---
title: "25 février 2004 · Champ d&#x27;application, acquisition intracommunautaire de biens · Tribunal de première instance de Hasselt"
description: "Champ d'application, acquisition intracommunautaire de biens, assujettissement. Tribunal de première instance de Hasselt (Belgique), 25 février 2004."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/champ-application-acquisition-intracommunautaire-biens-tribunal-hasselt-2004-02-25-141f"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Champ d'application, acquisition intracommunautaire de biens, assujettissement, disposition pénale · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Hasselt

**Date**

25 février 2004

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

114 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Hasselt du 25.02.2004

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :**

**IN ZAKE AR nr. 01/0179/A**

…, huisvrouw, wonende te …, …

**eiseres,**

vertegenwoordigd door Mr. **B.** loco Mr. **D.**, advocaat te …, ….

**tegen :**

**ADMINISTRATIE DER DIRECTE BELASTINGEN**, in de persoon van de gewestelijk directeur, met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat 43.

**DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN**, Kabinet van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.

**verweerder,**

vertegenwoordigd door Mr. **S.** loco Mr. **R.**, advocaat te …, …

**EN IN ZAKE AR nr. 01/0276/A**

…, huisvrouw, wonende te …, …

**eiseres,**

vertegenwoordigd door Mr. **B.** loco Mr. **D.**, advocaat te …, ….

**tegen :**

**ADMINISTRATIE DER DIRECTE BELASTINGEN**, in de persoon van de gewestelijk directeur, met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat 43.

**DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN**, Kabinet van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.

**verweerder,**

vertegenwoordigd door Mr. **S.** loco Mr. **R.**, advocaat te …, ….

**VOLGT HET VONNIS :**

Gelet op :

\- het verzoekschrift in fiscale zaken neergelegd ter griffie 24.1.2001, waarbij eiseres een vordering in rechte instelt tegen het dwangbevel van 6.10.2000 van verweerder, zaak bij de rechtbank gekend onder rolnummer AR 01/0179/A.

\- het exploot van **J. K.**, gerechtsdeurwaarder te Hasselt, van 23.1.2001, waarbij eiseres verzet aantekent tegen het dwangbevel van 6.10.2000 van verweerder, zaak bij de rechtbank gekend onder rolnummer AR 01/0276/A.

\- de conclusies en stukken van partijen in beide zaken.

## Feiten en voorgaanden

Op 13 mei 1996 vervulde eiseres de formaliteiten met het oog op de inschrijving in België van een auto Ferrari 456GT op haar naam. Het betreft de wagen met chassisnummer …. Dit gebeurde in het kantoor van de douane en accijnzen te Kessenich. Er werd geen BTW betaald.

Daarbij legde eiseres de volgende stukken over aan de ambtenaar der douane en accijnzen :

\- een bewijs van tijdelijke inschrijving van het voertuig in Nederland tussen 24.10.1995 en 23.1.1996. Het voertuig vermeldde als inschrijver …, met adres …, … in (Italië) en met als tijdelijk adres in Nederland, …, … in;

\- nog een, bewijs van tijdelijke inschrijving van dit voertuig in Nederland, hetzij voor zeven dagen onder het kenteken nr. … op naam van dezelfde tussen 9.4.1996 en 15.4.1996.

\- de aanvraag om inschrijving van een voertuig in België.

De wagen zelf werd in België door de Dienst Inschrijving Voertuigen ingeschreven op 7.6.1996 onder het kenteken nummer ….

Bij brief van 4.11.1997 werd eiseres verzocht om voorlegging aan verweerder van de aankoopfactuur van de wagen Ferrari en van andere documenten en het betalingsbewijs betreffende die aankoop. Eiseres reageerde niet.

