---
title: "Calcul du chiffre d&#x27;affaires, Prélèvement · Cour d&#x27;appel de Gand, 14 juin 2022"
description: "Calcul du chiffre d'affaires, Prélèvement, Valeur probante de la comptabilité. Cour d'appel de Gand (Belgique), 14 juin 2022."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/calcul-chiffre-affaires-prelevement-valeur-cour-appel-gand-2022-06-14-bf26"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Calcul du chiffre d'affaires, Prélèvement

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Gand

**Date**

14 juin 2022

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

**Sens lu par le SPF**

mixte

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

281 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d’appel de Gand du 14.06.2022

WF 708-15-19/010110

\[Arrêt mixte\]

*Taxe sur la valeur ajoutée - Calcul du chiffre d'affaires - Prélèvement - Valeur probante de la comptabilité - Avantages sociaux à caractère collectif*

## Dispositions légales

Articles [12, §1er, 1°](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-12), [59](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-59) et [64](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-64) du Code de la TVA

Décision E.T. n° 29.256 du 10 août 1978

## Résumé

1) Les faits et les antécédents de procédure

L’assujettie exploite un établissement de restauration. Lors d'un contrôle, deux types d'infractions ont été constatés. D'une part, il a été constaté qu'un certain nombre de factures entrantes avaient été comptabilisées à deux reprises et que la TVA qui les grevait avait également été déduites deux fois. D'autre part, il a été constaté que le chiffre d'affaires réalisé n'avait pas été déclaré dans sa totalité.

Le litige porte sur cette dernière infraction. Lors du contrôle, une modification de la marge bénéficiaire par année civile avait été constatée. Par conséquent, le calcul du chiffre d'affaires a été effectué sur la base des boissons achetées et de l'inventaire. En outre, il a été constaté lors du contrôle que les commandes étaient transmises à la cuisine soit par voie électronique et soit par le biais de bons de commandes manuscrits. Cependant, l’assujettie n'a pas conservé les bons de commandes manuscrits. En outre, l'administration a constaté que l'inventaire n'avait pas de valeur probante, que les consommations gratuites offertes n'étaient pas inscrites dans la caisse enregistreuse et qu'aucun registre n'était tenu concernant les consommations propres du gérant, de son épouse et de son personnel.

Durant la procédure de contrôle, la partie adverse a formulé un certain nombre d'arguments critiquant la majoration du chiffre d'affaires. Sur la base de certains de ces arguments, l'administration a réduit la majoration du chiffre d'affaires. Malgré ces contre-arguments, l'administration a estimé qu'il y avait toujours lieu d'appliquer une taxe supplémentaire. Aucun accord n'a pu être trouvé avec l’assujettie à ce sujet. L'administration a donc dressé un procès-verbal. La partie adverse a déposé une requête contre cette décision auprès du tribunal de première instance. Le tribunal a toutefois déclaré la demande de la partie adverse recevable mais non fondée. L’assujettie a fait appel de ce jugement.

2) L'arrêt de la Cour d'appel

*\* Majoration du chiffre d'affaires*

Dans son arrêt, la cour d'appel examine longuement les arguments factuels invoqués par l’assujettie concernant la majoration du chiffre d'affaires. Par ailleurs, la cour confirme que rien n'empêche l'administration de rejeter le chiffre d'affaires déclaré par l’assujettie et mentionné dans sa comptabilité sans devoir démontrer au préalable que celle-ci n'a pas de valeur probante. En l'espèce, ce n'est que dans un procès-verbal complémentaire que l'administration a invoqué pour la première fois le fait que la comptabilité de l’assujettie n'avait pas de valeur probante.

Enfin, la cour a jugé que le fait que la majoration du chiffre d'affaires ait été recalculée à plusieurs reprises ne la rendait pas arbitraire. En définitive, la cour conclut que la majoration du chiffre d'affaires a été correctement calculée.

*\* Avantages sociaux à caractère collectif accordés aux membres du personnel*

Lors du calcul du chiffre d'affaires, l'administration a pris en compte un montant pour la consommation personnelle de boissons par le personnel. La consommation de ces boissons a ensuite été assimilée par l'administration à une livraison à titre onéreux sur la base de l'[article 12, §1er, 1° du Code de la TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-12). Par conséquent, selon l'administration, une TVA de 21% était due sur le prix d'achat des boissons. À cet égard, la cour a estimé que l'administration aurait alors dû poursuivre son raisonnement concernant les consommations gratuites en tant qu’avantage social à caractère collectif. Selon la cour, l'administration aurait dû appliquer la tolérance administrative sur les avantages sociaux admise par l’administration dans la décision n° ET 29.256 du 10 juillet 1978. Par conséquent, aucune TVA n'est due sur les consommations gratuites offertes au personnel.

Enfin, la cour souligne que les consommations gratuites offertes au gérant et à son épouse ne rentrent pas dans le cadre de l'application de cette décision.

**Texte de l’arrêt**

***L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale***

### Corps de la décision

**Hof van beroep Gent, vijfde kamer**

Arrest van 14.06.2022

Rol: 2021/AR/424

In de zaak van:

**O. N.V.,** ON 045...29, met maatschappelijke zetel te …, appellante, hebbende als raadsman mr. …

**tegen**

**BELGISCHE STAAT/ FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN**, ON 0308.357.159, Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Adviseur-Generaal KMO Centrum Brugge, met burelen te 8000 BR UGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. …

wijst het hof het volgend arrest:

## 1. De procedure voor het hof

Bij verzoekschrift van 10 maart 2021 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, tiende kamer, op 4 januari 2021 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 19/2902/A, waarvan niet blijkt dat het zou zijn betekend.

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 17 mei 2022, waarna het debat werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak in beraad.

Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

## 2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure

De appellante exploiteert een taverne-restaurant aan de kust. Zij is daarvoor geregistreerd als btw-belastingplichtige.

Op 9 oktober en 27 november 2017 hebben twee controleagenten van de geïntimeerde na afspraak een bezoek gebracht aan het kantoor van de boekhouder van de appellante om er de toepassing door de appellante van de wetgeving en de reglementering inzake zowel de btw als de inkomstenbelastingen te controleren. De controle had betrekking op de kalenderjaren 2014 en 2015.

Op 27 november 2017 werden krachtens [artikel 61, § 2, eerste lid, WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-61), de aankoopfacturen van het jaar 2015, kastelbanden en kastickets meegenomen. Die stukken werden op 15 februari 2018 teruggegeven aan de boekhouder van de appellante.

Wat de btw betreft werd geoordeeld dat er twee afzonderlijke soorten inbreuken werden begaan door de appellante.

Een eerste inbreuk bestond erin dat de appellante in haar boekhouding in het jaar 2015 drie inkomende facturen tweemaal ingeschreven had. Het ging om een maatstaf van heffing van 10.044,26 euro waarop 722,33 euro aan btw vermeld staat, btw die ze ten onrechte tweemaal heeft afgetrokken.

Een tweede inbreuk bestond uit het onvolledig aangeven van de gerealiseerde omzet in 2015. Na eerst te hebben vastgesteld dat er een wijziging was in de winstmarge, hebben de controleagenten een berekening gemaakt van de vermoede omzet wat de dranken betreft (met uitsluiting van de omzet inzake maaltijden). Zij zijn daartoe vertrokken van de aankopen van drank en de uit de inventaris blijkende voorraadwijzigingen. Aanvankelijk werd een berekening gemaakt in een bericht van wijziging van de aangifte wat de vennootschapsbelasting betreft van 20 februari 2018, maar de appellante liet weten daarmee niet akkoord te kunnen gaan. Voor de btw werd in het aanvankelijk proces-verbaal van 20 november 2018 daarover het volgende genoteerd:

Op grond van voormeld [artikel 59, § 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-59) en [64, §§ 1 en 2](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-64) van het Btw-Wetboek, heeft de administratie, voor het ;aar 2015, de belastbare output (omzet), exclusief btw, berekend op basis van de input. Het gewijzigd omzetcijfer werd bekomen door een uitsplitsing te verrichten van de verkochte aankopen met betrekking tot de dranken. De omzet werd bepaald door die verkochte aankopen te vermenigvuldigen met de prijzen volgens de ter beschikking gestelde prijslijsten van de dranken.

