANTECEDENTEN

BVBA **’t P.** heeft bij gerechtsdeurwaardersexploot van 1 maart 2001 verzet ingesteld tegen een door de waarnemend eerstaanwezend Inspecteur, rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor te Mechelen, op 16 februari 2000 uitgevaardigd dwangbevel.

Het bestreden vonnis van 14.2.2003 van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen heeft het verzet ongegrond verklaard.

Bij verzoekschrift neergelegd op 13 maart 2003 heeft BVBA 't Plezant hoger beroep ingesteld.

Gevraagd wordt het dwangbevel te vernietigen en de teruggave te bevelen van de onterecht ingehouden en/of betaalde bedragen te bevelen.

Geïntimeerde vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis.

## 2. BEOORDELING

De relevante feiten kunnen als volgt samengevat worden

\- appellante, geregistreerd als BTW-plichtige voor haar activiteit van uitbater van een taverne-restaurant, huurde een in … gelegen gebouw van de NV **D.** alwaar zij tot 30.6.1996 een restaurant uitbaatte

\- tussen 1993 en 1994 worden aan het onroerend goed verbouwingswerken uitgevoerd door appellante die de aangerekende BTW volledig in aftrek heeft gebracht

\- op 30 juni 1996 wordt een einde gesteld aan deze niet op schrift gestelde huurovereenkomst en de eigenaar verhuurt het gebouw vanaf 1 juli 1996 aan de NV **S.** die het goed onderverhuurt eerst aan BVBA **H.** nadien aan de BVBA **H.**.

\- appellante die vanaf juli 1996 haar activiteit gewijzigd heeft in verhuur van taverne-materialen en taverne-lokalen, verhuurt dan het handelsfonds vanaf 1 juli 1996 aan BVBA **H.** (overeenkomst van 27.6.1996) en vanaf 1 augustus 1998 aan BVBA **H.** (overeenkomst van 31.7.1998) en dit met toepassing van de BTW; aan beiden werd in de overeenkomst een koopoptie verleend.

De heer **A. S.** is de zaakvoerder van appellante. BVBA **H.** werd per 27.9.1999 failliet verklaard.

De BTW-administratie was van oordeel dat bij de stopzetting van de huurovereenkomst tussen appellante en NV **D.** een herziening diende te gebeuren ten aanzien van de BTW geheven van in 1993 en 1994 uitgevoerde onroerende werken aan het gebouw en door appellante destijds in aftrek gebracht. Er wordt dienaangaande op 19 november 1999 proces-verbaal opgesteld.

Naar verluid van het dwangbevel is appellante aan BTW een bedrag van … BEF verschuldigd meer een boete van … BEF en interesten en kosten.

Aan appellante wordt in het proces-verbaal een inbreuk ten laste gelegd op de in [artikel 10, 4° van het KB nr. 3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c#ar3-art10) van 10.12.1969 (gewijzigd bij KB van 29.12.1992) opgelegde verplichting de aftrek te herzien wanneer het bedrijfsmiddel ophoudt te bestaan in de onderneming.

Standpunt van de administratie is dat appellante (huurder) m.b.t. de onroerende verbeteringswerken haar recht op aftrek van de BTW heeft kunnen uitoefenen met als gevolg dat deze BTW die een belasting op bedrijfsmiddelen is, aan herziening is onderworpen indien de huurovereenkomst binnen het tijdperk van vijf jaar wordt beëindigd.

Appellante is daarentegen van oordeel dat de bedoelde niet­individualiseerbare renovatiewerken door de BTW-wetgeving niet worden aangemerkt als bedrijfsmiddelen in hoofde van de huurder en derhalve niet zijn onderworpen aan de vijfjarige herzieningstermijn, minstens zijn het slechts onderhoudswerken waarvoor geen herziening kan doorgevoerd worden.

Ondergeschikt stelt zij dat het "bedrijfsmiddel" niet heeft opgehouden te bestaan omdat zij het handelsfonds verder verhuurde en het gebruik en de bestemming van het onroerend goed niet werden gewijzigd; voor zover zij als eigenaar der werken zou worden aangezien stelt appellante verder dat deze werken geïncorporeerd zijn in het handelsfonds en niet in de huurovereenkomst.