Vervolgens kondigde verweerder een BTW-controle aan. Daarop ging de echtgenoot van eiseres, …, over tot overlegging van een aantal documenten en tot het verlenen van nadere uitleg. Op 18.12.1997 verklaarde hij over de verwerving van het voertuig het volgende. Een vennootschap **S.** ltalia, waarvan hij directeur was, zou in 1995 een voertuig Ferrari kopen. Hijzelf bemiddelde in Nederland bij een bedrijf dat Ferraris verkoopt, te weten **A.** BV, met het oog op die aankoop. **S.** ltalia zou op 24.10.1995 de wagen gekocht hebben bij **A.** BV en betaalde contant.

…, legde ter staving van dit verhaal op 18.12.1997 aan verweerder een aankoopfactuur over van 24.10.1995, met deze Italiaanse vennootschap als koper. De wagen werd evenwel ingeschreven op naam van …, zelf in Nederland op 24.10.1997 onder een tijdelijke regeling.

In de boekhouding van de BV **A.** werd een verkoopfactuur aangetroffen bij onderzoek door de Nederlandse belastingadministratie. uitgereikt aan … te …, waarvoor in de bankadministratie van deze vennootschap een creditering van de bankrekening gevonden werd met als valutadatum 18.10.1005. Dit onderzoek door de Nederlandse belastingadministratie werd uitgevoerd in het kader van EU-richtlijn 77/799/EEG en 79/1070/EEG en van EU-verordening nr. 218/92 van 27.1.1992 van de Raad. De lay-out en de inhoudelijke gegevens van de verkoopfactuur van de Ferrari aangetroffen bij BV **A.** wijken af van die zoals overgelegd door … aan verweerder. In feite ziet de overgelegde factuur er helemaal anders uit en vermeldt zij een andere koper (nl. …).

In april 1996 zou eiseres dan de wagen gekocht hebben van **S.** ltalia met toepassing van de Italiaanse BTW. Tot staving daarvan legde … aan verweerder een aankoopfactuur op naam van zijn echtgenote voor, uitgereikt door **S.** ltalia aan haar van 29.4.1996.

Als reden voor het feit dat de wagen, ondanks een voornemen In die zin, niet in Italië werd ingeschreven na aankoop door **S.** ltalia, gaf … als uitleg dat **S.** ltalia, waarvan hij directeur was, een joint-venture was tussen een vennootschap **S. H.**, met zetel in Nederland en een **S. V. H**., maar dat deze joint-venture niet over fondsen beschikte bij de aankoop van de wagen op 24.10.1995.

… zou de koopsom dan hebben voorgeschoten, die hem vervolgens op 12.12.1995 door **S.** ltalia zou zijn betaald, hetgeen wordt bevestigd door een kopie van een handgeschreven kwijting in het Italiaans. De wagen zou volgens de uitleg van … naar Italië zijn overgebracht en aldaar wegens onenigheid tussen de partners van de joint-venture zijn geïmmobiliseerd.

Vervolgens werd volgens deze uitleg de joint-venture stop gezet en werd het voertuig Ferrari op 29.4.1996 door **S.** ltalia verkocht aan eiseres. Het voertuig zou dan contant betaald zijn aan **S.** ltalia door … ten bewijze waarvan een kopie van een handgeschreven kwijting, in het Italiaans, uitgereikt door **S.** ltalia wordt overgelegd.

De vereffenaar van **S.** ltalia antwoordde, daarover ondervraagd in een onderzoek door de Italiaanse belastingadministratie, dat in de boekhouding van **S.** ltalia geen aankoopfactuur voor een Ferrari 456 GT werd teruggevonden. Dit onderzoek door de Italiaanse belastingadministratie werd uitgevoerd in het kader van EU-richtlijn 77/799/EEG en 79/1070/EEG en van EU-verordening nr. 218/92 van 27.1.1992 van de Raad.

Bij proces-verbaal van 5.10.2000 stelde verweerder :

\- dat de effectieve overbrenging van het voertuig naar Italië door eiseres en haar echtgenoot niet bewezen werd.

\- dat het voertuig op naam van de echtgenoot van eiseres werd ingeschreven in Nederland in een tijdelijke regeling tussen 24.10.1995 en 23.1.1996.