Naar aanleiding van het niet akkoord dd. 19 maart 2018 op het bericht van wijziging inzake directe belastingen van 20 februari 2018 werd rekening gehouden met de volgende elementen bij de omzetberekening:

Verkochte wijnen: er wordt gerekend op basis van 5 glazen uit een fles, behalve voor de duurdere wijnen. Vermits er geen prijzen/ijst werd ter beschikking gesteld van de duurdere wijnen, werd hiervoor de prijs gerekend van de huiswijn, 19,00 euro.

Gezien bier ook wordt gebruikt voor bijvoorbeeld de bereiding van stoofvlees, wordt rekening gehouden met een verlies van 8%.

Berekening voor aperitief en sterke drank: voor aperitief wordt gerekend op basis van 8 consumpties op een fles van 75 cl, op een fles van 1 1 wordt gerekend op basis van 11 consumpties. Voor sterke dranken wordt gerekend aan 18 consumpties per fles van 11.

Flessenfrisdrank van 1,5 1: er wordt rekening gehouden met 7 consumpties per fles Koffiemachine: er wordt rekening gehouden met slechts 125 consumpties

Hieronder volgt de volledige uitsplitsing van de facturen met betrekking tot de dranken aangekocht in het jaar 2015. Er werd rekening gehouden met de aangekochte hoeveelheden op factuur (kolom 1), daarna werd de voorraad verrekend (beginvoorraad opgeteld, eindvoorraad afgetrokken) - zie kolommen 2 en 3, zodat in kolom 4 de verkochte hoeveelheden terug te vinden zijn. De omschrijving van de aangekochte drank werd vermeld in kolom 5. In kolom 6 zijn het aantal eenheden en in kolom 7 het totaal verkochte eenheden opgenomen. De verkoopprijs per eenheid (kolom 8) werd vermenigvuldigd met het totaal aantal verkochte eenheden, zodat

in kolom 9 de totaal verwezenlijkte omzet inclusief btw terug te vinden is. De gerealiseerde omzet exclusief btw is opgenomen in de laatste kolom.

... \[volgt: een gedetailleerd overzicht per soort drank\] ...

De aldus berekende omzet (exclusief btw) wordt vervolgens vergeleken met de omzet aangegeven in de ingediende btw-aangiften.

Jaar 2015 herberekende omzet dranken, exclusief 21% btw: 361.097,98

aangegeven omzet aan 21 % btw: -280.152,72

nog te belasten omzet aan 21 %: 80.945,26

**Verschuldigde btw**:€ 80.945,26 x 21 % = € **16.998,50**

Op 11 oktober 2018 was blijkbaar o.a. de volgende vaststelling opgenomen in een proces­ verbaal: (waarin PLU staat voor 'price look-up', zijnde (de weergave van) een in het kassasysteem ingevoerd te koop aangeboden product met zijn welbepaalde prijs).

Mevrouw SE. (bestuurder) verklaarde dat er bij het intikken in de kassa automatisch een ticket in de keuken wordt geprint met te bereiden items. Tussen deze geprinte bonnen bevonden zich eveneens geschreven bonnen. Mevrouw SE. verklaarde dat deze door haar werden geschreven. Ze verklaarde de bestelling op te nemen op een blaadje en dit op die manier door tegenaan de keuken. Volgens haar tikt de serveerster dit nadien in de kassa bij de afrekening van de tafel. De geschreven bonnen van de vorige dagen konden niet worden voorgelegd. Deze worden weggegooid tot de Z afsluiting is gemaakt. Er werd op gewezen dat deze bonnen moeten bewaard blijven.

Er werd gevraagd een x totaal te maken waarop alle verkochte goederen tot op dit moment samengevat waren (PLU's X1 genaamd). Deze totalen werden vergeleken met de geschreven bonnen 8 in totaal, namelijk:

1) 2 x vispan

2) Americain en steak champ 2 x dag

4) 2 x dag

5) 2 x mossel

6} 2 x mossel

7) Mossel prof en tong

8) Mos look en mos prof

Op de PLU's X1 is er geen steak champ vermeld en slechts 1 vispannetje. Hiermee geconfronteerd verklaarde mevrouw SE. dat deze bonnetjes niet van vandaag waren.

Volgende bonnen verklaarde mevrouw SE. waren wel van vandaag:

5) 2 x mossel

6) 2 x mossel

7} Mossel prof en tong

8) Mos look en mos prof

Dus zeven porties mosselen waarvan 4 natuur (20,00 EUR) en 3 speciale (24,00 EUR). Er werden 3 natuur teruggevonden aan 20,00 EUR en één speciaal aan 24,00 EUR.

Er moest blijkbaar nog één bon 2xmosselen ingetikt worden aangezien de mensen nog aan de toog zaten en er nog niet was afgerekend.

Jets later werd opnieuw gevraagd om een PLU's X1 af te drukken. Het aantal mosselen natuur was met twee gestegen. Derhalve werden er 5 mosselen natuur teruggevonden aan 20,00 EUR en één speciaal aan 24,00 EUR.

Er werden blijkbaar maar 6 porties ingetikt i.p.v. 7, hiervoor was geen verklaring.

De ander twee speciale aan 24,00 EUR waren ingetikt onder mosselen natuur aan 20,00 EUR verklaarde mevrouw SE., maar kon hiervan geen bewijs leveren.

Bij de bestelling van een koffie buiten werd een ticket afgeleverd. Even later bij een bestelling binnen van een koffie werd geen ticket afgeleverd. Verklaring volgens mevrouw SE.: "het werd ingetikt maar niet afgegeven".

De geïntimeerde heeft de berekening uit het proces-verbaal van 20 november 2018 gebruikt voor de vestiging van een aanslag in de vennootschapsbelasting op naam van de appellante, maar de appellante tekende bezwaar aan.

De geïntimeerde oordeelde vervolgens dat met een aantal elementen uit het bezwaar kon rekening worden gehouden, ook wat de btw betreft, maar dat er nog steeds reden was tot naheffing, mede op grond van de vaststellingen over de inventaris. Tegen die achtergrond heeft de controleagent een aanvullend proces-verbaal opgemaakt op 19 september 2019. Daarin staat (o.a.) het volgende:

Essentieel element om de bewijskracht van de boekhouding vast te stellen is de inventaris. Een inventaris die niet overeenstemt met de werkelijkheid is een element dat het niet-bewijskrachtig karakter van de boekhouding kan aantonen.

Sangria: beginstock per 01.01.2015: nihil, gedurende het jaar 2015 geen aankopen, eindstock per 31.12.2015 = 36 x3 liter. Verklaring belastingplichtige:

> "Op 07/06/2014 werd een zeer grote levering gedaan van Sangria. Deze bestelling had plaatsgevonden door het feit dat er uitzonderlijke korting werd gegeven (3 euro per liter in plaats van 5 euro). Deze factuur, opgenomen in de boekhouding op 07/06/2014 onder het nummer 201400403, betrof 144 dozen van 5 liter, gestapeld op 4 paletten. Door plaatsgebrek werden deze paletten geplaatst in het gehuurde magazijn waar het terras in de winter wordt opgeslagen. Dit is de reden waarom de sangria niet in de inventaris van 2014 is opgenomen.
>
> Ter info: de eerstvolgende levering van sangria was pas op 06/05/2017, opgenomen in de boekhouding onder nummer 201700317."

Er werd dus een grote hoeveelheid niet opgenomen in de inventaris. Men spreekt van dozen van 3 liter en 5 liter door elkaar.

