---
title: "Base imposable, Contrat d&#x27;entreprise · Tribunal de première instance de Bruges, 12 février 2002"
description: "Base imposable, Contrat d'entreprise, base d'imposition. Tribunal de première instance de Bruges (Belgique), 12 février 2002."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/base-imposable-contrat-entreprise-imposition-tribunal-bruges-2002-02-12-6465"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Base imposable, Contrat d'entreprise, base d'imposition

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Bruges

**Date**

12 février 2002

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

94 paragraphes

### Corps de la décision

**Jugement du Tribunal de Première Instance de Bruges dd. 12.02.2002**

*Base imposable - Contrat d'entreprise*

Une société assujettie à la TVA reçoit de ses clients de la cire ancienne servant à fabriquer des cierges. A cet effet, elle porte une indemnité en compte, qui correspond à la fabrication des cierges. L'Administration de la TVA estime toutefois que la valeur/le prix de la cire doit être inclus dans la base d'imposition, car il s'agit ici selon elle d'un échange dans le cadre duquel le prix de la cire est déduit du prix des cierges. Le tribunal considère, sur la base de circonstances de fait, qu'il s'agit d'un contrat d'entreprise exécuté par la société et que la cire reste la propriété des clients. La société déduit donc à juste titre uniquement la TVA ayant grevé les sommes obtenues de ses clients en contrepartie des prestations de services fournies, et il ne s'agit donc pas d'un échange. La base d'imposition doit par conséquent être déterminée conformément à l'[article 26 C.TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-26), et non suivant l'[article 32, alinéa 1 er, C.TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-32).

**Vierde kamer**

Allenrechtsprekend rechter: *Mr. Vandeputte Dries*

Griffier: *Mevr. Vandenabeele Annick*

Partij: N.V. Hautekiet Kaarsenfabriek t. De Belgische Staat

I. PROCEDURE

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 15 januari 2002, waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.

De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.

De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten:

1.de gedinginleidende dagvaarding van 26 januari 1990, met verzet tegen het dwangbevel van verweerder van 4 december 1989;

2.de conclusie voor verweerder van 23 juli 1990;

3.de conclusie voor eiseres van 14 augustus 1990;

4.de conclusie voor verweerder van 3 oktober 1990;

5.de conclusie voor eiseres van 6 november 1990;

6.de conclusie voor verweerder van 26 februari 1991;

7.het tussenvonnis van de vierde kamer van 9 oktober 1991;

8.de conclusie voor verweerder van 9 september 1991;

9.de conclusie voor eiseres van 19 september 1991;

10.de conclusie voor verweerder van 21 oktober 1991;

11.het tussenvonnis van de vijfde kamer van 26 april 1994;

12.de conclusie voor eiseres van 19 juli 1996;

13.de conclusie voor verweerder van 26 september 1996;

14.de conclusie voor eiseres van 15 oktober 1996;

15.de conclusie voor verweerder van 11 december 1996;

16.de conclusie voor eiseres van 10 september 2001;

17.de conclusie voor verweerder van 10 december 2001.

Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.

II. DE BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1\. De feiten die relevant zijn voor het geschil

De rechtbank verwijst naar de feitelijke uiteenzetting in de genoemde tussenvonnissen.

De kern is dat eiseres afnemers heeft die de oude was van kaarsen teruggeeft aan eiseres en dat eiseres op de waarde van die oude was geen BTW rekent op het moment dat zij nieuwe kaarsen levert.

Verweerder aanvaardt die werkwijze niet en maakte op 18 mei 1989 proces-verbaal op waarin een bedrag van 65.343 frank (1619,81 euro) BTW verschuldigd werd geacht en een administratieve boete van 6000 frank (148,74 euro) meer interesten overeenkomstig [artikel 91 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91) werd gevorderd. Op 4 december 1989 werd tegen eiseres een dwangbevel opgemaakt voor het zelfde bedrag aan BTW maar voor een boete van 9750 frank (241,70 euro). Dat dwangbevel werd op 12 december 1989 geviseerd en uitvoerbaar verklaard. Het werd op 11 januari 1990 aan eiseres betekend.

Op 26 januari 1990 tekende eiseres tegen dat dwangbevel verzet aan.

In de loop van de procedure is ter sprake gekomen dat verweerder een vergelijkend onderzoek zou instellen of ingesteld hebben naar de wijze waarop de concurrenten van eiseres door de BTW-administratie op dat vlak behandeld worden. In de twee genoemde tussenvonnissen werd verweerder uitgenodigd om de resultaten van dat onderzoek voor te leggen. Verweerder meent redenen te hebben om op dat verzoek niet in te moeten gaan en legt dan ook geen dergelijke resultaten voor.