\- dat eiseres en haar echtgenoot op 24.10.1995 een in België met de BTW belastbare intracommunautaire verwerving verrichtten van de wagen; dat immers krachtens artikel 25ter, § 2 W.BTW aan de BTW zijn onderworpen, wanneer ze in België plaats vinden, de intracommunautaire verwervingen onder bezwarende titel van een naar artikel 8bis, § 2 W.BTW als nieuw beschouwd vervoermiddel door ieder ander dan een als zodanig handelende belastingplichtige of een niet belastingplichtig rechtspersoon.

\- dat eiseres op 24.10.1.995 woonde in …

\- dat ingevolge die intracommunautaire verwerving op 24.10.1995, eiseres een BTW verschuldigd is over de koopprijs van de wagen, 295.000.000 NLG, hetzij tegen een dagkoers van 18,3730 BEF per Gulden, 5.420.035 BEF, te weten tegen een tarief van 20,5 % over deze maatstaf van heffing, een bedrag aan BTW van 1.111.107 BEF (27.543,62 EUR), een geldboete ingevolge art. 70, § 1 W.BTW gelijk aan het dubbel van de verschuldigde BTW of 2.222.214 BEF (55.087,24 EUR) en intresten aan 0,8 % per maand vanaf 1.12.1995 over de som van 1.111.000 BEF (€ 27.540,97).

Op 6.10.2000 werd door verweerder tegen eiseres een dwangbevel uitgevaardigd, dat na te zijn geviseerd en uitvoerbaar verklaard, op 19.10.2000 werd betekend aan eiseres.

In dit dwangbevel werden de hoger vermelde bedragen gevorderd alsook de wettelijke intresten over de verschuldigde geldboete vanaf de betekening van het exploot, alsmede de vervolgingskosten.

## Beoordeling

## 1. Samenvoeging wegens aanhangigheid

De rechtbank stelt vast dat bij haar de vorderingen ingeschreven onder AR nr. 01/0179/A en AR nr. 01/0276/A aanhangig zijn en dat de in deze zaken omschreven vorderingen dezelfde zijn vermits zij beide de nietigverklaring van het dwangbevel van 6.10.2000 tot voorwerp hebben, zodat zij overeenkomstig art. 565, 5° Ger.W. worden samengevoegd.

Ten onrechte voert verweerder aan dat de vordering ingesteld onder AR nr. 01/0179/A wegens aanhangigmaking overeenkomstig artikel 1385undecies Ger.W. (tegensprekelijk verzoekschrift) onontvankelijk zou zijn. In de mate dat eiseres een geschil inzake de toepassing van een belastingwet, in casu BTW, aanhangig wilde maken, hetgeen zij heeft gedaan, kon zij zich op het ogenblik waarop zij zulks deed, hetzij op 24.1.2001, datum van neerlegging ter griffie van het verzoekschrift, steunen op artikel 1385undecies Ger.W., alsdan reeds in werking getreden (F. VANISTENDAEL, P. VAN ORSHOVEN, De Nieuwe Fiscale Procedure, Ced Samson, 1999, 109, nr. 17).

Derhalve voegt de rechtbank de vorderingen samen en berecht zij ze bij huidig vonnis tegelijk daar zij beide, ook ten gronde, hetzelfde voorwerp hebben, te weten de nietigverklaring van het voormeld dwangbevel.

## 2. Overige gronden van ontvankelijkheid

Er worden door verweerder geen andere middelen van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.

De vorderingen zijn dan ook ontvankelijk.

## 3. Het bewijs van afwezigheid van belastbaarheid rust op eiseres

De vordering van eiseres strekt ertoe de vordering van verweerder zoals omschreven in het dwangbevel van 6.10.2000 nietig te horen verklaren.

In het dwangbevel van 6.10.2000 vordert verweerder o.m. een bedrag aan BTW van 1.111.1007 BEF (€ 27.543,62) verhoogd met een geldboete krachtens art. 70, § 1 W.BTW.

Dit dwangbevel steunt op de inhoud van het proces-verbaal van 5.10.2000.