Tenslotte wordt gesteld dat minstens artikel 11 W.BTW van toepassing is .

Beide partijen stellen uitdrukkelijk dat de verbeteringswerken die appellante liet uitvoeren en betaalde niet individualiseerbaar zijn maar ingelijfd bij het onroerend goed en nooit eigendom zijn geweest van appellante (huurder).

Uit de in het proces-verbaal d.d. 19.11.1999 opgenomen lijst van deze werken blijkt wel dat het, anders dan appellante stelt, niet gaat om loutere onderhoudswerken maar om werkelijke omvorming- en verbeteringswerken (buiten- en binnen schrijnwerkerij, renovatie der voorgevel, sanitaire werken, plaatsen van natuursteen, vloerwerken e.d.).

De in acht te nemen wettelijke bepalingen worden hieronder aangegeven.

\- overeenkomstig 45, § 1 W.BTW mag in aftrek gebracht worden de BTW geheven over de aan de belastingplichtige geleverde goederen en verleende diensten voor zover die goederen/diensten worden gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen;

\- artikel 48, § 2 W.BTW bepaalt ondermeer dat de aftrek van de belasting geheven op bedrijfsmiddelen onderworpen is aan herziening gedurende een tijdvak van vijf jaar, herziening die elk jaar tot beloop van één vijfde van het bedrag van die belasting plaats vindt wanneer enige wijziging is ingetreden in de factoren die aan de berekening van de aftrek ten grondslag liggen;

\- volgens [artikel 6, § 1 van het KB nr. 3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-article-historique-00d1) zijn bedrijfsmiddelen waarvoor de aftrek van belasting onderworpen is aan herziening ,de lichamelijke goederen (andere dan de goederen bedoeld in [artikel 9, tweede lid, 2° van het BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-9)) die bestemd zijn om op duurzame wijze te worden gebruikt als werkinstrument of exploitatiemiddelen;

artikel 6, § 2 van dit KB bepaalt dat de in lid 1 van artikel 6 bedoelde lichamelijke goederen als bedrijfsmiddel worden aangemerkt in hoofde van degene die ze in huur geeft of meer algemeen die de rechten op het goed verleent;

\- overeenkomstig [artikel 7 KB nr. 3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c#ar3-art7) wordt onder belasting geheven van bedrijfsmiddelen verstaan de belasting voldaan op handelingen die strekken of bijdragen tot de totstandkoming, het omvormen of verbeteren van de bedrijfsmiddelen met uitsluiting van de onderhouds- of herstellingswerken

\- [artikel 10 KB nr. 3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c#ar3-art10) bepaalt in welke gevallen tot herziening moet worden overgegaan en de hier te beoordelen situatie is deze voorzien in art. 10, 4° met name wanneer het bedrijfsmiddel ophoudt in de onderneming te bestaan tenzij wordt aangetoond dat zulks het gevolg is van een levering die recht geeft op aftrek of dat het bedrijfsmiddel vernietigd of ontvreemd werd;

\- artikel 11 W.BTW luidt als volgt : "Als levering wordt niet beschouwd de overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling, onder bezwarende titel of om niet, bij wege van inbreng in vennootschap of anderszins, wanneer de overnemer een belastingplichtige is die de belasting, indien ze ingevolge de overdracht zou verschuldigd zijn, geheel of gedeeltelijk zou kunnen aftrekken. In dat geval wordt de overnemer geacht de persoon van de overdrager voort te zetten".

Appellante die aan het onroerend goed dat zij voor de uitoefening van haar economische activiteit huurde verbouwingswerken heeft laten uitvoeren waarvan de BTW werd afgetrokken betwist onterecht dat deze werken in hare hoofde als bedrijfsmiddel kunnen beschouwd worden.

