---
title: "Cession d&#x27;une universalité de biens;révision de la déduction;bail commercial · Tribunal de première instance de Bruges, 25 mai 2004"
description: "Cession d'une universalité de biens;révision de la déduction;bail commercial. Tribunal de première instance de Bruges (Belgique), 25 mai 2004."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/cession-universalite-biens-revision-deduction-tribunal-bruges-2004-05-25-66b5"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Cession d'une universalité de biens;révision de la déduction;bail commercial

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Bruges

**Date**

25 mai 2004

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

**Sens lu par le SPF**

défavorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

109 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première Instance de Bruges dd

**Jugement du Tribunal de Première Instance de Bruges dd. 25.05.2004, Cause 03/0080/A**

Le Courrier Fiscal 2004/595

*Cession d'une universalité de biens.*

*Révision de la déduction.*

*Bail commercial.*

## Résumé

Le fait que le bâtiment de l'entreprise n'ait pas été cédé lors de la cession du fonds de commerce n'empêche pas l'application du régime d'exonération prévu par l'[article 11 CTVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-11). Si ce bâtiment est mis après la cession à la disposition du repreneur dans le cadre d'un contrat de bail, la continuité des activités est garantie.

La mesure où l'idée qui est à la base de l'[article 11 CTVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-11) est que le cessionnaire continue les activités du cédant d'une façon telle qu'il se conduise à l'égard de l'Administration de la TVA comme le cédant, la cession d'un fonds de commerce peut entrer dans le champ d'application de l'[article 11 CTVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-11) s'il résulte des faits que le repreneur peut continuer à utiliser les bâtiments de l'entreprise dans le cadre de son activité professionnelle.

Le fait que toutes les voitures de société ne soient pas cédées dans le cadre de la cession d'un fonds de commerce n'empêche pas l'application de l'[article 11 CTVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-11). L'Administration de la TVA estime dans ce cas que les voitures de société en question sont censées avoir été prélevées pour les besoins privés de l'assujetti juste avant la cession du fonds de commerce. Cette tolérance administrative provient du fait que les voitures de société ne sont que rarement utilisées exclusivement à des fins professionnelles et ne constituent dès lors pas des éléments essentiels lors de la cession d'un fonds de commerce.

**Texte intégral**

### Corps de la décision

DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUGGE, VIERDE KAMER, HEEFT HET HIERNAVOLGEND VONNIS VERLEEND:

in de zaak **AR. nr. 03/0080/A:**

van

**de N.V. PI², voorheen N.V. V. D. & V., ingeschreven in het handelsregister te Brugge onder nr. …, met BTW nr. BE…, en waarvan de vennootschapszetel gevestigd is te ...,**

eiseres,

vertegenwoordigd door meesters R. C. en C. P., advocaten te Brugge.

tegen:

**de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de personen van:**

**1.** **de heer Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat nr. 12;**

**2.** **de eerstaanwezend inspecteur - diensthoofd van de derde Bijzondere Belastingsinspectie te Brugge, wiens kantoor gevestigd is te 8000 Brugge, Hoefijzerlaan nr. 17E;**

**3.** **de eerstaanwezend inspecteur van het BTW - Controlekantoor Brugge 2, wiens kantoor gevestigd is te 8000 Brugge, G. Vincke Dujardinstraat 4,**

verweerders, hiernagenoemd "verweerder",

vertegenwoordigd door meester J. V. D. P., advocaat te ...

## I. PROCEDURE

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 27 april 2004, waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.

De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.

De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten:

1\. de gedinginleidende dagvaarding van 31 december 2002 met in bijlage een kopie van de correctieopgave van 13 oktober 1999;

2\. de conclusie voor verweerder van 13 oktober 2003;

3\. de conclusie voor eiseres van 9 december 2003;

4\. de conclusie voor verweerder van 2 januari 2004 en

5\. de conclusie voor eiseres van 3 februari 2004.

Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.