Krachtens dit proces-verbaal zou de verschuldigdheid van dit bedrag aan BTW als oorzaak hebben de intracommunautaire verwerving van een nieuw vervoermiddel krachtens artikel 25ter, § 2 W.BTW in België door eiseres op 24.10.1995. In deze redenering had eiseres de BTW moeten voldoen over deze intracommunautaire verwerving op 30.11.1995.

De rechtbank onderzoekt derhalve vooreerst of eiseres geacht kan worden een intracommunautaire verwerving te hebben gedaan van een nieuw vervoermiddel Ferrari op 24.10.1995.

Krachtens artikel 25ter, § 1, 2° en § 2 W.BTW zijn aan de BTW onderworpen, wanneer ze in België plaats vinden, de intracommunautaire verwerving van nieuwe vervoermiddelen onder bezwarende titel door een niet belastingplichtige natuurlijke persoon.

Behoudens tegenbewijs wordt ieder vervoermiddel dat in België het voorwerp uitmaakt van een intracommunautaire verwerving geacht nieuw te zijn (art 25ter, § 3 W.BTW).

Voor zover bewezen wordt door verweerder dat een intracommunautaire verwerving van een voertuig in België heeft plaats gehad, rust derhalve op de verwerver natuurlijke persoon de bewijslast dat het voertuig niet nieuw is in de zin van de BTW-wetgeving (in concreto, artikel 8bis, § 2, 2 W.BTW), indien hij de vrijstelling voorhoudt van de Belgische BTW op de intracommunautaire verwerving.

Een auto is nieuw in de zin van artikel 25ter W.BTW indien zijn levering plaats vindt binnen de zes maanden na de datum van hun eerste ingebruikneming of indien deze niet meer dan 6.000 km. heeft afgelegd.

Gelet op het feit dat eiseres op 13.5.1996 in het kantoor der douane en accijnzen te Kessenich de formaliteiten vervulde met het oog op de inschrijving van de wagen Ferrari, moet in ieder geval worden aangenomen dat eiseres een intracommunautaire verwerving verrichtte van dit voertuig in België. Zij verkreeg derhalve in ieder geval voorafgaand aan 13.5.1996 de macht om als eigenaar te beschikken over dit lichamelijk roerend goed (art. 25bis, § 1 W.BTW). Haar handeling strekte er immers toe de wagen voor de eerste keer in België in te schrijven als vervoermiddel onder haar naam, hetgeen erop wijst dat zij de wagen daarvoor had verworven in de zin van artikel 25bis W.BTW.

Terecht voert verweerder derhalve aan dat eiseres een in beginsel met Belgische BTW belastbare intracommunautaire verwerving heeft verricht daar het voertuig, behoudens tegenbewijs door eiseres, als nieuw in de zin van artikel 8bis en 25ter, § 3 W.BTW moet worden beschouwd.

De vraag stelt zich evenwel of eiseres, die zich beroept op een levering aan haar van het voertuig, na het ogenblik waarop dit voertuig in de zin van artikel 8bis W.BTW nog als nieuw kon worden aangemerkt, van dit feit het bewijs heeft bijgebracht. De bewijslast van het tegenbewijs van het "nieuw" karakter van dit voertuig, rust immers op haar.

M.a.w. moet zij het bewijs leveren dat het voertuig niet op het ogenblik waarop zij de formaliteiten vervulde tot het in het verkeer brengen van het voertuig, noch op datum van haar "aankoopfactuur" maar wel op het ogenblik waarop het voertuig aan haar werd geleverd, niet meer "nieuw" was in de zin van voormelde bepalingen.

Het enig stuk van eiseres waaruit het "niet nieuw" karakter van het voertuig op het ogenblik van de levering aan haar zou moeten blijken, betreft een kopie van een in het Italiaans gestelde en niet vertaalde aankoopfactuur, gedateerd 29.4.1996, "fattura" genaamd, gericht door "**S.** ltalia" aan haar, met de vermelding "numero di chilometri" "km. 8100".

Verder brengt eiseres een aantal kopieën van stukken bij, meestal gesteld in het Italiaans en niet vertaald.