Verder werd vastgesteld dat van de 143 verkochte artikelen, er bij 120 artikelen geen wijziging is in de voorraad, d.w.z. dat de beginstock gelijk is aan de eindstock. Dit is niet het geval voor bijvoorbeeld aangekochte sterke dranken, maar ook voor veel verkochte artikelen zoals frisdranken, wijnen, flessen bier en zelfs vaten bier.

Verder werd verklaard door belastingplichtige dat de gratis consumpties niet werden ingetikt in de kassa, nochtans een verplichting.

Dat er geen gegevens werden bijgehouden omtrent eigen gebruik en gebruik door personeel, nochtans een verplichting. Bovendien is het gebruik door personeel en van de grieven van belastingplichtige.

Deze elementen tonen aan dat de boekhouding niet bewijskrachtig is.

Op grond van voormeld [artikel 59, § 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-59) en [64, §§ 1 en 2](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-64) van het Btw-Wetboek, heeft de administratie, voor het jee: 2015, de belastbare output (omzet), exclusief btw, berekend op basis van de input. Het gewijzigd omzetcijfer werd bekomen door een uitsplitsing te verrichten van de verkochte aankopen met betrekking tot de dranken. De omzet werd bepaald door die verkochte aankopen te vermenigvuldigen met de prijzen volgens de ter beschikking gestelde prijslijsten van de dranken.

Naar aanleiding van het niet-akkoord dd. 19 maart 2018 op het bericht van wijziging inzake directe belastingen van 20 februari 2018 werd rekening gehouden met de volgende elementen bij de omzetberekening:

\- Verkochte wijnen: er wordt gerekend op basis van 5 glazen uit een fles, behalve voor de duurdere wijnen.

Vermits er geen prijzen/ijst werd ter beschikking gesteld van de duurdere wijnen, werd hiervoor de prijs gerekend van de huiswijn, 19,00 euro.

Gezien bier ook wordt gebruikt voor bijvoorbeeld de bereiding van stoofvlees, wordt rekening gehouden met een verlies van 8%.

Berekening voor aperitief en sterke drank: voor aperitief wordt gerekend op basis van 8 consumpties op een fles van 75 cl, op een fles van 1 I wordt gerekend op basis van 11 consumpties. Voor sterke dranken wordt gerekend aan 18 consumpties per fles van 11.

Flessen frisdrank van 1,5 /: er wordt rekening gehouden met 7 consumpties per fles. Koffiemachine: er wordt rekening gehouden met slechts 125 consumpties.

In het proces-verbaal van 20 november 2018 werd een nog te belasten omzet aangerekend van 80.945,26 euro en werd berekend dat een bedrag van 16.998,50 euro btw verschuldigd was.

Naar aanleiding van het administratief bezwaarschrift van 9 februari 2019 werden volgende elementen vastgesteld:

1\. Belastingplichtige kan niet aantonen hoeveel drank er in de keuken gebruikt wordt. Hij verwijst enkel naar de duizenden kilo's mosselen waarvan er regelmatig mosselen in de witte wijn verkocht worden. Bij de berekening werd tot op heden rekening gehouden met 12 liter witte wijn. Volgens belastingplichtige gaan er uit één fles wijn 8 porties mosselen in witte wijn. Dit betekent dat er rekening werd gehouden met 154 porties.

Voor 2015 werden geen gegevens voorgelegd met betrekking tot het aantal ingetikte verkochte porties. Voor de jaren 2016 en 2017 is ter info wel bekend hoeveel porties mosselen in de witte wijn werden ingetikt. Voor 2016 479 porties en voor 2017 325 porties. Gemiddeld 402 porties per jaar waarvoor 38 liter nodig waarvan reeds 12 opgenomen, nog 26 liter wijn nodig volgens deze benaderende info. Voor de berekening van de porties wordt een vast percentage van 10% in rekening gebracht bij wijze van tegemoetkoming (zie puntje 5).

2\. De sangria was niet opgenomen in de beginstock. Sangria is dus ook niet opgenomen bij de forfaitaire berekening. Op 31.12.2015 waren er 36 dozen van 3 liter sangria opgenomen in de stock. Belastingplichtige spreekt in de stock van dozen van 3 liter, terwijl men bij de aankoop van dozen van 5 liter spreekt.

Op 07.06.2014 wordt een aankoop gedaan van 720 liter sangria. Op 31.12.2015 is er nog 108 liter in stock. Dit betekent dat er over 2 seizoenen 612 liter werd verkocht. Bij de oorspronkelijke berekening van de meeromzet in het proces-verbaal van 20 november 2018 werd geen rekening gehouden met de verkoop van sangria, aangezien deze niet in de stock werd opgenomen. Redelijkerwijs mag men aannemen dat er in 2015 genoeg sangria werd verkocht (niet opgenomen in de berekening) om de witte wijn gebruikt in de mosselen met witte wijn te compenseren.

3\. Belastingplichtige stelt in zijn bezwaarschrift dat er geen rekening gehouden werd met het verbruik van personeel. Er waren 13 personeelsleden in voltijds equivalent (flexi-jobs en bestuurder niet inbegrepen), waarbij gemiddeld 1 consumptie per uur wordt verbruikt. In de boekhouding is hieromtrent niets weer te vinden. Tijdens de controle werd hier niets over vermeld en nergens wordt aangetoond dat er door het personeel één consumptie per uur wordt genuttigd.

Bovendien wordt de afname van het personeel gelijkgesteld met een levering onder bezwarende titel overeenkomstig [artikel 12, § 1, 10 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-12). Er is bijgevolg 21% btw op de aankoopprijs van de dranken verschuldigd. Met het oog op de voldoening van de verschuldigde btw moet de belastingplichtige die een handeling verricht die door [artikel 12](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-12) van het Wetboek met een levering wordt gelijkgesteld, op grond van de artikelen [3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-mesures-tendant-assurer-paiement-taxe-f40f#ar1-art3) en [4](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-mesures-tendant-assurer-paiement-taxe-f40f#ar1-art4), van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992, uiterlijk de vijftiende dag (vijfde werkdag tot 31.12.2012) van de maand na die waarin de belasting opeisbaar wordt over het geheel of een deel van de prijs, een stuk opmaken, waarop de vermeldingen bedoeld in [artikel 5, § 2](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-c6ca), van voormeld koninklijk besluit nr. 1, dienen voor te komen. Dergelijk stuk werd niet teruggevonden in de boekhouding

Volgens het sociaal secretariaat zijn er 12.239 gewerkte uren door het personeel. De meeste frisdranken (zoals cola) worden aangekocht in grote flessen en verkocht aan 2,00 euro (inclusief btw). Rekening houdende met de bewering van belastingplichtige aan één consumptie per uur, blijft een bedrag van 20.229,75 euro te belasten met btw (12.239 consumpties aan 2,00 euro = 24.478,00 euro, exclusief 21% BTW= 20.229,75 euro). Dit bedrag blijft onderworpen aan de btw.

4\. Teneinde elke discussie voor directe belastingen te vermijden en ook al wordt er in de boekhouding niets opgenomen over eigen gebruik van de bedrijfsleider ook al werden er geen voordelen alle aard aangegeven en werd dit ook niet opgeworpen tijdens de taxatiefase, maakt de administratie volgende berekening overeenkomstig het forfait voor eigen gebruik zaakvoerder en echtgenote: 300 liter x 2 x 4 consumpties x 2,00 EUR= 4.800,00 EUR, exclusief 21% BTW= 3.966,94 EUR. Ook deze afname wordt gelijkgesteld met een levering onder bezwarende titel overeenkomstig [artikel 12, § 1, 10 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-12). Er is bijgevolg 21% btw op de aankoopprijs van de dranken verschuldigd

5\. Noch in de controle fase, noch tijdens de administratieve geschillenfase legt belastingplichtige verantwoordingsstukken voor met betrekking tot het culinair gebruik van dranken, combinatieverkoop tegen lagere prijs, verbruik door het personeel, eigen gebruik en commerciële gestes. Ondanks de bewijsloze uiteenzettingen en geenszins bewezen argumenten van belastingplichtige, ondanks de weigering van belastingplichtige de nodige informatie te verstrekken, wordt een vast percentage van 10% in rekening gebracht bij wijze van tegemoetkoming weerhouden voor de berekening van alle andere alcoholische dranken dan bier in vaten en flessen. Aan dit percentage gaat inderdaad geen berekening vooraf Het is een meer dan redelijke aanname waarvan belastingplichtige wel kan beweren dat ze onvoldoende zou zijn, maar waarvan zij niet aantoont dat dit effectief het geval is.