Het is juist dat overeenkomstig artikel 6, 2° lid KB nr. 3 een goed dat verhuurd wordt als een bedrijfsmiddel in hoofde van de verhuurder moet aangezien worden maar op grond van een door de administratie destijds in 1972 genomen beslissing (circulaire 271/1972 nr. E.T. 9284) werd dergelijk recht op aftrek van BTW ook toegestaan aan de huurder die, zonder hiervoor van de verhuurder enige vergoeding te krijgen, omvormingswerken doet aan het gehuurde pand dat voor zijn BTW-plichtige activiteit wordt gebruikt.

Appellante heeft dit recht op aftrek van de BTW m.b.t. de verbeteringswerken daadwerkelijk uitgeoefend en zij heeft deze uitgevoerde werken zelf als een bedrijfsmiddel beschouwd nu deze consequent werden afgeschreven en niet als bedrijfskost werden afgetrokken.

De uitgevoerde werken waren bestemd om op duurzame wijze als exploitatiemiddel gebruikt te worden door appellante (artikel 6, 12 e lid KB nr. 3) en de belasting geheven op handelingen die strekken tot ondermeer verbetering der bedrijfsmiddelen is BTW op bedrijfsmiddelen ([artikel 7, KB nr. 3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c#ar3-art7)).

Uit geen enkele wettekst blijkt dat "niet individualiseerbare werken" die onafscheidelijk met het gebouw zijn verenigd, niet als bedrijfsmiddel (kunnen) worden aangemerkt, zoals wordt voorgehouden, en hoger werd reeds gewezen op het feit dat de uitgevoerde werken niet kunnen beschouwd worden als loutere onderhouds- of instandhoudingswerken.

De onkosten waarvoor de aftrek van BTW werd gevraagd en toegestaan moeten geen betrekking hebben op goederen/investeringen die eigendom zijn van appellante en zulks geldt ook voor verbouwingen aan bedrijfsmiddelen; het lot van deze werken wordt overigens in beginsel geregeld in de huurovereenkomst en de natrekking speelt slechts bij het einde der huurovereenkomst.

De litigieuze verbeteringswerken zijn derhalve aan te merken als bedrijfsmiddel in hoofde van appellante.

Appellante stelt verder dat niet is voldaan aan de voorwaarde van het "ophouden te bestaan in de onderneming" (artikel 10, 4°) nu zij na beëindiging van het huurcontract en na het stopzetten van haar activiteit als restaurantuitbater in het pand, haar handelsfonds waarin de verbeteringswerken zijn begrepen verder heeft aangewend voor een belastbare handeling met name de verhuring ervan.

Appellante negeert hierbij echter dat bij de beëindiging van de huurovereenkomst de uitgevoerde werken eigendom zijn geworden van de NV **D.** (de verhuurder-eigenaar) die vrij kon beschikken over dit gebouw waarvan de destijds aangebrachte verbeteringswerken deel uitmaken, NV **D.** heeft dit gebouw nadien aan een derde verhuurd en deze handeling is een onroerende huur die krachtens artikel 44, § 3, 2° W.BTW vrijgesteld is van BTW.

Het gegeven dat appellante haar handelsfonds op dezelfde dag als de beëindiging der huurovereenkomst verhuurde aan de nieuwe onderhuurder doet hieraan geen afbreuk evenmin als het feit dat de onderverhuurder in het pand een gelijkaardige activiteit als voorheen uitoefent. Het is immers niet appellante maar de nieuwe huurder van het gebouw of de onderverhuurder die de verbouwingswerken deel uitmakend van het pand aanwendt voor een belastbare activiteit.

Anders zou het zijn moest appellante tijdens de lopende huurovereenkomst - periode binnen dewelke de uitgevoerde investeringen geen eigendom zijn van de verhuurder - haar handelsfonds samen met haar huurrechten overgedragen hebben nu de overdracht van deze rechten een levering uitmaakt zodat geen herziening der aftrek moet gebeuren.

