---
title: "Assujettissement, droit à déduction de l’impôt · Tribunal de première instance de Bruges, 28 mars 2012"
description: "Assujettissement, droit à déduction de l’impôt, poursuite, instance. Tribunal de première instance de Bruges (Belgique), 28 mars 2012."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/assujettissement-droit-deduction-impot-poursuite-tribunal-bruges-2012-03-28-229b"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Assujettissement, droit à déduction de l’impôt, poursuite, instance · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Bruges

**Date**

28 mars 2012

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

86 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruges du 28.03.2012

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :**

**In de zaak 10/4088/A** Rep. nr. 2012/3839

**de BVBA O.**, (Ondememingsnr. BE …), met zetel te …, …,

**eiseres,**

voor wie optreedt Meester **F. S.**, advocaat met kantoor te …, …,

**tegen :**

**De FOD FINANCIËN**, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, met kantoren gevestigd te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, in de persoon van de e.a. inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor Oostende, met kantoren te 8400 Oostende, Vrijhavenstraat 1, en in de persoon van de e.a. inspecteur bij de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, ter beschikking gesteld bij de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, Controlecentrum Oostende, met kantoren te 8400 Oostende, Vrijhavenstraat 1,

**verweerder,**

voor wie is opgetreden mevrouw **V. K.**, e.a. inspecteur bij een fiscaal bestuur,

## I. RECHTSPLEGING

Gelet op het geding inleidend verzoekschrift de dato 23 december 2010.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overlegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 29 februari 2012.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

## ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS DER ZAAK

**2.1.** Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW­registratienummer BE … voor de activiteit van management en exploitatie van pleziervoertuigen, rondvaarten en verhuur van schepen met bemanning.

Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 13 januari 201O werd door **L. H.**, fiscaal deskundige bij de Administratie van de BTW, ter beschikking gesteld van de administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit controlecentrum Oostende, een controle gestart bij eiseres over de toepassing van de wetgeving en reglementering inzake BTW over de periode van 1 januari 2007 tot 31 december 2008.

De controle werd verdergezet door **F. V.**, eerstaanwezend inspecteur bij dezelfde administratie, eveneens tewerkgesteld bij het controlecentrum Oostende.

Op 6 september 2010 werden de overtredingen en vaststellingen opgenomen in een proces-verbaal geredigeerd door voormelde ambtenaren.

Volgens de administratie werden de BTW geheven op de aankoop van de zeiljacht "**C.**" en de BTW met betrekking tot de kosten van deze zeiljacht ten onrechte volledig afgetrokken gezien de zeiljacht door de zaakvoerder en zijn familie gebruikt is geworden om een wereldreis te maken en eiseres niet beschikte over de organisatie om deze jacht te exploiteren in het kader van haar economische activiteit.

In het proces-verbaal is opgenomen dat eiseres verschuldigd is als BTW 111.882,09 EUR, als boete 11.180,00 EUR en intresten vanaf 21 januari 2009.

Op 30 november 2010 werd door de bevoegde ambtenaar van het BTW­ontvangkantoor te Oostende een dwangbevel uitgevaardigd, dit op basis van voormeld proces-verbaal.

Voormeld dwangbevel werd op 6 december 2010 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door **M. C.**, gewestelijk directeur van de BTW te Brugge en werd op 9 december 2003 ter kennis gebracht van eiseres.

Tegen dit dwangbevel werd op 23 december 2010 verzet aangetekend door eiseres.

**2.2.** Eiseres vraagt dat het verzoekschrift ontvankelijk en gegrond verklaard wordt, dienvolgens de tenuitvoerlegging van het bestreden dwangbevel betwist wordt, gezegd wordt voor recht dat de in het bestreden dwangbevel gevorderde sommen niet verschuldigd zijn, subsidiair de kwijtschelding van de opgelegde boeten bevolen wordt, terugbetaling bevolen wordt van alle sommen die zouden geïnd zijn op grond van het bestreden dwangbevel meer de moratoire rente en verweerder veroordeeld wordt tot de gedingkosten.

**2.3.** Verweerder vraagt dat de vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard wordt en eiseres veroordeeld wordt tot de gedingskosten.

