---
title: "Assujettissement · Cour d&#x27;appel de Bruxelles, 21 décembre 2000"
description: "Assujettissement. Cour d'appel de Bruxelles (Belgique), 21 décembre 2000."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/assujettissement-cour-appel-bruxelles-2000-12-21-f663"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Assujettissement · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Bruxelles

**Date**

21 décembre 2000

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

88 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Bruxelles du 21.12.2000

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**Het Hof van Beroep te Brussel, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :**

AR nr. **1992/AR/3467 & 1992/AR/3484**

INZAKE VAN :

1\. De Heer **S. V.**, burgerlijk ingenieur, architect, en zijn echtgenote,

2\. Mevrouw **V. J.**, lerares, samenwonende te …, sectie …,

**appellanten,**

**verweerders,**

vertegenwoordigd door Meester **V. I.** loco Meester **L. E.**, advocaat te …, …;

**tegen :**

**De BELGISCHE STAAT**, in de persoon van de heer Minister van Financiën wiens kabinet gevestigd is te Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Eerstaanwezend-inspecteur van het Ontvangkantoor der BTW te Vilvoorde, Groenstraat 51-57,

**geïntimeerde,**

**eiser,**

vertegenwoordigd door Meester **V. H. L.**, advocaat te A…, …;

Gelet op de procedurestukken, inzonderheid :

\- het bestreden vonnis gewezen op 26 juni 1992 door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd en waartegen bij verzoekschriften neergelegd ter griffie op 13 en 15 oktober 1992 een regelmatig en ontvankelijk hoger beroep werd ingeleid;

\- de twee conclusies voor appellanten respectievelijk neergelegd ter griffie op 26 april 1996 en 18 augustus 1998;

\- de twee conclusies voor geïntimeerde respectievelijk neergelegd ter griffie op 18 februari 1993 en 20 juni 1996;

Gehoord de pleidooien voor partijen ter terechtzitting van 23 november 2000;

Het hoger beroep is regelmatig ingesteld naar vorm en tijd, hetgeen niet wordt betwist.

De vordering van appellanten, die door de eerste rechter werd afgewezen als ongegrond, strekt ertoe vergoeding te bekomen voor de schade die zij beweren te hebben geleden ingevolge de voorgehouden fout van de ambtenaren van de BTW-administratie, door bij verkeerde toepassing van de wet en bij machtsoverschrijding aan appellanten tijdelijk een naheffingsopgave te hebben opgelegd.

---

**V. S.**, architect van beroep, richtte samen met zijn echtgenote **J. V.** na 26 augustus 1975 (datum bouwvergunning) en 1980 een appartementsgebouw op in de … te …, bevattende 15 appartementen, 20 garages en 1 clubhuis.

Dertien appartementen en zestien garages hiervan werden verkocht. Volgens appellanten maken deze activiteiten een daad van beheer uit. van eigen patrimonium.

Met het oog op de financiering van het project werd door appellanten geopteerd voor de formule "verkoop op plan", waarbij aan de kopers voorschotfacturen werden voorgelegd in afwachting van de eindafrekening.

Aangezien de afwerking van het appartementsgebouw pas volledig beëindigd werd in december 1980, kon volgens appellanten ook niet eerder een definitieve eindafrekening worden opgesteld, hierin begrepen de afrekening en aangifte van de definitieve BTW-schuld (zie ook verder).

Op 6 mei 1980 startte de BTW-administratie met een controle met betrekking tot de periode van 1 januari 1975 tot 31 december 1979. In functie van dit nazicht merkte de administratie op dat :

\- bepaalde facturen niet waren opgenomen in de door appellanten neergelegde BTW-aangiften;

\- aan de kopers van appartementen bedragen waren gefactureerd waarop de verschuldigde BTW niet werd afgedragen aan de Staat (\*).

(\*) Volgens de BTW-administratie dienden appellanten volgens het BTW-Wetboek te worden beschouwd als belastingplichtigen van rechtswege, en niet als toevallige BTW-plichtigen.

Op grond van deze controle werd de door appellanten verschuldigde BTW (wettelijke boeten inbegrepen) vastgesteld op 1.407.927 frank.

Op 9 juni 1980 tekende **S. V.** de naheffingsopgave voor akkoord en erkende hij zich schuldenaar tegenover de Belgische Staat "goed voor de som van 1.407.927 frank".

Hoewel dit akkoord niet mede werd ondertekend door **V. J.**, laat het geen twijfel dat het akkoord vanwege haar echtgenoot **S.** impliceert dat zij zich hierbij heeft aangesloten.