## II. DE BIJZONDERE GEGEVENS VAN DE ZAAK

*1. De feiten die relevant zijn voor het geschil*

Op 2 juli 1997 heeft eiseres, toen ze nog de NV V. D. & V. heette, met de NV D. een overeekomst gesloten tot overdracht van haar handelszaak. Volgens de uitdrukkelijke bedingen was alles uit die handelszaak in de overdracht begrepen. Nochtans werd er geen overdracht gedaan van de bebouwen die aan eiseres toebehoorden. Alleen *het recht van gebruik van de ruimten waarin de overgedragen handelszaak wordt uitgebaat* was in de overdracht begrepen. De overeenkomst werd op 14 juli 1997 geregistreerd.

Daags daarna werd ter registratie een overeenkomst tussen dezelfde contractanten aangeboden waarin de gebouwen van eiseres waarin de betreffende handelszaak geëxploiteerd werd, vanaf 1 mei 1997 tot 30 april 2006 aan de NV D. werden verhuurd. Die overeekomst is gedateerd 1 mei 1997.

De overdracht van de handelszaak werd tussen de contracten beschouwd als de overdracht van een algemeenheid van goederen zoals bedoeld in [artikel 11 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-11). Aldus pasten zij op de overdracht de vrijstelling van BTW toe.

In 1999 startte de B.B.I. een onderzoek op bij eiseres. Er werd geoordeeld dat er vijf soorten overtredingen begaan waren. Twee van die overtredingen maken het voorwerp uit van de huidige betwisting tussen de partijen. Het betreft:

(1)de stelling dat [artikel 11 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-11) ten onrechte zou zijn toegepast omdat het cliënteel slechts gedeeltelijk werd overgelaten en het onroerend goed niet werd overgelaten;

(2)de stelling dat op de investeringen (voor de oprichting) in onroerend goed een herziening van de afgetrokken BTW moest worden toegepast nu het onroerend goed niet werd overgedragen.

De gevolmachtigde van eiseres liet op 14 april 1999 weten met die twee punten niet akkoord te kunnen gaan. Dat werd herhaald in een brief van de advocaat van eiseres van 15 juni 1999.

Enige tijd later werd door de BBI een correctieopgave opgestuurd waarin de eerder opgeworpen overtredingen werden overgenomen, behalve de schending van [artikel 11 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-11). Er werd immers geen BTW aangerekend op de prijs van de overdracht van de handelszaak. De overtreding met betrekking tot de herziening van de BTW die was afgetrokken naar aanleiding van de oprichting van het onroerend goed (goed voor 1.562.662 frank of 38.737,38 euro), werd nochtans wel behouden. Die correctieopgave werd op 13 oktober 1999 zonder voorbehoud namens eiseres ondertekend.

Op 3 december 1999 vroeg eiseres een afbetalingsplan voor de bijzondere rekening die was opgemaakt aan de hand van de correctieopgaven van 13 oktober 1999.

Met een brief van 7 december 1999 liet het Ontvangkantoor van de BTW weten dat per maandelijkse schijven van minstens 125.000 frank (3.098,67 euro) kon worden afbetaald.

Eiseres moet aanvankelijk de afbetalingsafspraak hebben nageleefd. Toen er geen betalingen meer gebeurden, volgde op 5 oktober 2000 een dwangbevel voor het saldo dat toen (na aanrekening op de boeten en de intrest) nog 29.706 euro (1.198.344 frank) BTW bedroeg. Het dwangbevel werd op 6 oktober 2000 geviseerd en uitvoerbaar verklaard en op 9 oktober 2000 aan eiseres per aangetekende brief ter kennis gebracht.

Op 12 maart 2001 richtte eiseres zich tot verweerder met een brief en bijlagen waarin werd aangevoerd dat het feit dat er tussen haar en de overnemer van haar handelszaak ook een huurovereenkomst was gemaakt, met zich bracht dat geen herziening van de BTW met betrekking tot de onroerende investeringen moest gebeuren.

Op 25 april 2002 volgde een brief van eiseres met de volgende inhoud.