Over de eigenlijke datum van levering van het voertuig brengt eiseres geen enkel stuk bij.

In ieder geval blijkt dat haar echtgenoot het voertuig al gebruikte en ermee rondreed vóór de datum van de factuur van 29.4.1996, waarvan een kopie aan de rechtbank werd overgelegd.

Er wordt geen leveringsbon overgelegd.

Voorts blijkt uit de door verweerder overgelegde stukken dat de wagen Ferrari op 24.10.1995 aan de echtgenoot van eiseres verkocht zou zijn, niet aan een zekere vennootschap **S.** ltalia (stuk 13 verweerder), en dat de echtgenoot van eiseres de Ferrari aan de verkoper zou hebben betaald bij bankoverschrijving met valutadatum 18.10.1995.

Gelet op die omstandigheden, op het bewezen verklaard zijn van een intracommunautaire verwerving van het voertuig Ferrari door eiseres voorafgaand aan 13.5.1996, op het feit dat de bewijslast van de vrijstelling van Belgische BTW op eiseres rust alsmede op de afwezigheid van overlegging aan de rechtbank van deugdelijke stukken en gegevens die het positief bewijs bijbrengen dat het voertuig Ferrari aan eiseres werd geleverd op een ogenblik, gelegen op meer dan zes maanden na datum van zijn eerste ingebruikneming en waarop het voertuig meer dan 6.000 kilometer had afgelegd, moet aangenomen worden dat eiseres niet voldoet aan de op haar rustende bewijslast.

Eiseres levert dit bewijs immers niet door overlegging van een kopie van een in het Italiaans gestelde factuur, waarbij gelet op het op vraag van verweerder verrichte onderzoek naar de herkomst ervan in Italië, nog twijfels bestaan over de vraag of het waarachtig is, al dan niet gepostdateerd is en of de rechtspersoon waarvan vermeld wordt dat hij eigenaar van het verkochte goed is, daarvan in rechte wel als eigenaar beschouwd kon worden en het goed wel kon verkopen.

Ten onrechte stelt eiseres derhalve ter hare ontlasting dat verweerder zich aan een opeenstapeling van vermoedens zou bezondigen ten aanzien van het bewijs van het "nieuw” karakter van het voertuig, daar waar in werkelijkheid op haar het bewijs van het tegendeel rust en zij aan die bewijslast niet voldoet.

## 4. De geldboete

Verweerder vestigde een geldboete ten belope van 200 % van het bedrag van de verschuldigde BTW wegens inbreuk op artikel 53nonies W.BTW, samen gelezen met KB BTW nr. 46, te weten geen aangifte te hebben ingediend van intracommunautaire verwerving van een nieuw vervoermiddel en de verschuldigde BTW niet te hebben betaald.

Eiseres voert vooreerst aan dat deze geldboete zonder motivering zou zijn opgelegd.

De rechtbank kan eiseres daarin niet volgen.

In het dwangbevel wordt duidelijk uiteengezet op grond van welke .bepalingen de geldboete wordt opgelegd (art. 70, § 1 W.BTW, art. 1 KB BTW nr. 41). Het bijgevoegd proces-verbaal vermeldt de omstandigheden op grond waarvan verweerder van oordeel is dat de inbreuk op de BTW-wetgeving werd begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

Door die motivering kan eiseres zich rekenschap geven van de redenen op grond waarvan de geldboete werd opgelegd.

Wat de inbreuk op grond waarvan de geldboete werd opgelegd zelf betreft, moet op basis van het bovenstaande aangenomen worden dat verweerder deze inbreuk geldig heeft bewezen.

Eiseres vordert evenwel dat deze geldboete van 200 % zou worden kwijtgescholden, minstens ernstig herleid.

Ingevolge de arresten van het Arbitragehof van 24.2.1999 en 12.6.2002 wordt aangenomen dat de rechter met volle rechtsmacht kan oordelen over de door de administratie opgelegde BTW-boete en dat artikel 70 van het W.BTW deze interpretatie ook toelaat (*R. W.* 1998-99, 1346).