Op grond van de feiten moet worden vastgesteld dat de contacten met de BTW-administratie steeds werden gevoerd door **S. V.**, die in feite de belangen van beide echtgenoten behartigde.

Volledig onterecht stellen appellanten in dit verband in hun conclusie dat "Dhr. **S.** een akkoordverklaring tekende, in zijn hoedanigheid van architect" (Blz. 7 beroepsconclusie), daar waar appellanten elders betogen dat zij daden stelden ten behoeve van het privé-patrimonium, en dat **S.** niet beroepshalve was opgetreden, ook al omdat zulks hem door zijn beroepsdeontologie verboden was.

Ondanks het tussen appellanten en de BTW-administratie tot stand gekomen vergelijk, wordt de naheffing opnieuw in vraag gesteld bij brief van de raadsman van appellanten verstuurd op 2 juli 1980.

Appellanten beweren hierbij dat zij ten onrechte werden beschouwd als "beroepsoprichters". Volgens dit schrijven konden appellanten slechts 909.338 frank BTW verschuldigd zijn.

Gelet op de blijvende discussie tussen partijen werd op 1 april 1981 een dwangbevel betekend, waartegen op 9 april 1981 verzet werd aangetekend.

Op 1 oktober 1981 werd door de administratie derdenbeslag gelegd in handen van notaris **V.** te ….

Bij brief van 29 september 1982 meldt de Minister van Financiën aan de BTW-administratie, gevat met het dossier **S.**, dat "(...) aan de hand van die verklaringen er dan ook normaal kon van uitgegaan worden dat de heer **S.** (...) voor de toepassing van de BTW vanaf eind 1976 de hoedanigheid van belastingplichtige bedoeld in [artikel 8, § 1, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-8) had.

Aangezien betrokkene van die wijziging van zijn BTW-statuut evenwel nooit werd verwittigd kon hij terecht in de mening hebben verkeerd dat hij ten aanzien van de verkoop van bedoeld gebouw de hoedanigheid van belastingplichtige in de zin van [artikel 8, § 2, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-8) had aangezien hij normaal niet kon weten vanaf welk tijdstip, voor de toepassing van de BTW, de hoedanigheid van beroepsoprichter in de zin van artikel 8, § 1, van het evengenoemd Wetboek ontstaat. (...)".

Het dossier werd door de Minister terug overgemaakt aan de bevoegde BTW-dienst "met het verzoek dringend te laten onderzoeken of in die omstandigheden deze zaak niet zou moeten herzien worden ervan uitgaande dat de heer **S.** ten aanzien van de oprichting en de verkoop van het bedoelde gebouw de hoedanigheid van belastingplichtige in de zin van artikel 8, § 2 had. (...)"

Tenslotte wordt er nog uitdrukkelijk op gewezen dat "de heer **S.** bereid is van het geding afte zien indien deze zaak, in het licht van hetgeen voorafgaat, minnelijk kan worden opgelost."

Bij vonnis d.d. 27 juni 1983 uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel wordt aan **S. V.** akte verleend van zijn afstand van geding met aanvaarding ervan door de Belgische Staat.

In september 1986 dagvaardden appellanten de Belgische Staat in vergoeding van de schade die zij hebben geleden ingevolge voorgaande overheidsbeslissingen.

---

Appellanten verwijten de overheid bij het opstellen van de naheffingsopgave het verwekt rechtmatig vertrouwen brutaal te hebben afgebroken.

Appellanten kunnen niet ontkennen dat hoofdcontroleur **P. B.** steeds handelde overeenkomstig de wet wanneer hij op 6 mei 1980 een BTW-controle aanvatte met betrekking tot de periode van 1 januari 1975 tot 31 december 1979.

Dat deze controle zich situeert in 1980, is gelet op de concrete gegevens van het voorwerp van de controle in alle opzichtens aanneembaar. Ook appellanten houden voor dat de definitieve eindafrekening van de bouwactiviteiten pas op 19 februari 1980 kon worden afgesloten (blz. 28 beroepsconclusie).

De controlebevoegdheid impliceert dat de administratie gerechtigd is aan de hand van de vaststellingen en de resultaten van de controle ook de precieze kwalificatie te bepalen van de BTW-plichtige.

Appellanten tonen niet aan dat de administratie hen vóór de aanvang van deze controle reeds formeel en/of definitief had toegezegd dat zij niet als beroepsoprichters werden aangezien. Niets belette derhalve de administratie de hoedanigheid van toevallige oprichters in vraag te stellen ter gelegenheid van de controle die duidelijk werd gepland in de eindfase van het project.