74.052,62 EUR x 10% = 7.405,26 EUR. Bij de berekening van het verschuldigd bedrag aan btw wordt bijgevolg rekening gehouden met een vermindering van 1.555,10 euro

De globaal genomen 10% toegeving op de door belastingplichtige aangevoerde maar geenszins bewezen argumenten van culinair gebruik, combinatieverkoop tegen lagere prijs, verbruik door personeel en commerciële gestes, doet bij dit alles geen afbreuk aan de bewijsvoering van de belastingdienst. Zij kan inderdaad niet worden verschalkt op een tegemoetkoming (Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen 26 juni 2017 rolnr. 15/1137/A).

Op basis van voormelde elementen blijkt wat volgt voor het jaar 2016:

Initieel te belasten omzet aan 21%: 80.945,26 euro

In mindering te brengen omzet : 7.405,26 euro

Nog te belasten omzet na de administratieve geschillenfase: 73.540,00 euro

Verschuldigde btw {21%}: 15.443,40 euro

Samen met de ten onrechte afgetrokken btw wegens dubbel geboekte facturen (722,33 euro - zie hoger) verklaarde de geïntimeerde in dat proces-verbaal dus een hoofdsom aan btw verschuldigd van 16.165,73 euro.

Daarom werden de reglementair voorziene boeten aangerekend van respectievelijk 5% (36,12 euro) en 20% (3.088,68 euro), meer de interest.

Met een verzoekschrift van 12 november 2019 stelde de appellante haar vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge.

In het vonnis van 4 januari 2021 heeft de tiende kamer van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge als volgt uitspraak gedaan:

Verklaart de eis toelaatbaar doch ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, in haar hoofde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven en in hoofde van verweerder begroot op 0,00 EUR.

Het is tegen dat vonnis dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld.

## 3. De vorderingen van de partijen

### *3.1.* *De vordering van de appellante*

De appellante vraagt in hoger beroep aan het hof om:

Het ingestelde hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren.

Dienvolgens het bestreden vonnis d.d. 4 januari 2021 van de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, gekend onder ro/nummer 19/2902/A te vernietigen en opnieuw wijzende te hervormen als volgt:

#### In hoofdorde:

Te zeggen voor recht dat de vordering inzake btw, opgenomen in het proces-verbaal (RCIV 500...85) betreffende de gecontroleerde periode 01/2014 - 12/2015, meer de boete en de interesten, niet verschuldigd is.

#### In ondergeschikte orde:

Minstens voor recht te zeggen dat een bedrag van 5.081,31 EUR btw, meer de boete en de interesten, niet verschuldigd is, om reden dat de btw over de aangekochte dranken voor het verbruik tijdens de werkuren door personeelsleden, de zaakvoerder en diens echtgenote wel aftrekbaar zijn.

De Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, daarin inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding ten belope van het basisbedrag van 1.320 EUR voor wat betreft de eerste aanleg en 1.430,00 EUR voor wat betreft de aanleg in hoger beroep (voor in geld waardeerbare zaken tussen 10.000,01 EUR en 20.000,00 EUR), in toepassing van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en het uitvoeringsbesluit van 26 oktober 2007, evenals de bijdrage aan het Fonds voor juridische tweedelijnsbestand, in toepassing van de wet van 29 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand en het uitvoeringsbesluit van 26 april 2017, alsook tot de eventuele rolrechten (art. 269/lVI. W. Reg.).

### *3.2.* *De vordering van de\_geintimeerde*

De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:

Het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond te verklaren; Bijgevolg, het bestreden vonnis te bevestigen in al zijn beschikkingen;

Dienvolgens te zeggen voor recht dat de vordering inzake BTW, opgenomen in het proces­ verbaal met RCIV nummer 500...85, in hoofdsom, intresten en boeten geheel verschuldigd is;

Appellante tot de kosten van beide aanleggen te veroordelen, begroot aan de zijde van de Belgische Staat op 1.430,00 euro rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep.

Gezien geïntimeerde, de Belgische Staat in eerste aanleg zonder advocaat optrad, kan hij in graad van eerste aanleg geen recht laten gelden op een rechtsplegingsvergoeding.

## 4. De betwistingen en hun beoordeling

In essentie is er maar één betwisting, namelijk te weten of de geïntimeerde tot naheffing van btw kon overgaan wegens te weinig aangegeven omzet. Over het bedrag van 722,33 euro btw dat ten onrechte werd afgetrokken wegens het tweemaal inboeken van drie inkomende facturen bestaat geen betwisting.

Het is juist dat de geïntimeerde in het aanvullende proces-verbaal van 19 september 2019 (voor het eerst) heeft ingeroepen dat de boekhouding van de appellante niet bewijskrachtig is. Zoals de geïntimeerde zelf stelt en ook door de eerste rechter is bijgetreden, belet niets de geïntimeerde de door de belastingplichtige aangegeven en in diens boekhouding opgenomen omzet te weerleggen zonder (eerst) te bewijzen dat (en dus aan te duiden op grond van welke (andere) redenen) die boekhouding niet bewijskrachtig is. In het bijzonder kan de geïntimeerde het bewijs leveren met alle middelen behalve de eed dat de omzet die in de boekhouding en de btw-aangiften opgenomen is, niet met de werkelijkheid overeenstemt zodat er een meeromzet is (lees zwarte omzet) waarop de belastingplichtige geen aan te geven btw heeft aangegeven en aan de Schatkist betaald.

Dat is precies wat de geïntimeerde hier gedaan heeft, meer bepaald voor het gedeelte van de omzet van de appellante die bestaat uit de verkoop van dranken (dus met uitsluiting van de verkoop van maaltijden).

De vraag is nog of de geïntimeerde een deugdelijk bewijs van de door hem aangevoerde meeromzet levert.

Het hof overloopt hierna de diverse kritiek die de appellante op de door de geïntimeerde gevolgde werkwijze formuleert en komt tot de vaststelling dat het bewijs van de geïntimeerde afdoende geleverd is.

• De kritiek van de appellante met betrekking tot de berekening van de winstmarges en de evolutie van jaar tot jaar is niet relevant. De geïntimeerde heeft zich immers op die (al dan niet gewijzigde) winstmarges niet gesteund om de meeromzet te berekenen. Hij heeft dus geen winstmarge van een ander (vorig) jaar toegepast op het betreffende jaar 2015.

• De appellante acht het ten onrechte onmogelijk dat de geïntimeerde zich voor de berekening van de omzet steunt op de 'forfaitaire regeling inzake caféhouders'.

\- Het is zeker waar dat de appellante geen caféhouder is maar een restaurant/taverne exploiteert. Evenwel heeft de herberekening van de omzet die de geïntimeerde heeft gemaakt enkel betrekking op de verkoop van dranken met uitsluiting van de verkoop van maaltijden. De forfaitaire regeling inzake caféhouders bevat parameters over de verhouding tussen de aangekochte dranken en de gemiddelde omzet die een horeca-uitbater daaruit kan realiseren. De berekening die daarmee gemaakt wordt (en door de geïntimeerde hier gemaakt werd) is gesteund op de concrete vaststaande verkoopprijs in de betreffende horecazaak. Ook al is het zeker dat die forfaitaire regeling uitgaat van gemiddelden en dus niet van een exacte en/steeds voorkomende verhouding tussen aankoop en verkoop, toch is dat een voldoende objectieve en betrouwbare feitelijke basis waarop een bewijs met vermoedens kan gesteund worden. Het nuttig gebruik van die basis is dan gewoon afhankelijk van de mate waarin correcties worden aangebracht om de specifieke kenmerken van de uitbating van de gecontroleerde belastingplichtige te verrekenen. Op die manier kan de willekeur uit de berekening worden geweerd.