## III. BEOORDELING

### 3.1. nopens de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen middelen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de Rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

### 3.2. nopens de grond

#### 3.2.1. aftrek van de BTW

a. Eiseres stelt dat zij een economische activiteit uitoefent die bestaat uit het verhuren of ter beschikking stellen van een zeiljacht en dat ze daardoor een volledig recht op aftrek heeft met betrekking tot de aankoop en de kosten van de zeiljacht.

b. Verweerder stelt dat de zeiljacht niet gebruikt wordt in het kader van een economische activiteit waarvoor eiseres belastingplichtige is. Ze kan aldus, volgens verweerder, geen aanspraak maken op een recht op aftrek van BTW met betrekking tot de aankoop en de kosten van de zeiljacht.

c. Artikel 4, § 1 W.BTW luidt : "Belastingplichtige is eenieder die in de uitoefening van een economische activiteit geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, leveringen van goederen of diensten verricht die in dit wetboek zijn omschreven, ongeacht op welke plaats de economische activiteit wordt uitgeoefend".

Conform artikel 45, § 1, 1° W.BTW heeft een BTW-belastingplichtige het recht om de belasting in aftrek te brengen van de aan hem geleverde goederen en aan hem verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen, voor zover dat hij de goederen of diensten gebruikt voor het verrichten van de belastbare diensten.

d. Op 31 maart 2007 heeft eiseres een zeiljacht aangekocht van het merk **D.**. De zeiljacht werd geregistreerd onder de naam "**C.**" en een commerciële vlaggenbrief werd verkregen.

De zeiljacht werd in de loop van het jaar 2007 voorzien van de noodzakelijke zeilbenodigdheden en werd eind december 2007 voorlopig opgeleverd.

In het jaar 2007 werden geen opbrengsten met betrekking tot de zeiljacht geboekt.

In het jaar 2008 werd een opbrengst zeiltochten met betrekking tot de zeiljacht geboekt van 9.850 EUR excl. BTW (600 EUR excl. BTW van derde personen, 9200 EUR excl. BTW van de zaakvoerder van eiseres **K. M.**).

Op 11 juni 2011 werd door eiseres een bijkomende factuur opgemaakt aan **K. M.** ten bedrage van 29.850 EUR excl. BTW, samen met een correctie van het BTW-tarief betreffende de eerder aangerekende huurvergoedingen.

De aangetekende BTW van 21 % en de BTW ingevolge rechtzetting van het tarief werd opgenomen in de BTW-aangifte van het tweede kwartaal.

Het is aan eiseres om te bewijzen dat zij de aangekochte goederen gebruikt voor het verrichten van belastbare handelingen.

e. Uit de vaststellingen van de verbaliserende ambtenaren opgenomen in het proces-verbaal de dato 6 september 2010 blijkt dat de kwestieuze zeiljacht in het jaar 2008 door eiseres daadwerkelijk verhuurd is geworden, hetzij aan haar zaakvoerder – **K. M.** (welke één van de rechtspersoon onderscheiden persoon is) - hetzij aan een derde en dit tegen een vergoeding.

Er werd betreffende het jaar 2008 een totale huurvergoeding gefactureerd van 39.700 EUR excl. BTW en een bedrag van 8.337 EUR BTW doorgestort aan verweerder.

De kwestieuze verhuringen blijken aldus uit de boekhouding zoals gevoerd door eiseres, werden vastgesteld door de verbaliserende ambtenaar (met uitzondering van de factuur van 11 juni 2010) en kunnen dan ook niet betwist worden.

Het verhuren van een lichamelijke zaak, in casu de zeilboot, is een exploitatie die aan te merken is als een economische activiteit, zodat eiseres een BTW­plichtige onderneming is.

Het gegeven dat mogelijks de verhuring van de zeiljacht gebeurde aan economisch niet verantwoorde prijzen is niet relevant.

Zelfs het uitoefenen van een economische activiteit zonder winstoogmerk heeft een BTW-belastingplicht tot gevolg.

Ook blijkt uit de feitelijke gegevens dat eiseres de kwestieuze zeiljacht heeft laten aanpassen voor commercieel gebruik door onder meer de aanschaf van boeken noodzakelijk voor commerciële verhuur, reddingsvlot voor 8 personen, vuurpijlen voor commerciële vaart, aanwezigheid skipperscabine, enz.

De afwezigheid van publiciteit en de verwijzingen naar de reis die de zaakvoerder van eiseres met zijn gezin maakte, alsmede naar de website, zijn niet relevant bij de beoordeling van onderhavig geschil daar ze geen afbreuk doen aan de uitoefening van een economische activiteit zoals vastgesteld door de verbaliserende ambtenaar.

