---
title: "Assujettissement, établissement de la taxe · Cour d&#x27;appel de Bruxelles, 12 septembre 2012"
description: "Assujettissement, établissement de la taxe, champ d'application, service, opération imposable. Cour d'appel de Bruxelles (Belgique), 12 septembre 2012."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/assujettissement-etablissement-taxe-champ-application-cour-appel-bruxelles-2012-09-12-2f64"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Assujettissement, établissement de la taxe, champ d'application, service · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Bruxelles

**Date**

12 septembre 2012

## Parcours procédural

2 étapes · 1 an 6 mois

1. Décision affichée Cour d'appel de Bruxelles 12.09.2012
2. [Décision sur pourvoi Cour de cassation de Belgique 20.03.2014](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-admission-evenement-domaine-culture-cassation-bruxelles-2014-03-20-098f)

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

108 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Bruxelles du 12.09.2012

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**HOF van BEROEP te BRUSSEL, Zesde fiscale kamer - Openbare terechtzitting van 12.09.2012**

Nr. van de zaak : **2008/AR/2262**

INZAKE VAN :

**B. NV**, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …; ingeschreven in de Kruispuntbank der Ondernemingen onder het nummer …,

**appellante,**

vertegenwoordigd door Meester **J. V.**, Advocaat bij het Hof van Cassatie en Meester **G. D. W.**, advocaten te …, ….

**tegen :**

**1. A.D.S.B. T. NV**, vennootschap naar Nederlands recht, met maatschappelijke zetel gevestigd te … (…), …,

**geïntimeerde,**

vertegenwoordigd door Meester **F. K.**, Meester **J. F.** en Meester **H. V.**, advocaten respectievelijk te …, …, en te …, ….

**2. DE BELGISCHE STAAT**, vertegenwoordigd door de Federale Regering, voor wie optreedt de Vice Eerste Minister en de Minister van Begroting en Overheidsbedrijven, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1000 Brussel, Koningstraat, 180,

**geïntimeerde,**

vertegenwoordigd door Meester **Z.** loco Meester **M. M.**, advocaat te …, ….

**R. 2012/5871** **EINDARREST – ongegrond**

---

Het hof, na beraad, spreekt in openbare zitting volgend arrest uit.

Gezien :

\- het tussenarrest van dit hof van 9 juni 2011;

\- de conclusies en stukken neergelegd door partijen.

## De procedure

## Argumenten van partijen na het tussenarrest van dit hof van 9 juni 2011

Appellante de NV **B.** (verder "**B.**" genoemd) handhaaft haar vordering zoals bestaande voor het tussenarrest en zoals in dit tussenarrest uiteen gezet (waarnaar hier wordt verwezen).

Geïntimeerde A.D.S.B. **T.** BV (verder A.D.S.B. genoemd) handhaaft eveneens haar vordering en incidenteel beroep zoals bestaande voor het tussenarrest en zoals in dit tussenarrest uiteen gezet, zij het dat natuurlijk geen vordering tot voorlegging van documenten meer gevorderd wordt (nu het voorleggen ervan in het tussenarrest bevolen werd, hetgeen door appellante **B.** werd gedaan), terwijl ook geen verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Europees Hof van Justitie meer wordt geformuleerd.

De Belgische Staat, partij in bindend verklaring van het te wijzen arrest, handhaaft zijn vorderingen zoals uiteen gezet voor en in het tussenarrest.

## In rechte

## Aangaande de vordering van de NV B. tot betaling van BTW ten bedrage van 3.150.000 €, meer intresten

In het tussenarrest werd uiteen gezet dat het noodzakelijk voorkwam, voorafgaand aan het onderzoek van de vraag of het bedrag, op grond van de overeenkomst opgenomen in het zogenaamde "Second Addendum" of (verder genoemd) Tweede Addendum van 19 maart 2004 (bij de oorspronkelijke Overeenkomst van 2 oktober 2003 met betrekking tot de beursintroductie van **B.**, een zogenaamde I.P.O., en met betrekking tot het toekomstige behoorlijk bestuur (de zogenaamde corporate govemance) van NV **B.**), door A.D.S.B. aan **B.** betaald, een bedrag behelst met inbegrip van verschuldigde BTW dan wel zonder dat de BTW erin begrepen is, na te gaan of de betaling werd gedaan in ruil voor een dienstprestatie als bedoeld in het BTW-wetboek die met BTW belast is.