\- Anders dan wat de appellante aanvoert heeft de Raad van State in zijn arrest van 17 september 2021 de forfaitaire regeling inzake caféhouders niet vernietigd wegens inhoudelijke onjuistheden van die regeling (zoals het aantal pinten dat uit een vat kan worden getapt, enz.), maar omdat de vormvoorwaarden niet gerespecteerd werden: de administratie had de forfaitaire regeling volgens de Raad van State, gezien haar reglementair karakter, aan de afdeling Wetgeving van de Raad van State moeten voorleggen en vervolgens in het Belgisch Staatsblad moeten publiceren, alvorens ze van kracht kon worden; dat is niet gebeurd omdat de administratie die regeling als een administratieve bepaling beschouwde.

\- Waar de appellante er zich op beroept dat door een gerechtsdeurwaarder is vastgesteld dat het onmogelijk is om, zoals in de forfaitaire regeling inzake caféuitbaters wordt aangenomen, uit een biervat van 50 liter 192 pinten te tappen, maar slechts 168, blijkt uit de reacties in de pers (stuk 23 van de appellante) dat dit vooral wil zeggen dat dit nogal afhankelijk is van de omstandigheden en de manier waarop wordt getapt. Zo werd bij de vaststelling door de gerechtsdeurwaarder elke pint blijkbaar getapt 'zoals het hoort' om het best mogelijke resultaat te bekomen (waarbij er zowel verlies is omdat je eerst het bier (naast het glas) laat vallen en zoveel bier moet tappen dat je op het einde ook nog kan afschuimen. Dat dit op die manier bij de appellante zo werd gedaan, is met niets bewezen. Houdt een cijfer van 192 rekening met 4% verlies, dan heeft de geïntimeerde bij zijn berekening een verlies van twee keer zoveel, namelijk 8% ingerekend. Op die manier werd op ruime wijze tegemoet gekomen aan deze kritiek van de appellante op het forfait. Tegelijk werd daarmee rekening gehouden met het feit dat de tapleidingen regelmatig schoongemaakt zouden moeten worden, waarvan ook niet bewezen is dat de appellante die werkwijze in acht nam. Dat het verlies 10% zou zijn, is niet geobjectiveerd.

Ook voor de andere dranken is de geïntimeerde tegemoetgekomen aan de kritiek van de appellante. Concreet werden de volgende aanpassingen gemaakt in vergelijking met de forfaitaire regeling:

\* 5 glazen per fles wijn in plaats van 6 glazen;

\* 8 consumpties per fles aperitief van 75 cl in plaats van 9 consumpties;

\* 11 consumpties per fles aperitief van 11 in plaats van 12 consumpties;

\* 18 consumpties per fles sterke drank van 11 in Rlaats van 20 consumpties;

\* 7 consumpties per fles frisdrank van 1,51 in plaats van 8 consumpties;

\* 125 consumpties koffie in plaats van 142.

Daarnaast heeft de controleagent in de berekening geen rekening gehouden met de aankoop van advocaat, werd voor Amer Picon bij iedere verkochte portie rekening gehouden met een portie witte wijn (picon au vin blanc op de prijslijst) zodat 92 flessen witte wijn in mindering werden gebracht, werd niet met de aankoop van een fles champagne geen rekening gehouden en evenmin met 4,5 liter Whisky Jameson en Safari exotic fruits.

\- Ten onrechte acht de appellante zich benadeeld door het feit dat flessen wijn alle werden beschouwd als zijnde verkocht per fles. In dat verband moet de geïntimeerde immers worden bijgetreden in zijn stelling dat dit gunstiger is voor de appellante ook al geeft de prijs per glas een (iets) grotere winstmarge, zeker als je uit een fles 7 glazen wijn haalt (wat kennelijk mogelijk is). De stelling van de appellante gaat uit van een gemiddelde van 6 aa.ntal glazen wijn uit een fles, wat de reden is van het feit dat ze de redenering van de geïntimeerde onlogisch (en daarom willekeurig) vindt. Aangezien het niet uitgesloten is om meer dan 6 glazen wijn uit een fles te halen (maar bijv. ook gemiddeld 6,5), is de aanname van de geïntimeerde op zich niet willekeurig. Bovendien (en vooral) heeft de geïntimeerde voor de duurdere wijnen de prijs gerekend van de huiswijn (de goedkoopste) omdat de appellante nagelaten heeft een prijslijst van de andere wijnen voor te leggen.

\- Terecht laat de geïntimeerde gelden dat het enkele feit dat appellante glazen van lee Tea van 33 cl heeft, dat ze die drank uit die glazen te koop aanbiedt, of toch al zeker niet aan de prijs die in haar prijzenlijst staat.

\- De bewering van de appellante dat Fever Tree steeds geserveerd wordt samen met Lillet Wit als cocktail, zonder dat een aparte prijs wordt aangerekend voor de frisdrank, kan niet worden gecontroleerd, nu de voorgelegde prijslijst (stuk 18 app.) die dranken niet vermeldt, kennelijk zelfs niet de beweerde cocktail (de prijslijst maakt enkel melding van 'cocktail maison' zonder dat is vermeld op basis van welke drank(en) deze gemaakt is).

\- De appellante roept in dat voor de bereidingen van bepaalde maaltijden drank gebruikt wordt (mosselen in witte wijn, stoofvlees), maar de geïntimeerde heeft op het einde van haar berekening nog eens extra verlaging van de omzet met 4% doorgevoerd. Dat is in de gegeven omstandigheden een gepaste manier om aan die opmerking tegemoet te komen. Een concrete mate waarin met 'drank verwerkt in maaltijden' moet rekening gehouden worden kon de geïntimeerde immers uit de boekhouding van de appellante niet afleiden. Voor 2015 werd het aantal ingetikte verkochte schotels stoofvlees niet voorgelegd. De geïntimeerde had enkel informatie over de jaren 2016 en 2017, waarbij volgens de geïntimeerde zonder dat dit door de appellante wordt tegengesproken gebleken is dat er geen verkopen van stoofvlees werden ingetikt in 2016, en slechts één portie voor 2017 ingetikt werd maar terug in min gezet, waardoor het saldo nul was. Waar de appellante inroept dat stoofvlees sedertdien in de kassa werd ingetikt als dagschotel, is dat weliswaar mogelijk, maar de appellante gaat er kennelijk aan voorbij dat zij op die manier het omgekeerde doet van wat verwacht wordt van een bewijskrachtige boekhouding: namelijk het zo objectief mogelijk onderbouwen van de geboekte ontvangsten op een manier dat een buitenstaander de beweringen van de belastingplichtige kan controleren (falsifiëren). Bij gebrek aan enige controlemogelijkheid, laat de geïntimeerde terecht gelden dat zij een redelijk aannemelijke correctie heeft doorgevoerd door de extra aftrek van 4% in aanmerking te nemen wat de bereiding van het stoofvlees betreft.

Eenzelfde vaststelling wordt gedaan met betrekking tot het feit dat de appellante inroept regelmatig mosselen in witte wijn te verkopen: ook hier heeft de appellante niet aangetoond om welke omvang het gaat. Tegen die achtergrond is het redelijk verantwoord dat de controleagent voor de taxatie rekening gehouden heeft met 12 liter witte wijn. Rekening houdend enerzijds met het feit dat voor het betreffende jaar 2015 geen verkoop van sangria in de omzet werd opgenomen (omdat die niet in de stock was opgenomen) en anderzijds de vaststelling dat uit de info voor de jaren 2016 en 2017 met betrekking het gebruik van wijn in mosselen kon aangenomen worden dat 26 liter wijn extra te verantwoorden viel, heeft de geïntimeerde nog een bijkomende aftrek toegepast. Die correctie werd ondervangen door in het algemeen nog een vermindering van 10% toe te passen.