Het verhuren door eiseres van de zeiljacht tegen een vergoeding aan haar zaakvoerder kan immers niet gelijkgesteld worden met een vermeend privégebruik van de zeiljacht door de vennootschap zelf, zelfs al wordt de zeiljacht door de zaakvoerder voor privédoeleinden gebruikt.

Op basis van voornoemde feiten is de rechtbank dan ook van oordeel dat eiseres bewijst dat het zeilschip met uitrustingskosten gebruikt wordt door eiseres voor het verrichten van belastbare handelingen.

#### 3.2.2. nopens het vermeend misbruik

a. Eiseres laat ten onrechte gelden dat het misbruik waarop verweerder zich subsidiair beroept niet duidelijk gemotiveerd wordt in het proces-verbaal.

De Wet Motivering Bestuurshandelingen de dato 29 juni 1991 is integraal van toepassing op het dwangbevel en het proces-verbaal van 6 september 2010. Dit houdt in dat de motivering zoals vermeld in het proces-verbaal de dato 6 september 201 0 afdoende moet zijn om eiseres in staat te stellen de gegrondheid ervan te beoordelen en de vordering desgevallend aan te vechten.

In casu stelt de Rechtbank vast na nazicht van de voorliggende stukken dat de motivering van het proces-verbaal de dato 6 september 2010 met vermelding van de ingeroepen wetsartikelen eiseres in staat stelt te begrijpen op grond van welke feitelijke en juridische gegevens van de BTW-administratie subsidiair van oordeel is dat er minstens sprake is van misbruik evenals de verschuldigde bedragen.

b. Verweerder stelt dat de betrokken transacties ertoe leiden dat in strijd met het doel van het gemeenschapsrecht een belastingvoordeel wordt toegekend en dat dit ook het wezenlijk doel van de kwestieuze transacties was.

In casu stelt de Rechtbank vast dat de zaakvoerders van eiseres de kwestieuze zeiljacht gehuurd hebben voor een periode van 14 maanden tegen de huurprijs ad. 88.900,00 EUR excl. BTW.

De door de huurders van de jacht betaalde BTW ad. 21 % op dit bedrag werd door eiseres aan verweerder doorgestort.

Uit geen stuk blijkt dat, zoals verweerder aanvoert, de betaalde huurvergoeding geen normale huurprijs was rekening gehouden met de duurtijd van de huurperiode die veertien maanden bedroeg.

De kwestieuze zeiljacht werd naast de verhuring aan de zaakvoerders van eiseres ook verhuurd aan derden (stukken 6 en 7 - bundel eiseres).

In casu wordt aldus door verweerder niet afdoende aangetoond dat een artificiële constructie zou opgezet zijn die zou moeten toelaten dat een volledig recht op aftrek bekomen wordt voor de aankoop van een boot die uitsluitend voor privé-doeleinden van de zaakvoerder van eiseres zou bestemd zijn.

Er werd geen belastingvoordeel genoten dat zou indruisen tegen de geest van de BTW-wetgeving.

c. Eiseres verzoekt om de betaling der intresten conform artikel 91, § 3 W.BTW. Nu artikel 91, § 3 W.BTW in casu geen toepassing vindt daar de erin bepaalde voorwaarden op onderhavig geschil geen toepassing vinden, kunnen deze intresten bepaald bij artikel 91, § 3 W.BTW niet toegekend worden.

### 3.3. nopens de kosten

Verweerder wordt in het ongelijk gesteld en dient overeenkomstig artikel 1017, 1 e lid Ger. W. de gerechtskosten te dragen.

De gerechtskosten belopen het bedrag der geïndexeerde basisrechtsplegingsvergoeding ad. 5.500,00 EUR zoals gevorderd.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Wijzende in eerste aanleg en op **tegenspraak**.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet terzake dienend.

Verklaart de fiscale vordering ontvankelijk en gegrond in volgende mate.

Zegt voor recht dat de in het bestreden dwangbevel gevorderde sommen niet verschuldigd zijn.

Beveelt de terugbetaling van alle sommen die op grond van het dwangbevel zouden worden geïnd.

Wijst het meer of anders gevorderde af als ongegrond.

Veroordeelt verweerder tot de betaling der gerechtskosten in zijn hoofde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven en in hoofde van eiseres begroot op de basisrechtsplegingsvergoeding ad. 5.500,00 EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op **woensdag achtentwintig maart tweeduizend en twaalf**.

Aanwezig zijn :

**H. A.**, alleenrechtsprekend rechter;

**M. S.**, griffier.

**S. M.** **A. H.**