Het kwam immers noodzakelijk voor, naast de eigenlijke betaling zoals overeengekomen in dit Tweede Addendum, kennis te kunnen nemen van de stukken nopens de "kosten" waarvoor A.D.S.B. zich bereid verklaarde een vergoeding te betalen, teneinde te kunnen nagaan of deze daadwerkelijk ten voordele van A.D.S.B. gestelde handelingen betreffen als bedoeld in artikel 18 W.BTW

Appellante **B.** legde thans een reeks stukken voor die, samengevat, in twee delen onderverdeeld kunnen worden :

\- de stukken die betrekking hebben op de werkzaamheden betreffende de beursgang, waaronder zogenaamde "binders", daaronder deze begrepen die de zogenaamde "due diligence" uitmaken en deze betreffende de gang van zaken bij een zogenaamd "over-allotment", en een DVD-R getiteld "**B.**-the making of the IPO";

\- briefwisseling, mails en documenten over de beursgang tussen **B.** en haar adviseurs en de BTW­administratie.

**B.** houdt vol dat de diensten die het voorwerp uitmaken van de factuur van 3 juni 2004 noodzakelijk waren om een beursgang te kunnen doen en dat zij van de volgende aard zijn :

\- onderhandelingen met aandeelhouders, waaronder geïntimeerde A.D.S.B.;

\- het maken van een zogenaamd "due diligence" rapport dat leidde tot het opstellen van een prospectus;

\- een waarderingsoefening met zakenbanken;

\- contacten met de autoriteiten bevoegd over de controle op de banken en financiële markten, destijds de zogenaamde CBFA;

\- contacten leggen met het personeel van **B.** ondermeer betreffende een regeling om in te tekenen op de aandelen met korting;

\- opstellen van externe rapporteringen;

\- het uitwerken van een marketingcampagne voor de beursgang.

Aldus, steeds volgens appellante **B.**, werden diensten van tweeërlei aard geleverd :

\- diensten verstrekt door derden aan **B.** die deze ten laste legde van A.D.S.B.;

\- diensten die **B.** zelf verrichtte.

Wat de diensten verstrekt door derden betreft, merkt appellante **B.** op dat na de eerdere overeenkomst met A.D.S.B. nopens een betaling, deze betaling ontoereikend bleek, zodat de noodzaak van een tweede betaling zich opdrong, die vervolgens uitmondde in de hier besproken, kwestieuze, betaling.

Verder stelt appellante **B.** dat de door haarzelf verrichte diensten betrekking hebben op langdurige en intensieve werkzaamheden van het eigen personeel, hetgeen ondermeer wordt geïllustreerd door de beelden op de neergelegde DVD-R "**B.** - the making of the IPO" (stuk 17 van appellante), zijnde ondermeer de noodzaak van het geven van "road shows" of presentaties in grote financiële centra, waarbij **B.** voorgesteld werd.

De afgesproken betaling zou tot slot nog, volgens appellante **B.**, een compensatie zijn voor een mogelijke verschuldigdheid van registratierechten bij een eventueel noodzakelijke kapitaalverhoging ter compensatie van vermogensverlies na vernietiging van eerder ingekochte, eigen, aandelen.

Geïntimeerde A.D.S.B. stelt dat zij thans, na inzage van de voorgelegde stukken, voor de eerste maal kennis neemt van de inhoud ervan. Bovendien stelt zij dat die stukken aantonen dat appellante **B.** inderdaad kosten maakte met het oog op de beursintroductie, doch dat de kwestieuze betaling door haar slechts een bijdrage is in de kosten van de beursintroductie, die ingevolge de voornoemde overeenkomst werden verdeeld. De betaling zou gedaan zijn omdat A.D.S.B. samen met **B.** en de Belgische Staat (mede-aandeelhouder) een gemeenschappelijk doel had, te weten de beursintroductie, en zij daarom bereid was een gedeelte van de kosten van de beursintroductie te dragen.