Aangezien het resultaat van de (al aan de bewezen kritieken aangepaste) omzetberekening hoe dan ook nog een belangrijk bedrag vertegenwoordigde, is een extra vermindering van 10% een belangrijke toegeving. De appellante zal als ondernemer nochtans weten dat bijv. een rendementsverschil van 10% op jaarbasis vanuit economisch oogpunt een substantieel verschil maakt.

\- De opmerking over gebruik van Fine Bressac in pepersaus (op zich niet bewezen) en van Madeirawijn in Madeirasaus slaat op zeer kleine bedragen en is ook ondervangen door die algemene vermindering met 10%.

\- Hetzelfde geldt voor traktaties aan vertegenwoordigers van leveranciers en adviseurs. Dat aan vaste klanten een gratis consumptie wordt aangeboden, wordt met niets aangetoond en is voor zover het hof bekend is, ook geen algemeen gebruik. Indien de appellante al een dergelijke gewoonte zou hebben, dan moet ook met die opmerking geacht te zijn rekening gehouden door de algemene vermindering met 10%.

\- Hetzelfde geldt voor de opmerking tussen het verschil in het aantal consumpties dat uit een fles Calvados van 100 cl en 70 cl kan geschonken worden. Het gaat trouwens om een mineur verschil in het geheel.

\- In die 10% zit ook een tegemoetkoming voor het feit dat er af en toe combinatieverkopen zijn (bijv. koffie met gebak, cava als deel van een menu, drankenforfaits tijdens feesten of themabuffetten, verjaardagactie). Ook in dat verband kon de appellante geen concrete cijfers (aantallen en omvang) voorleggen. Hetzelfde geldt voor verlies wegens 'verkeerde bestellingen' en 'gevallen plateaus'.

Deze algemene bijkomende vermindering is in de gegeven omstandigheden (geen informatie in de boekhouding van de appellante) redelijk verantwoord en niet willekeurig.

Overigens, dat fruitsap samen met bepaalde sterke dranken wordt geschonken en dat het huisaperitief gemaakt wordt met London Dry Gin en Marie Galante, is nog geen reden om aan te nemen dat voor die dranken een te hoog omzetcijfer is vermeld. Het gaat in elk geval telkens om een combinatie van drank met drank en dat de prijs voor de gecombineerde consumpties lager zou zijn dan wanneer hetzelfde volume apart zou worden verkocht (zoals in de berekening van de geïntimeerde is aangenomen), blijkt uit niets en moet ook niet worden vermoed.

Dat de geïntimeerde in de loop van het geschil (chronologisch eerst wat de vennootschapsbelasting betreft) meerdere keren de berekening heeft bijgesteld, maakt de berekening niet willekeurig. Het tegendeel is zelfs waar aangezien de bijstelling van de berekening gebeurde om tegemoet te komen aan de opmerkingen van de appellante. Wat de appellante blijkbaar niet beseft, is dat het verschil tussen haar aangegeven omzet en (zelfs de uiteindelijke, verminderde) omzet zoals door de geïntimeerde berekend, nog een betekenisvolle omvang heeft, waardoor ze slecht gekomen is om de geïntimeerde te verwijten dat ze geen (voldoende) precieze omzet kan bepalen; het staat immers vast dat de appellante zelf aan de basis ligt van het feit dat haar eigen omzet onjuist is.

De appellante roept in dat rekening moet worden gehouden met het feit dat het personeel (met inbegrip van de zaakvoerder) gratis drank consumeert tijdens de werkuren. Zoals de geïntimeerde met reden laat opmerken, is dat voor de vennootschapsbelasting zelfs in bijzonder hoge mate gebeurd door mee te gaan met de stelling van de appellante als zou het personeel gemiddeld één consumptie per gewerkt uur drinken. Rekening houdende met de verkoopprijs, namelijk de meeste frisdranken (zoals cola) worden aangekocht in grote flessen en verkocht aan 2,00 euro (inclusief btw) en voor de officieel geregistreerde werkuren van het personeel, namelijk 12.239 uren, heeft de geïntimeerde voor evenveel consumpties aan 2,00 euro een bedrag van 24.478,00 euro in aanmerking genomen, zijnde 20.229,75 euro exclusief 21% btw. Zoals de geïntimeerde stelt, is dat een groot bedrag, maar werd het in zijn berekening toch in zijn omzetberekening afgetrokken. De berekening van de geïntimeerde is met andere woorden op dat vlak bijzonder toegeeflijk. In wezen had de appellante die gratis consumpties als 'onttrekkingen' moeten bijhouden. Door dat niet te doen, laat ze de geïntimeerde geen andere keuze om een bedrag te ramen; feitelijk heeft de appellante daar dus haar voordeel mee gedaan wat de vennootschapsbelasting betreft.

Van dan af, had de geïntimeerde consequent moeten zijn en ook voor de btw de gebruikelijke administratieve toegeving moeten doen voor 'sociale voordelen\\ Hoewel op onttrekkingen krachtens [artikel 12, §1, 1° WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-12) ('voor privédoeleinden van het personeel') in de regel btw verschuldigd is (zodat die gratis consumpties wel degelijk in de kassa moeten worden ingetikt), is de geïntimeerde er hier duidelijk van uitgegaan dat er sprake is van een collectief sociaal voordeel bestaande uit het gratis aanbieden van drank aan het personeel. De appellante kan zich wel degelijk beroepen op de administratieve toegeving wat betreft collectieve sociale voordelen (zie Besl. nr. E.T. 29.256 van 10 augustus 1978.

Hetzelfde geldt niet voor de gratis consumptie van dranken door de zaakvoerder en zijn echtgenote. Ook al werd in de boekhouding niets opgenomen over eigen gebruik van de zaakvoerder en al werden geen voordelen alle aard aangegeven, heeft de geïntimeerde bij . de berekening van de vennootschapsbelasting een bedrag voor dat eigen gebruik in mindering gebracht: 300 liter x 2 x 4 consumpties x 2,00 euro= 4.800,00 euro, exclusief 21% btw= 3.966,94 euro.

Ook hier geldt dat [artikel 12, §1, 1° WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-12) met zich brengt dat over dat bedrag btw verschuldigd is (833,06 euro), maar er is geen administratieve toegeving toepasselijk. Voordelen voor de zaakvoerder (en zijn echtgenote) vallen niet onder 'collectieve sociale voordelen'. De administratieve toegeving uit Besl. E.T. 29.256 van 10 augustus 1978 moet beperkt worden uitgelegd.

Uit het bovenstaande blijkt dat het hoger beroep van de appellante alleen gegrond is voor wat de btw betreft op de gratis aan het personeel aangeboden dranken. Het gaat om (20.229,75 x 21%=) 4.248,25 euro.

## 5. De gerechtskosten

### *5.1.* *De gerechtskosten voor de eerste aanleg*

Gelet op het wederzijds gelijk en ongelijk van de partijen worden de kosten in eerste aanleg ten laste van de appellante gelegd voor drie vierden en ten laste van de geïntimeerde voor een vierde.

*5.1.1.* *Wat het rolrecht betreft*

Het rolrecht is vrijgesteld (belastingen (art. 162, 4° + 279/1 Wb.Reg.)).

*5.1.2.* *Wat de rechtsplegingsvergoeding\_betreft*

De vordering in eerste aanleg is in geld waardeerbaar. De rechtsplegingsvergoeding wordt geïndexeerd op datum van de uitspraak (04/01/2021). De waarde van de vordering bevindt zich in de schijf van 10.000,01 tot 20.000,00 euro. Omdat slechts 1 partij een advocaat heeft, moet de partij zonder advocaat (de geïntimeerde), rechtsplegingsvergoeding betalen. De geïntimeerde moet maar een vierde van het gekozen bedrag betalen.

