---
title: "15 novembre 2004 · Base d&#x27;imposition, droit à déduction de l’impôt · Tribunal de première instance de Bruges"
description: "Base d'imposition, droit à déduction de l’impôt, disposition pénale. Tribunal de première instance de Bruges (Belgique), 15 novembre 2004."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/base-imposition-droit-deduction-impot-tribunal-bruges-2004-11-15-e255"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Base d'imposition, droit à déduction de l’impôt, disposition pénale · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Bruges

**Date**

15 novembre 2004

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

84 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruges du 15.11.2004

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend**

**In de zaak 03/2199/A (voorheen 97/3270/A)** Rep. nr. 2004/15003

**de NV G.**, HR Brugge nr. …, BTW-nr. BE …, met maatschappelijke zetel te …, …,

**eiseres,**

voor wie is opgetreden Meester **V. D.** loco Meester **M. M.**, beiden advocaat te …

**tegen :**

De FOD FINANCIËN, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, in de persoon van de e.a. inspecteur van het BTW­Ontvangkantoor te Brugge, met burelen gevestigd te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4,

**verweerder,**

voor wie optreedt Meester **L. D. S.**, advocaat te …

## EN

**In de zaak 01/1390/A**

**de NV G.**, HR Brugge nr. …, BTW-nr. BE …, met maatschappelijke zetel te …, …,

**eiseres,**

voor wie is opgetreden Meester **V. D.** loco Meester **M. M.**, beiden advocaat te …

**tegen :**

**De FOD FINANCIËN**, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, in de persoon van de e.a. inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Brugge, met burelen gevestigd te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4,

**verweerder,**

voor wie optreedt Meester **L. D. S.**, advocaat te …

## I. RECHTSPLEGING

Gelet op de inleidende dagvaarding houdende verzet dwangbevel de dato 12.11.1997 in de zaak 03/2199/A voor de vijfde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge.

Gelet op de inleidende dagvaarding houdende verzet dwangbevel de dato 27.04.2001 in de zaak 01/1390/A voor de vierde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge.

De rechtbank nam kennis van de dossiers van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 11 oktober 2004.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

## II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

**2.1.** Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW­registratienummer …, ingevolge de door haar aangevatte activiteit van investeringsmaatschappij, beheer van onroerende goederen en management. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

**2.2.** Op 24 april 1995 werd door **R. G.**, verificateur bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, verbonden aan het 2 de controlekantoor te Brugge, een toezicht uitgevoerd over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over de periode 1 juni 1992 tot 31 maart 1995.

Op 20 maart 1997 werd door **H. S.** een proces-verbaal opgesteld waarin de door eiseres begane overtredingen werden geacteerd.

Op 18 juli 1997 werd op basis van het proces-verbaal van 20 maart 1997 door **L. B.**, ontvanger a.i. van het BTW-ontvangkantoor te Brugge, overeenkomstig artikel 85, § 1 W.BTW, een dwangbevel uitgevaardigd In dit dwangbevel werd 50.702,43 EUR BTW en 5.057,03 EUR boete gevorderd.

Voormeld dwangbevel werd op 20 augustus 1997 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer **E. V. H.**, hoofdcontroleur te Brugge II, daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Brugge en op 28 augustus 1997 bij gerechtsdeurwaardersexploot betekend aan eiseres.

Op 12 november 1997 werd door eiseres verzet aangetekend tegen voormeld dwangbevel (zaak AR nr. 03/2199/A).

**2.3.** Op 29 maart 2000 werd door **E. D.**, eerstaanwezend verificateur bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, verbonden aan het controlecentrum te Brugge, een toezicht uitgevoerd over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over de periode 1 januari 1996 tot 31 december 1998.

Op 28 augustus 2000 werd door **E. D.** voornoemd een proces-verbaal opgesteld waarin de door eiseres begane overtredingen werden geacteerd.

Op 5 februari 2001 werd op basis van het proces-verbaal van 28 augustus 2000 door **N. C.**, eerstaanwezend inspecteur a.i. van het ontvangkantoor te Brugge, overeenkomstig artikel 85, § 1 W.BTW, een dwangbevel uitgevaardigd. In dit dwangbevel werd 2.020,03 EUR BTW en 99,16 EUR boete gevorderd.

Voormeld dwangbevel werd op 14 februari 2001 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer **R. D.**, directeur, daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Brugge en op 21 februari 2001 bij gerechtsdeurwaardersexploot betekend aan eiseres.

Op 27 april 2001 werd door eiseres verzet aangetekend tegen voormeld dwangbevel (zaak met AR nr. 01/1390/A).

**2.4.** Eiseres vraagt dat de zaken 03/2199/A en 01/1390/A worden samengevoegd, dat de verzetten ontvankelijk en gegrond worden verklaard en dat dienvolgens de bestreden dwangbevelen worden vernietigd en derhalve geen enkel rechtsgevolg kunnen ressorteren. In de zaak 03/2199/A wordt in ondergeschikte orde gevraagd dat voor recht wordt gezegd dat de wijziging van het principieel akkoord dat tussen eiseres en de administratie op 24 april 1995 werd afgesloten slechts toepassing kan vinden vanaf het proces-verbaal van mevrouw **H. S.**, hetzij op 20 maart 1997. Tevens vordert zij dat verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding en dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.

**2.5.** Verweerder vraagt eveneens de samenvoeging en vordert dat de verzetten ontvankelijk en ongegrond worden verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in zijn hoofde begroot op 2 x 342,09 EUR rechtsplegingsvergoeding.

## III. BEOORDELING

### 3.1. nopens de samenvoeging

Beide betwistingen hebben betrekking op de aftrek van BTW met betrekking tot de inrichting en afwerking van het appartement, gelegen te …, ….