Met partij en moet dan ook worden vastgesteld dat ingevolge het onderzoek van het geheel der voorliggende gegevens is komen vast te staan dat appellante **B.** met het oog op de beursintroductie, kosten maakte, die bestaan in het betrekken van diensten en goederen door haar bij derden, en die bestaan in door haarzelf geleverde werkzaamheden.

Gezien de voorgelegde stukken en meegedeelde gegevens en elementen, moet vastgesteld worden dat niet alleen een betaling is bewezen, op grond van het zogenaamde Tweede Addendum, gedaan door A.D.S.B. aan **B.**, doch ook dat de kosten opgelopen door appellante **B.**, daadwerkelijk handelingen tot voorwerp hebben, die bestaan in diensten en goederen door **B.** verkregen van derden, met het oog op het nakomen van alle vereisten voor de beursintroductie en met het oog op het voorbereiden van de beursintroductie van de aandelen van appellante, en die bestaan in door appellante **B.** en haar personeel zelf geleverde werkzaamheden.

Geïntimeerde A.D.S.B. houdt vol dat de bijdrage betaald door haar voor de kosten opgelopen door **B.** voor de hierboven omschreven werkzaamheden :

\- niet betaald zijn om een prestatie te vergoeden die door appellante **B.** aan haar geleverd is;

\- geen handelingen vergoedt door **B.** voor A.D.S.B. gedaan onder bezwarende titel;

\- niet werd betaald wegens handelingen gesteld door **B.** voor A.D.S.B., in een hoedanigheid waarbij **B.** optrad als belastingplichtige;

\- niet werd betaald met de prestatie van **B.** als oorzaak omdat er geen direct verband is tussen de voorgehouden wederzijdse prestaties.

Na onderzoek van het geheel der voorliggende gegevens en de inmiddels voorgelegde stukken, is komen vast te staan dat de betaling van 15.000.000 € niet door A.D.S.B. werd gedaan ter vergoeding van een door appellante **B.** aan haar verstrekte dienstverrichting en derhalve buiten de werkingssfeer valt van de toepassing van de BTW-wetgeving. Derhalve bestond voor appellante **B.** geen verplichting bij de vordering van de gedane betaling door het richten van een uitnodiging daartoe aan geïntimeerde A.D.S.B., aan deze laatste BTW aan te rekenen.

Het onderzoek van de door appellante **B.** voorgelegde stukken toont aan dat iedere handeling die aan **B.** werd gefactureerd door derden en iedere handeling die deze vennootschap zelf, met eigen personeel stelde, de beursgang als oorzaak had en derhalve uitgevoerd werd met het oog op het voorbereiden en het plannen van de eigen beursgang en met het oog op de wil, in die beursgang, alle wettelijke verplichtingen na te leven ondermeer nopens publiciteit over de gegevens van de eigen vennootschap en het eigen vermogen en nopens de financiële gegevens betreffende het toekomstig aan het publiek aan te bieden beleggingsinstrument, te weten de aandelen van appellante.

Het Tweede Addendum houdt in dat één van de aandeelhouders van appellante **B.**, te weten geïntimeerde A.D.S.B., bereid bleek een financiële bijdrage te leveren in die door **B.** opgelopen en zelf gedragen kosten, zij het dat de omvang van die bijdrage forfaitair werd betaald.

Evenwel kan na onderzoek van alle voorgelegde gegevens niet vastgesteld worden dat die bijdrage en de daardoor vertegenwoordigde betaling :

\- geschiedde als tegenprestatie voor een dienstverrichting door appellante **B.** verricht ten voordele van geïntimeerde A.D.S.B. in de zin van artikel 4 W.BTW;

\- de prijs is die geïntimeerde A.D.S.B. aan appellante **B.** vergoedde voor een dienst, zijnde een handeling, door appellante **B.** aan geïntimeerde A.D.S.B. verstrekt in de zin van artikel 18, § 1 W.BTW.