Na indexatie is het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding gelijk aan 1.320,00 euro. Er is geen reden om af te wijken van het basisbedrag.

De geïntimeerde is aan de appellante als rechtsplegingsvergoeding een bedrag verschuldigd van 330,00 euro.

### *5.2.* *De\_gerechtskosten voor het hoger beroep*

Gelet op het wederzijds gelijk en ongelijk van de partijen worden de kosten in hoger beroep ten laste van de appellante gelegd voor drie vierden en ten laste van de geïntimeerde voor een vierde.

*5.2.1.* *Wat het rolrecht betreft*

Het rolrecht is vrijgesteld (belastingen (art. 162, 4° + 279/1 Wb.Reg.)).

*5.2.2.* *Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft*

De vordering in hoger beroep is in geld waardeerbaar. De rechtsplegingsvergoeding wordt geïndexeerd op datum van de uitspraak (vandaag). De waarde van de vordering bevindt zich in de schijf van 10.000,01 tot 20.000,00 euro.

Wanneer, zoals hier, de kosten verdeeld worden, moet aan elk van de partijen een rechtsplegingsvergoeding toegekend worden, maar worden de verschuldigde bedragen met elkaar verrekend en is alleen het saldo verschuldigd.

De toe te passen bedragen moeten verdeeld worden volgens de hoger vermelde verdeelsleutel (drie vierden ten laste van de appellante; een vierde ten laste van de geïntimeerde).

Na indexatie is het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding gelijk aan 1.540,00 euro. Er is geen reden om af te wijken van het basisbedrag.

De appellante is aan de geïntimeerde per saldo als rechtsplegingsvergoeding een bedrag verschuldigd van (1.155,00 - 385,00 =) 770,00 euro.

### Dispositif

## BESLISSING VAN HET HOF

Het hof doet recht;

Het hof beslist als volgt:

• het hoger beroep is ontvankelijk en deels gegrond;

• het bestreden vonnis wordt vernietigd behoudens waar het de vordering van de appellante ontvankelijk verklaart;

• het hof doet opnieuw recht voor het overige en verklaart de vordering van de appellante als volgt gegrond;

het hof zegt voor recht dat de vordering van de geïntimeerde zoals opgenomen -in het proces-verbaal (RCIV 500...85) betreffende de gecontroleerde periode 01/2014 tot 12/2015, onterecht en daarom niet verschuldigd is voor een bedrag van 4.248,25 euro aan btw en de daarom toegepaste boete en interest (zijnde btw over de aangekochte dranken voor het verbruik tijdens de werkuren door personeelsleden);

• het hof veroordeelt de appellante tot het dragen van drie vierden en de geïntimeerde tot het dragen van een vierde van de gerechtskosten van de beide instanties, vastgesteld als volgt:

\- aan de kant van de appellante:

• bijdrage begrotingsfonds eerste aanleg: 20,00 EUR

• rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 1.320,00 EUR

• bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 20,00 EUR

• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 1.540,00 EUR

\- aan de kant van de geïntimeerde:

• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 1.540,00 EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, VIJFDE KAMER, recht doende in fiscale zaken, op 14 juni 2022.

Aanwezig: ….

Ondertekeningen

### Décision jointe par le SPF

## Jugement du tribunal de première instance

***Le jugement est publié uniquement dans la langue originale***

**Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, Tiende Kamer,**

Vonnis van 04/01/2021

Rol: 19/2902/A

De rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, Tiende Kamer, heeft het volgend vonnis verleend:

In de zaak : 19/2902/A

**De NV O.** KBO: 045...29), met zetel te … eisende partij, voor wie optreedt meester …,

**tegen:**

**de BELGISCHE STAAT**, in de persoon van de Minister van Financiën, met kantoren gevestigd te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal van het Centrum KMO Brugge, met kantoor te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4, verwerende partij, voor wie optreedt X, attaché, centrum KMO Brugge, met kantoor te 8400 OOSTENDE, Vrijhavenstraat 1 (ref. …).

## I. RECHTSPLEGING

Gelet op het inleidend verzoekschrift d.d. 12 november 2019.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen neergelegde stukken.

Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 30 november 2020.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

## ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1\. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE0045...29, voor de activiteit van cafetaria en restaurant. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Vanaf 9 oktober 2017 werd door Wim Suys, adjunct-fiscaal deskundige bij de Algemene Administratie van de Fiscaliteit en verbonden aan het centrum KMO te Brugge, een controle aangevat bij eiseres over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over de periode van 1 januari 2014 tot 31 december 2015.

Op 20 november 2018 werden de overtredingen en vaststellingen opgenomen in een proces-verbaal door voormelde ambtenaar. Volgens de administratie werden volgende inbreukenvastgesteld: verplichting om in bezit te zijn van een regelmatige factuur en aangegeven omzet. Op 9 februari 2019 werd door eiseres een bezwaarschrift ingediend.

Op 19 september 2019 werd een aanvullend proces-verbaal opgesteld. Volgens de administratie werden volgende inbreuken vastgesteld: verplichting om in bezit te zijn van een regelmatige factuur en aangegeven omzet. Verschuldigd is als BTW 16.165,73 EUR, als proportionele geldboete 3.120,00 EUR en nalatigheidsintresten vanaf 21 juli 2015.

Op basis van dit proces-verbaal werd door de bevoegde ambtenaar van het BTW-ontvangkantoor te Kortrijk een dwangbevel uitgevaardigd.

Door eiseres werd fiscaal verhaal aangetekend met een verzoekschrift neergelegd ter griffie op 12 november 2019.

2\. Eiseres vraagt dat:

\- de vordering onontvankelijk en ongegrond wordt verklaard;

\- voor recht gezegd wordt dat de vordering opgenomen in het proces-verbaal d.d. 19 september 2019 niet verschuldigd is;

\- ondergeschikt voor recht wordt gezegd dat een bedrag van 5.081,31 EUR BTW, meer boete en intresten niet verschuldigd is;

\- verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling van alle onterecht betaalde bedragen, te vermeerderen met de moratoriumintresten;

\- verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 1.100 EUR en de bijdrage aan het fonds voor juridische tweedelijnsbijstand.

3\. Verweerder vraagt dat de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard en eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding.

## III. BEOORDELING

### *A.* *Betreffende de toelaatbaarheid*

Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.

### *B.* *Betreffende de grond*

*1.* *Bewijskrachtige boekhouding*

Opdat een boekhouding bewijskrachtig zou zijn op belastinggebied wordt niet vereist dat de boekhouding aan alle eisen van de wetgeving op de boekhouding beantwoordt, doch volstaat het dat zij volledig is en voldoende waarborgen van juistheid biedt.

De boekhouding moet een voldoende samenhangend geheel vormen en moet het mogelijk maken na te gaan of de geboekte cijfers overeenkomen met de werkelijkheid en voldoende gestaafd worden door geschriften zodat aan de hand ervan het bedrag van de belastbare inkomsten kan worden bepaald.

De controle van de boekhouding moet objectief 'mogelijk' zijn. Het komt in dat verband aan de belastingplichtige toe om er voor te zorgen dat hij voldoende (en binnen de perken van het mogelijke en het redelijke) elementen inbouwt waarmee hij een kritische buitenstaander ervan kan overtuigen dat zijn boekhouding waarheidsgetrouw is zonder dat die buitenstaander verplicht moet worden de belastingplichtige op zijn woord te moeten geloven.

Bij gevolg is de boekhouding alleen bewijskrachtig als zij volledig is en als haar vermeldingen controleerbaar zijn.