Ondertussen heeft verweerder op 13 juni 1996 bewarend beslag onder derden gelegd (eigenlijk een soort beslag in eigen handen) en dit «in afwachting van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest».

2\. De standpunten en vorderingen van de partijen

Eiseres vordert dat de rechtbank het dwangbevel van 4 december 1989 zou tenietdoen en zonder waarde zou verklaren en aldus de vordering van verweerder ongegrond zou verklaren.

Subsidiair vordert eiseres dat de rechtbank aan verweerder het bevel zou opleggen om de BTW-dossiers van tien (welbepaalde) concurrenten van eiseres voor te leggen of minsten eiseres zou machtigen om met alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, te bewijzen dat die kaarsenfabrikanten op dezelfde wijze BTW aanrekenen als de wijze die eiseres doet en dat dit door verweerder wel aanvaard wordt.

Eiseres vordert ook dat verweerder zou veroordeeld worden tot het betalen van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos verweer.

Eiseres vraagt bovendien dat verweerder zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten en dat de rechtbank het vonnis uitvoerbaar zou verklaren bij voorraad, zelfs wanneer een rechtsmiddel zou worden aangewend, zonder dat de uitvoering afhankelijk kan gesteld worden van een borgstelling en met uitsluiting van het kantonnement.

Verweerder vordert dat de vordering van eiseres door de rechtbank zou worden afgewezen als ongegrond en dat eiseres zou verwezen worden in de gerechtskosten.

III. BEOORDELING

1\. De ontvankelijkheid van op vordering

Daarover werd al in het tussenvonnis van 26 april 1994 geoordeeld.

2\. De grond van de vorderingen

2.1 Stelling van eiseres

Eiseres roept in dat zij voor het gedeelte van de geleverde en gefactureerde kaarsen dat overeenstemt met het gewicht van de oude was die haar afnemers teruggeven, zij slechts de BTW moet aanrekenen op de dienstverrichting van het maken van de kaarsen. Eiseres stelt dat die oude was eigendom blijft van haar afnemers. Deze werkwijze is volgens eiseres in overeenstemming met de richtlijnen van toenmalig BTW-inspecteur *H. Arens*, zoals door haar beroepsvereniging meegedeeld.

Ondergeschikt beroept zij zich op het gelijkheidsbeginsel. Zij vraagt de voorlegging van de BTW-dossiers van haar concurrenten. Zij meent dat daaruit zal blijken dat de BTW-administratie bij die concurrenten wel akkoord gaat met de werkwijze die zij hanteert.

Bovendien acht zij het verweer van verweerder tergend en roekeloos, onder andere omdat deze weigert in te gaan op het verzoek van de rechtbank om een onderzoek bij haar concurrenten voor te leggen.

2.2 Stelling van verweerder

Verweerder stelt dat de maatstaf van heffing gelijk is aan de normale waarde van alle geleverde kaarsen. Hij beroept zich daartoe op de artikelen 10, 26, 1 ste lid en 32, 1 ste lid WBTW.

Hij aanvaardt niet dat het zou gaan om maakloonwerk omdat het gaat om levering van kaarsen. Eiseres zou zich volgens verweerder nooit kenbaar gemaakt hebben als maakloonwerker overeenkomstig het (ondertussen opgeheven) KB nr. 12 en eiseres zou nooit een maakloonregister hebben bijgehouden en maakte volgens verweerder geen gedetailleerde facturen op.

Verweerder stelt ook nog dat het niet relevant is te weten hoe de andere kaarsenfabrieken behandeld worden. Hoewel hij de werkwijze uit de nota van inspecteur *H. Arens* bijtreedt, stelt verweerder dat eiseres de behandeling zou krijgen die ze vordert, indien zij zich daaraan zou houden. Hoe dan ook stelt verweerder dat de belastingheffing haar grondslag vindt in de wet. Hij beroept zich ook op de bewijswaarde van zijn proces-verbaal van 18 mei 1989.

Verweerder ontkent ook dat hij er oorzaak van zou zijn dat de procedure zo lang bleef aanslepen. Volgens verweerder heeft hij steeds tijdig zijn standpunt bekendgemaakt. Aldus is er volgens verweerder geen sprake van een tergend en roekeloos verweer.