De vereiste van een aangetoonde band van wederkerigheid tussen de betaalde prijs en de dienst, die vervat zit in de bepalingen van artikel 4 en 18, § 1 W.BTW blijkt ingevolge voormeld onderzoek door het hof niet aanwezig, nu enkel het bestaan van een betaling aangetoond is, doch niet kon worden vastgesteld op basis van alle voorgelegde stukken dat deze betaling de weder prestatie is voor door appellante **B.** aan geïntimeerde verstrekte handelingen, die in de zin van artikel 18, § 1 W.BTW als diensten beschouwd moeten worden.

Het eigenlijke feit dat appellante **B.** kosten opliep ten gevolge van de beursnotering, toont niet aan dat het oplopen van die kosten en de facturatie ervan aan geïntimeerde A.D.S.B., een dienstverrichting door appellante **B.** aan geïntimeerde A.D.S.B. als oorzaak heeft of een dienstverrichting door derden aan A.D.S.B. als oorzaak heeft, die appellante **B.** doorrekende.

De ruime definitie van het begrip dienst in artikel 18, § 1 W.BTW doet geen afbreuk aan de vaststelling dat in het geval van een handeling, opdat een dienst aanwezig zou zijn, ook nog moet zijn bewezen dat deze verstrekt werd aan de (vermeende) ontvanger van de dienst.

Het eigenlijke feit dat geïntimeerde A.D.S.B. bereid bleek aan appellante **B.** een betaling te doen, is onvoldoende om tot het bestaan van een dienst door **B.** aan A.D.S.B. geleverd, te besluiten.

Zelfs nu er ten gevolge van de beursgang, achteraf bekeken, voor A.D.S.B. een voordeel te vinden was in deze (dat hypothetisch was op het ogenblik van het sluiten van het Tweede Addendum daar niet met zekerheid op voorhand kon worden gesteld dat het publiek aanbod van aandelen zonder meer tot een succesvolle plaatsing zou leiden), en derhalve de kosten voor de beursgang, gedaan door appellante **B.**, indirect A.D.S.B. daadwerkelijk tot voordeel blijken te hebben gestrekt, moet na onderzoek van het geheel der voorliggende en voorgelegde gegevens vastgesteld worden dat dit "voordeel" niet de oorzaak van de handelingen die kosten veroorzaakten, gesteld door **B.**, is geweest. Immers vloeit dit "voordeel", achteraf bekeken, voor A.D.S.B. voort uit de vaststelling dat zij een aandelenparticipatie in **B.** met winst heeft kunnen verzilveren, zodat dit voordeel gehaald is uit haar deelneming in het kapitaal van appellante **B.**, dat, ook zonder dat zou zijn overeen gekomen dat geïntimeerde A.D.S.B. in de kosten van de beursgang (zoals omschreven in de oorspronkelijke Overeenkomst van 2 oktober 2003 en in het Tweede Addendum van 19 maart 2004) zou deelnemen, zou zijn behaald.

Bovendien heeft het onderzoek door het hof van de door **B.** gestelde handelingen en van de stukken met betrekking tot de aan haarzelf gerichte facturen, alle gedaan of betrekking hebbende op diensten aan **B.** gedaan met het oog op de beursgang, bedoeld in Sectie 4.8 van het Agreement (de oorspronkelijke Overeenkomst) van 2 oktober 2003 en Sectie IV van het reeds genoemde Tweede Addendum van 19 maart 2004, niet toegelaten vast te stellen dat **B.** daarbij andere verplichtingen heeft vervuld dan die opgelegd aan haarzelf, met het oog op de eigen beursgang, of daarbij andere handelingen heeft gesteld dan strekkende tot het in orde brengen en voorbereiden van de beursgang van haar eigen aandelen.