Bij controle van de boekhouding boekjaar 2015 van eiseres werd het volgende vastgesteld:

\- 3 inkomende facturen t.b.v. in totaal 10.766,59 EUR werden dubbel geboekt;

\- de inventaris is niet correct wat betreft de stock Sangria (aankoop 720 liter Sangria op 7 juni 2014, beginstoel< op 1 januari 2015 nihil, geen aankopen Sangria in 2015, eindstock Sangria op 31 december 2015: 108 liter, volgende aankoop Sangria op 6 mei 2017);

\- van de 143 verkochte artikelen is er bij 120 artikelen geen wijziging wat betreft de voorraad (beginstock is gelijk aan eindstock): het is ongeloofwaarding dat dit zich voordoet bij ongeveer 85 % van de verkochte artikelen;

\- geen registratie gratis consumpties, eigen verbruik en gebruik door personeel;

\- geen onderscheid wordt gemaakt tussen dranken aangekocht voor verkoop en dranken aangekocht voor verwerking in gerechten.

Deze vaststellingen worden niet weerlegd door eiseres.

De rechtbank stelt vast dat de boekhouding veelvuldige en ernstige onregelmatigheden vertoont, waardoor deze niet bewijskrachtig is.

*2.* *Meeromzet*

Overeenkomstig artikel 59 §1 W.BTW kan de administratie ter bepaling van het bestaan en van het bedrag van de belastingschuld alle door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen aanvoeren, met uitzondering van de eed.

Een mogelijk bewijsmiddel zijn vermoedens.

Verweerder heeft enkel de meeromzet berekend wat betreft dranken (niet de gerechten). Voor deze berekening heeft verweerder toepassing gemaakt van de forfaitaire regeling voor caféhouders.

Een wettelijk forfaitaire vaststelling van de grondslag in bepaalde sectoren is een feitelijk gegeven waarop de administratie kan steunen en kan gelden als een vermoeden ([Cass. 13 december 2007](https://juriel.be/fr/jurisprudence/moyens-preuve-presomptions-bases-forfaitaires-cassation-bruxelles-2007-12-13-604b), Arr. Cass. 2007, afl. 12, 2445). Het is dus toegelaten om de parameters van het forfait aan te wenden bij de berekening van de meeromzet.

Bij de berekening op basis van het forfait voor caféhouders heeft verweerder (in de mate van het mogelijke) ook rekening gehouden met opmerkingen van eiseres wat betreft haar uitbating.

Verweerder heeft gezien het gebrek aan bewijs terecht geen of beperkt rekening gehouden met combinatieverkopen, het verbruik van dranken in gerechten, de gratis consumpties, het eigen verbruik en het verbruik door personeel. Het moet voor eiseres nochtans perfect mogelijk zijn om bewijzen hieromtrent voor te leggen, zeker wat betreft combinatieverkopen en verkoop van gerechten waarin drank gebruikt werd. De rechtbank stelt vast dat enig bewijs hieromtrent door eiseres niet wordt voorgelegd.

Eiseres beweert veel, maar bewijs niets. Ondanks dit gebrek aan bewijs heeft verweerder bij de berekening van de meeromzet toch rekening gehouden met een aantal beweringen van eiseres (o.a. aantal consumpties per fles).

Daarenboven is er een toegeving van 10% . Het bewijs van verweerder is geenszins willekeurig om dat verweerder een tegemoetkoming doet voor de niet bewezen beweringen van eiseres.

Op basis van bekende feiten is derhalve rechtsgeldig het bewijs geleverd door een vermoeden dat eiseres een meerwinst op dranken heeft gerealiseerd.

Voor de volledigheid merkt de rechtbank op dat het voor de toepassing van artikel 59 W.BTW niet vereist is dat voorafgaandelijk bewezen wordt dat de boekhouding niet bewijskrachtig is. In casu is wel bewezen dat de boekhouding niet bewijskrachtig is (zie punt 1).

*3.* *Eigen verbruik en verbruik personeel*

Conform artikel 12 §1, 1° W.BTW wordt met een levering onder bezwarende titel gelijkgesteld het door een belastingplichtige aan zijn bedrijf onttrekken van een onroerend goed voor zijn privédoeleinden of voor de privédoeleinden van zijn personeel.

Conform artikel 64 §1 W.BTW wordt hij die goederen verkrijgt of produceert om ze te verkopen behoudens tegenbewijs geacht de door hem verkregen of geproduceerde goederen te hebben geleverd onder de voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt.

Vast staat dat eiseres in haar boekhouding niets heeft genoteerd betreffende eigen verbruik en/of verbruik door personeel. Vast staat ook dat het personeel in totaal 12.239 uren gepresteerd heeft voor eiseres. Aangenomen kan worden dat het personeel tijdens de werkuren drank verbruikt. Het is ook een sociaalrechtelijke verplichting om dranken ter beschikking te stellen aan het personeel. Eiseres bewijst op dit ogenblik evenwel niet hoeveel drank er werd verbruikt door de zaakvoerders en/of het personeel.

Het belasten van een niet aangegeven omzet houdt geenszins in dat het recht op aftrek wordt ontzegd. Indien aan alle wettelijke voorwaarden is voldaan, kan eiseres haar recht op aftrek van de BTW uitoefenen via haar BTW-aangiften.

### *C.* *Betreffende de kosten*

Gezien eiseres in het ongelijk wordt gesteld, dient zij de kosten van het geding te dragen.

Gezien verweerder niet werd bijgestaan door een advocaat, heeft hij geen recht op een rechtsplegingsvergoeding.

**OM DEZE REDENEN,**

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet dienend. Verklaart de eis toelaatbaar doch ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, in haar hoofde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven en in hoofde van verweerder begroot op 0,00 EUR.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de rechtbank van eerste aanleg West­ Vlaanderen, afdeling Brugge, burgerlijke sectie, tiende kamer, op MAANDAG VIER JANUARI TWEEDUIZEND EENENTWINTIG waar zitting hadden:

Ondertekeningen

## Textes cités

7

[CTVA art. 12](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-12) 8 occurrences

[CTVA art. 59](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-59) 4 occurrences

[CTVA art. 64](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-64) 4 occurrences

[AR no 1 art. 3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-mesures-tendant-assurer-paiement-taxe-f40f) 1 occurrence

[AR no 1 art. 4](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-mesures-tendant-assurer-paiement-taxe-f40f) 1 occurrence

[AR no 1 art. 5](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-c6ca) 1 occurrence

[CTVA art. 61](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-61) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Chiffre d'affaires non déclaré, Présomption légale, Amende légale](https://juriel.be/fr/jurisprudence/chiffre-affaires-non-declare-presomption-cour-appel-gand-2024-06-11-bab9) 3 dispositions communes

[Secteur Horeca, Système de caisse enregistreuse](https://juriel.be/fr/jurisprudence/secteur-horeca-systeme-caisse-enregistreuse-tribunal-2020-05-13-bd2b) 3 dispositions communes

[Procès-verbal, Arbitraire, Motivation, Calcul du chiffre d'affaires](https://juriel.be/fr/jurisprudence/proces-verbal-arbitraire-motivation-calcul-tribunal-louvain-2022-02-18-d398) 3 dispositions communes

[Comptabilité non probante, Reconstitution du chiffre d’affaires](https://juriel.be/fr/jurisprudence/comptabilite-non-probante-reconstitution-chiffre-cour-appel-bruxelles-2015-07-10-331f) 3 dispositions communes

[Disposition pénale, amende administrative, preuve, mesure de contrôle, poursuite](https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-preuve-cour-appel-anvers-2007-06-16-17fd) 3 dispositions communes

[Force probante, Preuve contraire, Présomption, preuve contraire du contribuable](https://juriel.be/fr/jurisprudence/force-probante-preuve-contraire-presomption-cour-appel-bruxelles-2000-12-08-23a1) 3 dispositions communes

[Force probante d’un procès-verbal, Prescription, Droits de la défense](https://juriel.be/fr/jurisprudence/force-probante-proces-verbal-prescription-cour-appel-gand-2014-01-21-4601) 3 dispositions communes

[Exonération, exportation, opération intracommunautaire, poursuite, amende administrative, instance](https://juriel.be/fr/jurisprudence/exoneration-exportation-operation-intracommunautaire-poursuite-cour-appel-gand-2001-05-28-7e9d) 3 dispositions communes