*Aansluitend op mijn schrijven van 12 maart 2001 en de besprekingen terzake, ondermeer op 02 april 2002 wordt bepaald:*

*1 voor de overdracht op 2 juli 1997 van een deel van het handelsfonds werd ten onrechte de toepassing van* [*artikel 11 van het BTW wetboek*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-11) *ingeroepen;*

*2 inde correctieopgave van 13 oktober 1999 - rubriek 3 - werd terecht de herziening van de afgetrokken btw toegepast, zodat afgezien wordt van de vraag in voormeld schrijven van 12 maart 2001;*

*3 de overnemer is btw plichige die volledig recht op aftrek geniet, zodat gelet op onderhavig akkoord niet wordt overgegaan tot invordering van btw verschuldigd onder 1 hiervoor.*

Met de dagvaarding van 31 december 2002 stelde eiseres haar huidige vordering in.

*2. De vorderingen van de partijen*

**Eiseres** vordert dat de rechtbank verweerder zou veroordelen tot terugbetaling van alle bedragen die door haar betaald zijn uit hoofde van de doorgevoerde herziening van de BTW ingevolge onroerende verhuur aan de NV DVDSQ van het bedrijfsgebouw met kantoren en magazijnen, gelegen te 8000 Brugge, Monnikenwerve nr. 33/35, vermeerderd met de gerechtelijke interest vanaf dta de datum van dagvaarding tot de datum van volledige betaling.

Eiseres vraagt bovendien dat verweerder zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten.

**Verweerder** vordert dat de vordering van eiseres door de rechtbank zou worden afgewezen als ongegrond en dat eiseres zou verwezen worden in de gerechtskosten.

## III. BEOORDELING

*1. De ontvankelijkheid van de vordering*

Verweerder voert geen redenen aan die tot onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de vordering ontvankelijk.

*2. De grond van de vordering*

2.1. Stelling van eiseres

Eiseres stelt dat de BTW-administratie in haar beslissing van 8 april 1996 al haar eerder standpunt verlaten had waarin herziening van de BTW op onroerende investeringen noodzakelijk geacht werd wanneer bij overdracht van een algemeenheid van goederen, de onroerende goederen in kwestie slechts verhuurd werden en in niet in de overdracht begrepen waren. Vermits ook hier volgens eiseres haar onroerende goederen aan de NV D. verhuurd werden ter gelegenheid van de overdracht van haar handelszaak aan die vennootschap, was er naar het oordeel van eiseres voor de BTW op de kosten voor de oprichting van de verhuurde gebouwen, geen herziening nodig. Haar akkoord van 13 oktober 1999 met de regularisatieopgave waarin die herziening van BTW was opgenomen, zou daarom niet geldig zijn.

Eiseres beroept zich daartoe op het recht om het bewijs te leveren dat het akkoord gegeven werd op grond van een vergissing in rechte of in feite.

Enerzijds voert eiseres een dwaling in rechte aan, met name omdat zij geen weet zou gehad hebben van het feit dat de BTW-administratie sinds 8 april 1996 een ander juridisch standpunt innam.

Anderzijds stelt eiseres dat het akkoord er onder dwag is gekomen, met name omdat het akkoord tot een forse vermindering van de boete zou aanleiding geven (van 200 procent naar 10 procent).

Volgens eiseres voert verweerder nu ten onrechte nog aan dat er dan toch geen sprake zou geweest zijn van een overdracht van de handelszaak die onder het vrijstellingsregime van [artikel 11 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-11) viel. Eisers stelt dat verweerder dat altijd al aanvaard heeft en beroept zich minstens op de uitdrukkelijke tekst van de overeenkomst met de NV D. waarin opgesomd staat wat in de overdracht begrepen is en met dien verstande dat alles wat niet in de opsomming staat, ook in de verkoop begrepen is.

Dat een vroegere klant nog zijn bestellingen deed via eiseres (wegens de binding met de gedelegeerd bestuurder) zou daaraan niet in de weg staan. Hetzelfde zou gelden voor de niet-overdracht van auto's. De administratie zou daar aanvaarden dat er vóór de overdracht een onttrekking heeft plaats gevonden.