2.3 Beoordeling

2.3.1 De maatstaf van heffing

De rechtbank moet op de feiten het recht toepassen en dit binnen de grenzen zoals het geschil hem wordt aangereikt. Dat moet derhalve gebeuren ongeacht de vraag naar de behandeling van de concurrenten van eiseres.

Het fiscaal recht ent zich essentieel op de gebeurtenissen die zich in de maatschappij voordoen. In de mate dat de BTW-wetgeving, zoals hier, zich ent op verbintenisrechtelijke verhoudingen, is het in het verbintenissenrecht dat moet nagegaan worden op welke manier die rechtsfiguur moet begrepen worden. Vervolgens moet de gepaste fiscale wettekst op die rechtsfiguur worden toegepast.

Er wordt niet betwist dat eiseres bij het maken van kaarsen gebruikmaakt van oude was van haar afnemers. Eiseres betaalt niet voor die oude was. Op haar facturen rekent zij slechts de waarde aan voor het maken van de kaarsen.

Ten onrechte beschouwt verweerder de afgifte van de oude was als een vorm van ruil. Overeenkomstig artikelen 1702 en 1703 B.W. veronderstelt dit de toestemming tussen de partijen omtrent het geven van een zaak in plaats van een andere. Dat houdt in dat de partijen wederzijds de bedoeling hebben om eigenaar te worden van de zaak die zij van de medecontractant ontvangen. Eiseres heeft van bij het begin gesteld dat zij nooit eigenaar werd van de was en dat zij dat ook nooit bedoeld heeft.

In die omstandigheden komt de prestatie van eiseres met betrekking tot het gedeelte van de kaarsen die gemaakt worden met de was die zij van de afnemers krijgt, overeen met een aanneming in de zin van de artikelen 1787 en 1789 B.W., met name het verstrekken van arbeid of diensten waarbij de opdrachtgever de «stof» verstrekt.

Waar verweerder inroept dat eiseres nooit een maakloonregister heeft bijgehouden overeenkomstig de bepalingen van het KB nr. 12 van 3 juni 1970 (opgeheven met ingang van 1 januari 1993 bij [artikel 31 van het KB nr. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-mesures-tendant-assurer-paiement-taxe-f40f#ar1-art31) van 29 december 1992), verandert dit gegeven (niet tegengesproken door verweerder) niets aan het feit dat er feitelijk sprake was van een aanneming. Verweerder had dan ook gebeurlijk moeten optreden tegen het feit dat eiseres niet in regel was met KB nr. 12.

Aldus is er geen eigendomsoverdracht zoals bedoeld in [artikel 10, § 1 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-10) en evenmin ruil zoals voorzien in artikel 32, 1 ste lid WBTW.

Nu de prestatie die eiseres voor het betrokken deel van de kaarsen levert, beperkt is tot het maken van de kaarsen (een aanneming, een dienst), moet de tegenprestatie van de afnemer alleen die aannemingsopdracht vergoeden. Door uitsluitend de waarde van die dienst aan te rekenen, wordt eiseres dan ook volledig vergoed voor haar prestatie. Er is dus geen sprake van een geval waarin «de tegenprestatie niet uitsluitend uit een geldsom bestaat», zoals bepaald in artikel 32, 1 ste lidWBTW. Meteen is ook duidelijk dat de betaling door de afnemer van het werk voor het maken van de kaarsen (de betreffende aanneming of dienst) een volledige en voldoende tegenprestatie is voor de prestatie van eiseres. Bijgevolg volstaat het dat eiseres, voor de kaarsen die zij maakt met de oude was van haar afnemers, BTW aanrekent op de vergoeding voor het maakwerk.

In de mate dat het bestreden dwangbevel gebaseerd is op de stelling dat de BTW ook verschuldigd is op het gedeelte van de leveringen dat samenvalt met de waarde van de oude was, terwijl alleen de dienst voor het maken van de kaarsen aan de belasting onderhevig is, blijkt het verzet van eiseres volledig gegrond.

2.3.2 Tergend en roekeloos verweer

Verweerder wijst er terecht op dat hij, spijts de stellingname van de rechtbank in de betreffende tussenvonnissen, steeds geantwoord heeft waarom zij geen voorlegging deed van de gevraagde gegevens.

De vordering van eiseres was overigens slechts subsidiair gebaseerd op de stelling dat haar concurrenten anders behandeld werden.

Eiseres toont in die omstandigheden geen fout aan die verweerder zou begaan hebben en op grond waarvan eiseres aanspraak zou kunnen maken op een schadevergoeding. De (bij wijze van uitbreiding gestelde) vordering wegens tergend en roekeloos verweer is dan ook ongegrond.