Dat de aandeelhouders van appellante **B.** uit die beursgang een voordeel blijken te hebben gehaald vindt zijn oorzaak in hun participatie (of van de hand gedane participatie wegens de beursgang), zonder dat kon worden vastgesteld dat dit "voordeel" ook nog een tegenprestatie is voor de door **B.** zelf opgelopen kosten, bedoeld in Sectie IV van het Tweede Addendum, doorgerekend aan geïntimeerde A.D.S.B..

Ten overvloede blijkt niet dat alle aandeelhouders van appellante **B.** deze kosten doorberekend hebben gekregen, in het bijzonder niet dat de in bindend verklaring gedaagde partij de Belgische Staat ook een doorberekening van deze kosten kreeg.

Nochtans moet worden aangenomen dat, zo een voordeel zou hebben bestaan in de handelingen die ten grondslag liggen aan kosten van de beursgang bedoeld in Sectie IV van het Tweede Addendum, zodat de betaling voor deze kosten alsdan de tegenprestatie daarvoor was bedoeld in art. 2 W.BTW, (op grond waarvan alsdan had moeten worden vastgesteld dat sprake was van een "handeling" onder bezwarende titel gesteld, meer bepaald doordat er door de aandeelhouders betaald moest worden voor een dergelijke handeling), die betaling alsdan opgelegd zou zijn aan alle aandeelhouders.

De betaling werd echter blijkbaar alleen opgelegd aan geïntimeerde A.D.S.B. en niet aan alle aandeelhouders, hoewel het voorgehouden voordeel -beweerdelijk eveneens als "tegenprestatie"- in hoofde van alle aandeelhouders aanwezig moet zijn geweest, ook indien het niet de bedoeling zou zijn geweest de aandelen van alle aandeelhouders in de beursgang te betrekken.

Dat niet de aandelen van alle aandeelhouders in de beursgang zouden zijn betrokken, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat, zo voordelen gehaald zouden zijn uit het feit dat men als aandeelhouder deel ging nemen in het aandelenkapitaal van appellante **B.** als beursgenoteerde onderneming,

\- die voordelen hun oorzaak vinden in de vaststelling dat men aandeelhouder zou worden van een beursgenoteerde onderneming;

\- ten gevolge daarvan immers gehoopt kon worden dat door ondermeer een betere toegang tot een territoriale ruimere en bredere kapitaalmarkt en een bredere aandeelhoudersbasis (cfr. Sectie 1.2. van de Overeenkomst van 2 oktober 2003), de participatie in waarde een positief effect zou ondergaan, hetzij door haar waardevermeerdering, hetzij door hogere dividenden in de toekomst;

\- de voordelen uit de beursgang derhalve door alle aandeelhouders van appellante genoten werden.

Het voorgaande duidt er dan ook op dat het "voordeel" voor geïntimeerde A.D.S.B. uit de beursgang van haar dochteronderneming **B.**, niet de handelingen ten grondslag aan de doorberekende kosten uit Sectie IV van het Tweede Addendum als oorzaak hebben, doch wel haar aandelenparticipatie zelf. De betaling gebeurde dus niet "om niet", zoals appellante **B.** volhoudt, doch zij heeft niet een handeling van appellante **B.** als oorzaak, doch wel de wil van geïntimeerde A.D.S.B. de waarde van haar aandelenparticipatie hoog te houden, hetgeen echter nog niet het bewijs inhoudt van een door appellante **B.** aan geïntimeerde A.D.S.B. verrichte dienst.

De analyse van de handelingen zoals blijkend uit de voorgelegde stukken met betrekking tot de beweerde "diensten" toont aan verder aan dat het gaat om :

\- handelingen gesteld door **B.** zelf, doch enkel ten voordele van zichzelf, nu het gaat om handelingen die moeten gesteld worden ter voorbereiding van de beursgang (onderhandelingen met aandeelhouders, opstellen van een zogenaamd due diligence rapport, de prijs voor de beursintroductie van de aandelen bepalen, contacten met de toezichthoudende instellingen onderhouden, het personeel informeren en voorlichten, externe rapporteringen maken waartoe het bedrijf zelf verplicht is, een marketingcampagne uitwerken);

\- handelingen gesteld door derden, doch enkel aan **B.** (adviesverstrekking en bijstand bij de voornoemde handelingen).