2.2. Stelling van verweerder

Volgens verweerder heeft eiseres zich akkoord verklaard met de herziening in de correctieopgave en gebeurde dat met kennis van zaken vermits ze voorafgaand dezelfde argumentatie had aangevoerd. Het zou gaan om een compromis dat door eiseres zelf werd weergegeven in haar brief van 25 april 2002.

Verder stelt verweerder dat eiseres er ten onrechte van uitgaat dat er een volledige overdracht van de handelszaak plaats vond. Daartoe voert verweerder aan dat één belangrijke klant niet werd overgedragen, dat de onroerende goederen niet werden overgedragen en ook een deel van het wagenpark blijkens de balans op 31 december 1998 nog door eiseres behouden bleef. Ook verwijst verweerder naar de brief van 25 april 2002 waarin eiseres uitdrukkelijk erkende dat [artikel 11 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-11) eigenlijk niet toepasselijk was.

Dat er geen herziening van de BTW op investeringen in onroerende goederen zou nodig zijn als de onroerende goederen naar aanleiding van de overdracht van de handelszaak verhuurd worden aan de overnemer, is volgens verweerder niet toepasselijk als aan de vereisten van [artikel 11 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-11) niet voldaan is.

Tenslotte stelt verweerder dat eiseres nalaat om het bewijs te leveren dat haar akkoord onder dwag zou zijn tot stand gekomen.

2.3. Beoordeling

De vordering van eiseres veronderstelt noodzakelijk dat het akkoord dat zij - onbetwistbaar - gegeven heeft met de hierziening van de BTW op de oroerende investeringen, op dat punt als nietig wordt beschouwd.

Vermits het fiscaal recht van openbare orde is, zijn akkoorden, ook al hebben zij het karakter van een compromis tussen de belastingadministratie en de belastingplichtige, niet onherroepelijk. De belastingplichtige kan bewijzen dat er sprake is van een wilsgebrek, waaronder bedrog, dwang, dwaling in rechte of dwaling omtrent de feiten.

In eerste instantie beroept eiseres zich op een dwaling in rechte: zij voert aan dat zij bij de ondertekening van de correctieopgave niet wist dat herziening van de BTW op onroerden investering toch niet moest gebeuren bij een overdracht van een handelszaak zonder overdracht van die gebouwen wanneer die gebouwen gelijktijdig aan de overdrager verhuurd werden. Nu laat verweerder terecht gelden dat deze vraag slechts pertinent zou zijn wanneer zou vaststaan dat er sprake is van een volledige overdracht van de handleszaak en dus wanneer [artikel 11 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-11) toepasselijk was. Nu blijkt dat eiseres, nadat ze al weet had van haar ingeroepen dwaling in rechte (wat ze al signaleerde op 12 maart 2001), namelijk in haar brief van 25 april 2002 er zich mee akkoord verklaarde dat [artikel 11 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-11) niet toepasselijk was. In die brief schrijft eiseres zelf letterlijk dat er slechts een deel van de handelszaak werd overgedragen op 2 juli 1997.

In eerste orde stelt zich dus hoe dan ook de vraag of eiseres op 25 april 2002 gedwaald heeft omtrent de feiten, namelijk over de overdracht van de handelszaak op 2 juli 1997 al dan niet de volledige handelszaak omvatte, gecombineerd met de vraag welke juridische implicaties dat had voor de toepassing van [artikel 11 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-11).

Het is onbetwist dat in de overdracht geen onroerend goederen begrepen waren. Dat is op zich, als alleenstaand feit, evenwel niet relevant om de overdracht als een 'algemeenheid van goederen' in de zin van [artikel 11 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-11) te beschouwen. Er moet immers worden aangenomen, dat wanneer - zoals hier - aan de overdrager het recht om van de onroerende goederen waarin de overgelaten activiteit werd uitgebaat, gebruik te maken bij middel van een handelshuurovereenkosmt, er voldoende continuïteit van de activiteit gegarandeerd wordt zodat de overdracht als BTW-neutraal kan worden beschouwd en de vrijstelling van [artikel 11 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-11) niet in het gedrang komt. De idee achter [artikel 11 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-11) is immers dat de overnemer de activiteit van de overdrager verderzet op een manier dat hij zich ten aanzien van de BTW kan gedragen als de overdrager (wat voornamelijk belangrijk is wat de hierziening aangaat).