3 De gerechtskosten

Verweerder wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1 ste lid van het Gerechtelijk Wetboek, moet hij de gerechtskosten dragen.

4 Uitvoerbaarheid bij voorraad

Verweerder neemt hierover geen standpunt in. Hij beroept zich niet op een bijzondere toestand die (nog meer) uitstel van betaling zou verantwoorden en stelt evenmin dat de rechtbank geen uitstel van tenuitvoerlegging zou kunnen verlenen zodat het principe van artikel 1333 Ger.Wb. geldt. De uitvoerbaarheid bij voorraad wordt daarom toegestaan.

De voorlopige tenuitvoerlegging kan niet afhankelijk gemaakt worden van het stellen van een zekerheid.

Voor de uitsluiting van het kantonnement - indien deze uitspraak daartoe al zou kunnen aanleiding geven - ziet de rechtbank nochtans geen reden.

Eiser laat na te bewijzen dat zij een ernstig nadeel zou ondergaan wanneer, ingevolge het kantonnement, de regeling van de haar toekomende schuld zou vertraagd worden (art. 1406 Ger.Wb.).

### Dispositif

IV. UITSPRAAK

De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.

Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de oorspronkelijke vordering gegrond.

De rechtbank verklaart de uitbreiding van de vordering die strekt tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos verweer ontvankelijk, maar wijst ze af als ongegrond.

De rechtbank zegt daarom voor recht dat het dwangbevel dat tegen eiseres werd uitgevaardigd onder referentie R.C.I.V. nr. 289/0608/03783 op 4 december 1989, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 12 december 1989 en aan eiseres betekend bij bevel van 11 januari 1990, geheel ongegrond is en derhalve geen uitwerking mag krijgen.

De rechtbank verwijst verweerder in de gerechtskosten van deze procedure en stelt die kosten als volgt vast:

| aan de zijde van eiseres: |  |
| --- | --- |
| -dagvaarding + rolstelling | 44,55 euro |
| -rechtsplegingsvergoeding | 327,22 euro |
| -2× aanvull. rpv. heropening debat | 109,08 euro |

terwijl de kosten aan de zijde van verweerder niet moeten vastgesteld worden vermits ze door hem zelf moeten gedragen worden.

De rechtbank verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, ongeacht welk rechtsmiddel er zou tegen worden ingesteld en zonder dat de voorlopige tenuitvoerlegging afhankelijk is van het stellen van een zekerheid.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op twaalf februari tweeduizend en twee.

## Textes cités

5

[AR no 1 art. 31](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-mesures-tendant-assurer-paiement-taxe-f40f) 1 occurrence

[CTVA art. 10](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-10) 1 occurrence

[CTVA art. 26](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-26) 1 occurrence

[CTVA art. 32](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-32) 1 occurrence

[CTVA art. 91](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Action, Montant imposable, Valeur normale, Valeur subjective, base d'imposition](https://juriel.be/fr/jurisprudence/action-montant-imposable-valeur-normale-cour-appel-anvers-2025-09-16-25d9) 4 dispositions communes

[Champ d'application, service, opération imposable](https://juriel.be/fr/jurisprudence/champ-application-service-operation-imposable-tribunal-louvain-2007-06-15-d3d2) 3 dispositions communes

[Base d'imposition](https://juriel.be/fr/jurisprudence/base-imposition-livraisons-services-contrepartie-cassation-bruxelles-2010-01-14-dfbd) 3 dispositions communes

[Champ d'application, livraison de biens, opération imposable, service](https://juriel.be/fr/jurisprudence/champ-application-livraison-biens-operation-cour-appel-anvers-2000-11-13-f841) 3 dispositions communes

[Location, Location d’un moyen de transport](https://juriel.be/fr/jurisprudence/location-moyen-transport-localisation-prestation-cour-appel-bruxelles-2021-05-19-0215) 2 dispositions communes

[Taux réduit, Fourniture de nourriture et boissons](https://juriel.be/fr/jurisprudence/taux-reduit-fourniture-nourriture-boissons-cour-appel-liege-2021-02-19-0689) 2 dispositions communes

[Services de restauration et de catering](https://juriel.be/fr/jurisprudence/services-restauration-catering-restaurant-entreprise-tribunal-anvers-2022-12-05-0910) 2 dispositions communes

[Echange, Contrepartie, Base imposable, Valeur normale, échange, base d'imposition](https://juriel.be/fr/jurisprudence/echange-contrepartie-base-imposable-valeur-cour-appel-gand-2023-10-24-34d7) 2 dispositions communes