Derhalve is het genoten "voordeel" uit het feit dat kosten gemaakt werden voor de beursgang niet als dusdanig enkel door A.D.S.B. genoten (zoals appellante **B.** aanhaalt op blz. 30 van haar besluiten -tweede beroepsconclusie- neergelegd op 16 oktober 2009), zelfs nu enkel haar participatie in de initiële beursgang door een publieke plaatsing van aandelen naar de financiële markt gebracht werd, doch is het voordeel niet te onderscheiden van het voordeel genoten door alle aandeelhouders van appellante **B.**, hetgeen erop wijst dat het feit dat die kosten ten laste werden gelegd van geïntimeerde A.D.S.B. alleen, niet de handelingen ten grondslag aan het oplopen ervan als tegenprestatie hebben in de zin van artikel 2 en 18, § 1 W.BTW.

Sectie 1.2. van de Overeenkomst van 2 oktober 2003 stelt overigens terecht dat het in het belang van appellante **B.** was toegang te krijgen tot de aandelenmarkten. Gezien appellante **B.** een kapitaalvennootschap was, waarvan het maatschappelijk kapitaal in aandelen is verdeeld, was die beursgang derhalve in het (indirect) belang van al haar aandeelhouders.

Verder slaat het hof acht op het feit dat Sectie IV van het Tweede Addendum de betaling van het bedrag van 15.000.000 € oplegt, zonder dat appellante **B.** gehouden was enig stavingstuk voor te leggen nopens de "kosten" die aan de betaling ten grondslag liggen, zodat ook in het geval waarin geen enkele bijkomende kost door appellante **B.** zou zijn opgelopen ten gevolge van de beursgang, geïntimeerde A.D.S.B. tot betaling van het overeen gekomen bedrag gehouden zou zijn geweest. Dit wijst erop dat geen afdwingbare tegenprestatie in de zin van artikel 2 W.BTW de oorzaak voor de betaling is geweest, zodat niet kan worden volgehouden dat de betaling geldt als vergoeding voor een handeling ten bezwarende titel door appellante **B.** ten voordele van geïntimeerde A.D.S.B. gesteld.

Partijen kwamen blijkens de tekst van Sectie IV van het Tweede Addendum de bewuste betaling ook overeen, rekening houdende met de mogelijkheid van het bestaan van een niet verrekenbare of terugvorderbare belasting (nl. registratierechten of zegeltaksen) voor appellante **B.**, hetgeen wijst op het feit dat een dienstverrichting door **B.** voor A.D.S.B., niet op zich de oorzaak van de betaling was.

Het feit dat een contractuele bepaling de kwestieuze betaling regelt, en dat derhalve wederzijds overeen gekomen werd onder welke modaliteiten betaald zou worden, houdt nog niet het bewijs in dat aan de betaling, een weder prestatie in de zin van artikel 2, 4 en 18, § 1 W.BTW ten grondslag ligt. De gehoudenheid tot een betaling kan in het thans voorliggende geval niet vereenzelvigd worden met het bestaan van een dienstverrichting aan A.D.S.B. in de zin van de net hiervoor genoemde bepalingen.

De vrijstelling waarnaar appellante **B.** verwijst, meer bepaald deze zoals bedoeld in artikel 44, § 2, 1bis W.BTW, vooronderstelt het bewijs van aanwezigheid van een dienst die de oorzaak is voor de uitgave waarvan de terugbetaling wordt gevorderd. Zoals hoger uiteen gezet, is het bestaan van een dergelijke dienst aan A.D.S.B. in het thans voorliggende geval niet aangetoond.