De BTW-administratie heeft dat beginsel altijd al aanvaard (zie [Circ. 74/1971](https://juriel.be/fr/circulaires/74-1971-d669): "*Die afstand moet alle elementen omvatten van de handelszaak die aan de overdrager toebehoren (cliënteel, koopwaren, handelsuitrusting, handelsmerken, brevetten, enz), ofschoon het niet absoluut noodzakelijk is, gaat de afstand normaal gepaard met de verhuur van het onroerend goed in de handel wordt uitgebaat of met de afstand van het huurrecht op dat goed. D ehandelsschuldvorderingen en -schulden zijn daarentegen normaal niet in de verrichting begrepen."*).

Eiseres ontkent niet dat zij na de overdracht nog werken heeft uitgevoerd voor één van haar vroegere klanten (voor een aanzienlijk omzet). Zij stelt dat zij dat werk in onderaanneming aan de overnemer toevertrouwde. Eiseres benadrukt dat volgens de overeenkomst alle klanten overgedragen waren, maar dat die ene klant eraan hield om rechtstreeks contact te hebben met haar gedelegeerd bestuurder en dat de overnemer daar geen vrijwaringsvordering voor insteld (wegens het feit dat het eigenlijk om zijn klant ging).

Bij de beoordeling naar de toepassing van [artikel 11 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-11) staat ongetwijfeld de overdracht van de cliëntèle zeer centraal. Het is immers middels die cliëntèle dat bij uitstek kan worden nagegaan of de overnemer van de handelszaak de activiteit zal verder zetten met alle aspecten die voor de BTW belangrijk zijn, daarin begrepen. Het - in weerwil van de overeenkomst - behouden van een klant, kan doen vermoeden dat de overdrager zijn activiteit niet (geheel) heeft overgedragen; anders zou niet verklaarbaar zijn dat er nog een 'klant' is (die immers moet kunnne bediend worden). De feitelijke toedracht blijkt evenwel te zijn dat eiseres als overdrager niet langer zelf voor het werk (uitvoeren van drukwerk) instond, maar slechts een soort commissieopdracht uitvoerde door het werk volledig uit te besteden aan de overnemer (door eiseres in wezen ten onrecht 'onderaannnemer' genoemd). Eisers beschikte na de overdracht immers niet meer over de nodige uitrustingsgoederen om te kunnen drukken. De commissieovereenkomst is gekenmerkt door het feit dat de commissionair in zijn naam optreedt voor rekening van zijn opdrachtgever (de oude klant) (art. 12, title VII W.Kh.). Kennelijk zal eiseres voor haar tussenkomst een bepaald deel van de winstmarge ontvangen hebben, juridisch te kwalificeren als een commissieloon. De activiteit van handelstussenpersoon (commissionair) is uiteraard niet dezelfde als de activiteit van drukker. Dat leidt tot de vaststelling dat het feit dat er een klant via eiseres passeerde na de overdracht van de handelszaak, nog niet impliceerde dat eiseres haar activiteit niet volledig zou hebben overgedragen.

Het standpunt van verweerder dat eiseres haar cliëntèle niet volledig had overgedragen, kan dus niet gevolgd worden.

Volledige duidelijkheid met betrekking tot de overdracht van het wagenpark van eiseres, wordt door de partijen niet geleverd. Verweerder legt de balans voor van eiseres op 31 december 1996 en de balans op 31 december 1998. De balans op 31 december 1997 ligt niet voor. De balansen bevatten hoe dan ook geen detaillering van het wagenpark. Er is wel een aanwijzing met name doordat in de correctieopgave voor 1995, 1996 en 1997 onder rubriek het privé-gebruik van personenwagens door twee bestuurders van eiseres in rekening werden gebracht. Vermits het volledige bedrag van het voordeel ook in 1997 werd aanvaard, laat dit vermoeden dat de wagens ook na 2 juli 1997 nog door diezelfde bestuurders werden gebruikt.