Dit is hier niet het geval en het is dan ook ter oplossing van het geschil niet noodzakelijk een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie

De ondergeschikte stelling van appellante dat zij eigenaar was en gebleven is van de verbouwingswerken die aldus geïncorporeerd zijn in het handelsfonds dat zij heeft verhuurd· kan niet gevolgd worden gelet op de regels omtrent het lot van werken tijdens de huurovereenkomst aan het onroerend goed uitgevoerd door de huurder.

Appellante doet tenslotte beroep op artikel 11 W.BTW om de niet herziening van de aftrek te verantwoorden.

Stelling is dat zo de exploitatie wordt stopgezet ten gevolge van een overdracht der handelszaak en deze overdracht onder toepassing valt van artikel 11 W.BTW, niet tot herziening moet worden overgegaan door de werking van de fictie van persoonsvoortzetting.

Gezegd artikel regelt de toestand ingeval van overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling.

In casu werd het handelsfonds evenwel niet overgedragen maar door appellante verhuurd telkens aan de twee opeenvolgende onderverhuurders van het pand.

Huurrechten op het pand maken deel uit van een overgedragen onderneming.

Niettegenstaande in de voorliggende exemplaren van de huurovereenkomst van het handelsfonds vermeld wordt dat de verhuurde handelszaak ook de huurrechten op het pand omvat, wordt niet ingezien hoe deze huurrechten door appellante konden overgedragen worden gelet op de beëindiging van de huurovereenkomst tussen appellante en NV Duinzicht die het gebouw aan een derde, NV **S.**, verhuurde.

Artikel 11 W.BTW kan dan ook niet spelen.

Het hoger beroep is ongegrond.

### Dispositif

**OM DIE REDENEN,**

**HET HOF**,

Rechtdoende op **tegenspraak**,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Verklaart het hoger beroep ongegrond;

Verwijst appellante in de kosten van het hoger beroep, deze tot op heden aan de zijde van geïntimeerde begroot op € … rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van **TWEE JUNI TWEEDUIZEND EN VIJF**

waar aanwezig waren :

mevrouw **A. W.**, wnd. Voorzitter

de heer **E. L.**, Raadsheer

de heer **J. E.**, Raadsheer

mevrouw **G. V.**, Griffieer.

**G. V.** **J. E.** **E. L.** **A. W.**

## Textes cités

4

[AR no 3 art. 10](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c) 2 occurrences

[AR no 3 art. 7](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c) 2 occurrences

[AR no 3 art. 6](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-article-historique-00d1) 1 occurrence

[CTVA art. 9](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-9) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Constitution d’un droit d’emphytéose, Droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/constitution-droit-emphyteose-deduction-revision-cour-appel-anvers-2019-06-04-4949) 2 dispositions communes

[Construction d’un immeuble à appartements, Affectation à l’activité professionnelle](https://juriel.be/fr/jurisprudence/construction-immeuble-appartements-affectation-activite-tribunal-2025-09-23-652d) 2 dispositions communes

[Contrôle, Acquisition, Droit à la déduction, absorption](https://juriel.be/fr/jurisprudence/controle-acquisition-droit-deduction-absorption-tribunal-2026-04-09-aa8a) 2 dispositions communes

[Contrat de location à la fin du droit d'usage](https://juriel.be/fr/jurisprudence/contrat-location-fin-droit-usage-cour-appel-gand-2004-04-06-251b) 2 dispositions communes

[Nouvelle construction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/taux-nouvelle-construction-tribunal-bruxelles-2026-06-19-1e37) 1 dispositions communes

[Notion de construction neuve, révision, période de révision](https://juriel.be/fr/jurisprudence/notion-construction-neuve-revision-periode-cour-appel-gand-2022-11-22-34cd) 1 dispositions communes

[Aménagements, Déduction, Cession du fonds de commerce, Location immobilière](https://juriel.be/fr/jurisprudence/amenagements-deduction-cession-fonds-commerce-tribunal-liege-2021-02-15-3d2b) 1 dispositions communes

[Déduction de la TVA historique, Périodes de révision](https://juriel.be/fr/jurisprudence/deduction-tva-historique-periodes-revision-cassation-bruxelles-2021-04-30-4e14) 1 dispositions communes