Aangezien de twee zaken onderling zo nauw verbonden zijn, is het wenselijk om de zaken samen te behandelen en te berechten om oplossingen te vermijden die onverenigbaar kunnen zijn.

Op vraag van de beide partijen kunnen de beide zaken dan ook worden samengevoegd.

### 3.2. nopens de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de verzetten kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, zijn de verzetten ontvankelijk.

### 3.3. nopens de grond

#### 3.3.1. m.b.t. de nietigheid van het dwangbevel in de zaak met AR nr. 03/2199/A

**3.3.1.1.** Eiseres stelt dat het dwangbevel van 20 augustus 1997 nietig is aangezien het proces-verbaal van 20 maart 1997 niet in bijlage bij het dwangbevel werd gevoegd.

**3.3.1.2.** Wanneer een dwangbevel uitgevaardigd wordt krachtens een proces-verbaal waarnaar het verwijst, maakt dit proces-verbaal het hoofdbestanddeel van het dwangbevel uit en moet het er noodzakelijk een bijlage van vormen. Hetzelfde geldt voor de naheffingsopgave waarop het dwangbevel stoelt, voor de eventuele volmacht waarvan de naheffingsopgave gewag maakt, alsmede voor elk ander document dat het dwangbevel een geheel uitmaakt.

Uit de dagvaarding houdende verzet blijkt overduidelijk dat eiseres kennis heeft genomen van het proces-verbaal van 20 maart 1997. Verder wordt in het dwangbevel van 20 augustus 1997 uitdrukkelijk melding gemaakt van het feit dat een éénsluidend verklaard afschrift van het proces-verbaal van 20 maart 1997 bij het dwangbevel werd gevoegd.

Bijgevolg staat vast dat eiseres op een voldoende en rechtsgeldige wijze kennis heeft gekregen van de oorzaak van de vordering.

#### 3.3.2. m.b.t. de miskenning van de beginselen van behoorlijk bestuur in de zaak met AR nr. 03/2199/A

Bij een summier nazicht van de boekhouding op 24 april 1995 door de heer **R. G.** van de BTW-administratie werd het beroepsmatig gebruik van het appartement voorlopig vastgesteld op 33 %. Dit percentage kwam overeen met de ingediende jaarrekening per 31.12.1994 en gold enkel in afwachting van een plaats bezoek aan het pand in kwestie. Deze toetsing aan de werkelijkheid gebeurde op 6 augustus 1996 toen **H. S.** ter plaatste heeft vastgesteld dat het kwestieus appartement louter gebruikt werd als gezinswoning door de heer en mevrouw **T. F.** (zie motivatie proces-verbaal de dato 20 maart 1997).

Het is derhalve duidelijk dat het door de heer **R. G.** vastgesteld percentage van 33 % slechts voorwaardelijk was en enkel gold in afwachting van een grondig onderzoek ter plaatse.

Van een schending van het rechtszekerheidsbeginsel is er geen sprake.

#### 3.3.3. m.b.t. de onderhandse akte van 1 juni 1992 waarbij verzaakt werd aan het recht van natrekking ten voordele van eiseres

Uit de akte van 1 juni 1992 kan verder geen rechtsgrond geput worden om de afgetrokken BTW te rechtvaardigen vermits alle in het proces-verbaal weerhouden facturen dateren van voor de registratie van die onderhandse akte.

#### 3.3.4. m.b.t. de kwijtschelding of verdere vermindering van de opgelegde boetes. in de zaken met AR nr. 01/1390/A en met AR nr. 03/2199/A

Een verminderde boete van 10 % (AR nr. 03/2199/A) en van 5 % (AR nr. 01/1390/A) op de verschuldigde BTW-bedragen heeft een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om een dergelijke geldboete op te leggen, een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (*Arbitragehof, 24 februari 1999, rolnr. 1279, arrest nr. 22/99*).

Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft. Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.

Concreet is de rechtbank in elk geval van oordeel dat de administratieve boetes gepast zijn. Uit de voorliggende stukken blijkt immers dat eiseres op een onrechtmatige wijze BTW heeft in aftrek gebracht.

Voormelde onregelmatigheden zijn duidelijk niet uit onwetendheid begaan. Er moet tevens mee rekening worden gehouden dat de boete een ontradend effect moet hebben.

Rekening houdend met deze elementen en met de zwaarwichtigheid van de feiten acht de rechtbank de verminderde boetes van 10 % en 5 % in gepaste verhouding tot de vastgestelde feiten.

### 3.4. nopens de kosten

Eiseres wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1 ste lid van het gerechtelijk wetboek moet zij de gerechtskosten dragen.

### 3.5. nopens de uitvoerbaarheid bij voorraad

Nu de hoofdvorderingen ongegrond worden bevonden, moet de vraag tot voorlopige ten uitvoerlegging geacht worden zonder voorwerp te zijn.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Wijzende in eerste aanleg en op **tegenspraak**.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

**Voegt** de beide zaken met **AR nr. 01/1390/A en met AR nr. 03/2199/A samen**.

Verklaart de dagvaarding houdende verzet dwangbevel in de zaak met AR nr. 01/1390/A **ontvankelijk**, doch wijst ze af als ongegrond.

Verklaart de dagvaarding houdende verzet dwangbevel in de zaak met AR nr. 03/2199/A **ontvankelijk**, doch wijst ze af als **ongegrond**.

Veroordeelt **eiseres** in beide zaken tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op 2 x 349,53 EUR, uit hoofde van de geïndexeerde rechtplegingsvergoedingen.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op **vijftien november tweeduizend en vier**.

Aanwezig zijn :

**H. N.**, alleenrechtsprekend rechter

**L. N.**, e.a. adjunct-griffier

**N. L.** **N. H.**