Ook hier stelt eiseres dat op grond van de tekst van de overeenkomst de overnemer het recht had om al het rollend materieel op te eisen en dat zij het niet kan helpen dat dit niet gebeurde. Op zich is dat geen afdoende argument vermits het feitelijk verloop in strijd met de overeenkomst een aanwijzing kan vormen van een veinzing of minstens van een afwijking op de overeenkomst. De vraag kan zelfs gesteld worden of - in de versie die eisenares geeft - de waarde van de goederen die de overnemer niet opeiste, door eiseres niet als een uitzonderljke opbrengst moest geboekt worden.

Afgezien evenwel van deze vragen, blijkt dat het feit dat in de overdracht eventueel niet alle wagens begrepen waren, op zich de toepassing van [artikel 11 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-11) niet verhindert. De BTW-administratie aanvaardt immers zelf dat in dat geval de wagen geacht wordt net vóór de overdracht van de handelszaak onttrokken te zijn voor privé-doeleinden in de zin van artikelen [9](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c#ar3-art9), [10](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c#ar3-art10) en [11](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-article-11-046b) KB nr. 3 van 10 december 1969 (Adm. Besl. E.T. nr. 6666 van 22 maart 1973, BTW-*revue* nr. 12, 289-290, nr. 388). Deze administratieve welwillendheid is ongetwijfeld ingegeven door de vaststelling dat in de praktijk zeer dikwijls het wagenpark niet of niet volledig in de overdracht van een handelszaak begrepen is (omdat de personenwagens ook zelden als volledig bedrijfsmatig worden aanvaard door de fiscus). Het zou in strijd zijn met het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel om de toepassing van [artikel 11 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-11) uitsluitend te weigeren op grond van het feit dat niet alle wagens door eiseres waren overgedragen, zelfs al zou voor de niet-overgedragen wagens niet d onttrekkingsregeling zijn toegepast (wat, gelet op het feit dat er nog activiteit bij eiseres bleef bestaan, weze het van een andere aard, allicht zinloos ware geweest).

Ook hier is dus de conclusie dat het feit dat bepaalde personenwagens niet waren overgedragen, de toepassing van [artikel 11 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-11) niet verhinderen.

Meteen volgt daaruit dat eiseres gedwaald heeft toen zij op 25 april 2002 ermee akkoord ging dat er wegens gedeeltelijke overdracht van de handelszaak geen toepassing kon gemaakt worden van [artikel 11 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-11).

Nu [artikel 11 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-11) wel toepasselijk was, stelt zich nog de vraag of er herziening moest gebeuren van de BTW met betrekking tot de investeringen in onroerende goederen die niet werden overgedragen. Hier beroept eiseres zich met reden op het feit dat het volstaat dat de overnemer bij middel van een gelijktijdige handelshuurovereenkomst de beschikking kreeg over de onroerende goederen waarin eiseres voordien de activiteit van drukker exploiteerde. Dat is trouwens het uitdrukkelijk standpunt van de BTW-administratie (BTW-handleiding nr. 403, voorbeeld nr. 5: *In sommige gevallen kan de overdracht van een algemeenheid van goederen of een bedrijfsafdeling met toepassing van de artikelen* [*11*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-11) *en* [*18, §3*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-18)*, van het Wetboek plaatsvinden zonder dat de onroerende goederen waarin de belastbare activiteit werd uitgeoefend mee dienen overgedragen te worden. Dat is het geval bij de overdracht van een handelsfonds door een natuurlijke persoon (of door een vennootschap in vereffening) en ook bij de overdracht van een bedrijfsafdeling waarbij het onroerend goed dat werd gebruikt voor de exploitatie van de overgedragen werkzaamheid door de overdrager verder zal worden gebruikt voor de reeds erin uitgeoefende exploitatie van de bedrijfsafdeling die hij behoudt. In voormelde gevallen dient geen hierziening te gebeuren van de aftrek van de BTW geheven van de verkrijging, oprichting, verbouwing of verbetering van de gedeelten van het gebouw die aan de overnemer zullen worden verhuurd en door deze laatste zullen worden gebruikt voor het uitoefenen van de overgenomen belastbare activiteit.*).