Nu geen bewijs van een dienstverrichting voorligt als oorzaak voor de kwestieuze betaling, behoeven de argumenten van appellante **B.** en van de Belgische Staat, partij gedagvaard in bindend verklaring van het arrest, nopens het vermelden van een prijs inclusief of exclusief BTW tussen handelaren, het verband tussen een dienst en de betaling, nopens de maatstaf van heffing van een dienst en nopens de vraag of een dienst al dan niet vrijgesteld is krachtens artikel 44, § 3, 10 W.BTW geen verder antwoord, evenmin als de argumentatie nopens de verschillende behandeling van de facturen van 10.000.000 € en 15.000.000 € een verder antwoord behoeven. Het komt evenmin nog noodzakelijk voor de gewijzigde door de Belgische Staat voorgestelde prejudiciële vraagstelling voor te leggen aan Europees Hof van Justitie.

Gezien het voorgaande, moet huidig arrest bindend verklaard worden ten aanzien van de Belgische Staat, ongeacht de hoedanigheid waarin hij optreedt, nu hij één en ondeelbaar is. De vordering van de Belgische Staat tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Brussel werd reeds beslecht (door afwijzing) in het tussenarrest.

## De door A.D.S.B. ingestelde tegenvordering

Ten onrechte vordert geïntimeerde A.D.S.B. een schadevergoeding voor nodeloos gemaakte kosten in de bemiddelingsprocedure die tussen partijen werd opgestart.

Geïntimeerde A.D.S.B. bewijst niet dat appellante **B.** de Overeenkomst van 2 oktober 2003, meer bepaald hetgeen bepaald onder Sectie 5.6 ervan heeft geschonden, noch dat **B.** niet ter goede trouw zou hebben gehandeld. Er kan enkel vastgesteld worden dat een betwisting rees over de uitvoering van de tussen voormelde partijen gesloten overeenkomst en niet dat appellante **B.** in de bemiddelingsprocedure die werd opgestart naar aanleiding van die gerezen betwisting, foutief gehandeld zou hebben of gehandeld zou hebben in strijd met de door haar na te leven zorgvuldigheidsvereiste, evenmin als dat zij gehandeld zou hebben in strijd met de verplichting de gesloten overeenkomsten ter goeder trouw uit te voeren en in de op grond ervan opgestarte bemiddelingsprocedure zich ter goeder trouw te gedragen, zodat de vordering van geïntimeerde A.D.S.B. op dit punt ongegrond verklaard moet worden.

## De kosten van het geding

Ter zitting van het hof verklaarden de N.V. **B.** en A.D.S.B. het geïndexeerd basisbedrag van 33.000 € te vorderen als rechtsplegingvergoeding en de Belgische Staat het geïndexeerd basisbedrag van 1.310 €, die qua bedragen gepast voorkomen.

Gezien het voorgaande, komt het gepast voor **B.** te veroordelen tot de kosten van het geding, begroot op voormelde rechtsplegingvergoedingen, uitsluitend toe te kennen voor de procedure in graad van beroep.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**HET HOF**, rechtsprekend na **tegenspraak**,

Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Het tussenarrest van 9 juni 2011 verder uitwerkend,

Verklaart de vordering van appellante **B.** opzichtens geïntimeerde A.D.S.B. tot veroordeling van deze tot betaling van een bedrag van 3.150.000 € aan BTW ontvankelijk, doch ongegrond,

Verklaart de vordering van geïntimeerde A.D.S.B. opzichtens appellante **B.** tot betaling van een bedrag van 45.000 € ontvankelijk, doch ongegrond,

Verklaart huidig arrest bindend ten aanzien van de gedaagde in bindend verklaring, de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Federale Regering,

Veroordeelt appellante N.V. **B.** tot de kosten van het geding, begroot in hoger beroep op 33.000,00 euro voor eerste geïntimeerde en op 1.310,00 euro voor tweede geïntimeerde.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de **6****de** **fiscale kamer** van het hof van beroep te Brussel, op **12.09.2012**.

alwaar aanwezig waren en zitting namen :

**J. V.**, Raadsheer dd voorzitter;

**P. V.** en **C. V.**, Raadsheren

**C. D. N.**, Griffier.

**C. D. N.** **C. V.** **P. V.** **J. V.**