Volle rechtsmacht houdt in dat de rechter de rechtsmacht heeft om in het licht van de concrete omstandigheden over te gaan tot het behoud, vermindering of de kwijtschelding, d.w.z. de boete aan te passen aan de concrete omstandigheden van de zaak. De belastingplichtige moet de opgelegde sanctie kunnen laten controleren door een rechterlijke instantie. De rechter mag weliswaar geen loutere redenen van opportuniteit of billijkheid laten gelden om de belastingplichtige te bevrijden van wettelijk opgelegde verplichtingen (zie Cass. 5.2.1999, *T.F.R.* 1999, nr. 99/44, tweede middel).

Eén en ander impliceert dat de uiteindelijk verschuldigde boete, zoals gevorderd in het thans ter discussie staande dwangbevel, in verhouding moet staan met de concrete gegevens van de zaak.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres de gevolgen moet dragen van haar handelingen die waren ingegeven door de bedoeling in België geen BTW te betalen op de door haar verrichte intracommunautaire verwerving, minstens de ontduiking ervan mogelijk te maken.

De rechtbank stelt vast dat er zich in het dossier voldoende aanwijzingen bevinden dat de overtreding op de BTW-wetgeving werd begaan met de bedoeling de belasting te ontduiken, te weten :

\- afwijkingen in lay-out en inzake inhoudelijke gegevens, o.a. identiteit aankoper, tussen de aankoopfactuur van 24.10.1995, overgelegd door … aan verweerder, en die aangetroffen bij de Nederlandse professionele verkoper van de Ferrari zodat deze overgelegde aankoopfactuur geacht wordt zowel materieel als inhoudelijk te verschillen van de in werkelijkheid door de Nederlandse verkoper van de Ferrari uitgereikte factuur.

\- bewering van contante betaling van de initiële aankoop van de Ferrari op 24.10.1995 door een ltaliaanse vennootschap terwijl de professionele verkoper van deze wagen een stuk tot staving van ontvangst van een betaling per bankoverschrijving overlegde, uitgevoerd door de echtgenoot van eiseres.

\- volgens de vereffenaar van de Italiaanse vennootschap heeft deze nooit een Ferrari aangekocht zodat niet wordt ingezien hoe deze vennootschap aan eiseres een voertuig Ferrari in eigendom kon overdragen;

\- samen genomen met voorgaande elementen, het feit dat eiseres geen aangifte deed van een intracommunautaire verwerving van een voertuig Ferrari en de daarover verschuldigde BTW niet afdroeg.

\- ten overvloede en weliswaar irrelevant ten aanzien van de vaststelling dat niet wordt bewezen dat het voertuig op het ogenblik van de verwerving niet meer als "nieuw" moest worden aanzien, de afwezigheid van een positief bewijs van betaling van BTW over de aankoop van het voertuig Ferrari in eender welk land van de Europese Unie voorafgaand aan of ter gelegenheid van de verwerving ervan door eiseres.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat in de gegeven omstandigheden de opgelegde geldboete verantwoord is en bij de feiten aansluit.

Om hoger vermelde redenen dient de vordering van eiseres ongegrond te worden verklaard.

---

De voorschriften van de artikelen 2·30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**De rechtbank,** rechtdoende op **tegenspraak**

Voegt de vorderingen gesteld onder AR 01/0179/A en 01/0276/A samen.

Verklaart de vordering van eiseres en het verzet tegen het dwangbevel van 6.10.2000 ontvankelijk doch ongegrond.

Wijst eiseres af en veroordeelt haar tot de gedingkosten en stelt deze vast in hoofde van verweerder op de som van € 171,05 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de **elfde kamer** op het gerechtshof te Hasselt op **25 FEBRUARI 2004** alwaar aanwezig waren :

De Heer **E. S.**, rechter, waarnemend voorzitter;

Mevrouw **C. V.** en De Heer **L. C.**, rechters;

De Heer **Ph. N.**, griffier.

**Ph. N.** **L. C.** **C. V.** **E. S.**