Op grond van de vastgestelde dwalingen is eiseres dan ook niet gebonden door de correctieopgave die ze op 13 oktober 1999 tekende in de mate dat daarin de herziening van de BTW op de investeringen aan de onroerende goederen werd aangerekend.

Meteen beroept eiseres zich ook met de reden op het feit dat die herziening ten onrecht werd doorgevoerd en is haar vordering gegrond, althans in de formulering zoals in het *dictum* vermeld. De gerechtelijke interest wordt toegekend zoals gevorderd; het betreft een toepassing van [artikel 91, §4 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91).

*3. De gerechtskosten*

Verweerder wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek, moet hij de gerechtskosten dragen.

### Dispositif

## IV. UITSPRAAK

**De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.**

### Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de vordering ontvankelijk en gegrond

**De rechtbank zegt daarom voor recht dat verweerder ten onrechte overging tot herziening van de BTW die door eiseres in 1992 en 1993 met betrekking tot inversteringen in onroerende goederen was afgetrokken op grond van de vaststelling dat die onroerende goederen niet begrepen waren in de overdracht van haar handelszaak aan de de NV D. op 2 juli 1997. De rechtbank veroordeelt verweerder tot terugbetaling van alle sommen die krachtens die ten onrechte herziening werden geïnd en/of ingehouden, vermeerderd met de gerechtelijke interest vanaf 31 december 2002 tot op datum van volledig terugbetaling.**

De rechtbank verwijst verweerder in de gerechtskosten van deze procedure en stelt die kosten als volgt vast:

aan de zijde van eiseres:

\- dagvaardingskosten: 311,64 euro

\- rechtsplegingsvergoeding: 342, 09 euro

terwijl de kosten aan de zijde van verweerder niet moeten vastgesteld worden vermits ze door hem zelf moeten gedragen worden.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op vijfentwintig mei tweeduizend en vier.

De rechtbank is als volgt samengesteld:

D. V., alleenrechtsprekend rechter

A. V., griffier

A. V.

D. V.

## Textes cités

6

[CTVA art. 11](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-11) 24 occurrences

[AR no 3 art. 10](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c) 1 occurrence

[AR no 3 art. 11](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-article-11-046b) 1 occurrence

[AR no 3 art. 9](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c) 1 occurrence

[CTVA art. 18](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-18) 1 occurrence

[CTVA art. 91](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Droit à déduction, Révision des déductions](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-revision-deductions-exercer-tribunal-hasselt-2019-06-5fa8) 3 dispositions communes

[Champ d'application, livraison de biens, opération imposable, service](https://juriel.be/fr/jurisprudence/champ-application-livraison-biens-operation-cour-appel-anvers-2007-03-27-5846) 3 dispositions communes

[Taux réduit, Fourniture de nourriture et boissons](https://juriel.be/fr/jurisprudence/taux-reduit-fourniture-nourriture-boissons-cour-appel-liege-2021-02-19-0689) 2 dispositions communes

[Séminaire, Différents taux de TVA](https://juriel.be/fr/jurisprudence/hotel-seminaire-differents-taux-tva-tribunal-2026-04-20-0f2e) 2 dispositions communes

[Droit à déduction, Déduction de la TVA historique, Assujettissement](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-tva-historique-assujettissement-cassation-bruxelles-2024-01-11-33d5) 2 dispositions communes

[Droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-conditions-formelles-materielles-tribunal-2023-05-19-3638) 2 dispositions communes

[Conseil, Intention frauduleuse, Lieu de prestation](https://juriel.be/fr/jurisprudence/conseil-intention-frauduleuse-lieu-prestation-cour-appel-bruxelles-2025-03-19-39e9) 2 dispositions communes

[Droit de déduction, Révision du droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-revision-biens-investissement-cour-appel-anvers-2026-02-17-4725) 2 dispositions communes