De bewering dat de naheftingsopgave fouten bevatte (zowel wat betreft de berekening, als wat betreft de kwalificatie) kan in casu geen grond opleveren ten bewijze van enige fout.

Wat betreft de "kwalificatie" en de daaraan gekoppelde gevolgen moet worden vastgesteld dat appellanten afstand deden van het rechtsgeding waarbij zij verzet aantekenden tegen het dwangbevel waarbij zij door de administratie als beroepsoprichters werden beschouwd.

Eerder ondertekende **V. S.** in juni 1980 (volgens **S.** geschiedde dit op 16 juni 1980) de naheffingsopgave ten bedrage van 1.407.927 frank, waarbij hij zich schuldenaar van de Belgische Staat erkende ten belope van voormeld bedrag dat werd berekend in aanmerking genomen zijn hoedanigheid van beroepsoprichter.

Appellant **S.** beweert bewijsloos dat zijn handtekening werd "afgedwongen onder bedreiging". De ambtenaar die stelt de wet te zullen toepassen, gebruikt geen geweld of bedreiging.

Appellant **S.**, architect van beroep en BTW-plichtige, die voorheen duidelijk had geopteerd de verkoopactiviteiten aan te geven in zijn hoedanigheid van toevallige oprichter, kan niet voorhouden dat dit voor hem een intimidatie uitmaakte waardoor zijn schuldbekentenis zou zijn afgedwongen.

De omstandigheid dat de administratie zich, na tussenkomst van de Minister (brief 29 september 1992), akkoord verklaarde het geschil te beëindigen op grond van de vaststelling dat appellanten de hoedanigheid hadden van belastingplichtigen zoals bepaald in [artikel 8, § 2 BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-8), toont niet aan dat de administratie een fout heeft begaan.

Nergens kan uit de voormelde brief van de Minister enig element worden geput om te besluiten dat de instrumenterende BTW-ambtenaar enig misbruik zou hebben gepleegd.

Dat achteraf de eindafrekening zoals opgesteld door inspecteur **J.** (verschuldigde belasting : 967.594 frank) en de definitieve BTW-aanslag (942.190 frank) in orde van grootte ongeveer overeenkwam met de door appellanten aanvankelijk aangegeven BTW-schuld (909.338 frank - zie berekening in de brief van de raadsman van appellanten op 2 juli 1980), is geen bewijs van "het gelijk" van appellanten enerzijds, en van de fout van de administratie anderzijds.

In acht genomen de voorgaanden van deze BTW-schuld, moet eerder worden vastgesteld dat de fiscale verwikkelingen werden afgesloten op minnelijke basis.

Zelfs de brief van de Minister d.d. 29 september 1992, welke de aanzet vormde tot deze oplossing, vangt aan met de stelling dat appellanten de hoedanigheid van BTW-plichtigen hadden bedoeld in [artikel 8, § 1 van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-8).

Het feit dat deze discussies "bijna vijf jaren aansleepten" (blz. 42 beroepsconclusie) is niet bepalend voor toerekening van enige fout in hoofde van de administratie. Nu de administratie duidelijk bij wijze van vergelijk haar akkoord betuigde om appellanten als "toevallige oprichters" te beschouwen, waarna appellant **S.** afstand deed van het geding, kan de duur van de voorafgaande onderhandelingen tussen partijen niet worden beschouwd als een constitutief foutbestanddeel.

Evenzo kan het derdenbeslag door de administratie in handen van notaris **V.** niet worden aangezien als een onrechtmatige handeling. De overheid handelde hierbij in uitvoering van de wettelijke beschikkingen. De beslissing over te gaan tot derdenbeslag kan zeker niet als lichtzinnig worden bestempeld, nu appellanten zich manifest niet akkoord verklaarden met de heffingsopgave zoals deze op dat ogenblik door de administratie werd nagestreefd.

Indien appellanten pas op 4 december 1984 de opheffing bekwamen van het beslag, dan kan ook "het aanslepen van het beslag" geen fout opleveren in hoofde van de administratie.

Immers werd na het vergelijk tussen partijen, een berekeningsnota opgesteld door de administratie. Na nieuwe gesprekken wordt de definitieve berekening opgesteld op 30 augustus 1984, die door appellanten werd aanvaard.

Tenslotte verwijten appellanten aan de BTW-administratie, destijds verkeerde informatie te hebben doorgegeven aan het Bestuur der Directe Belastingen.

Uit de overgelegde stukken blijkt dat de BTW-administratie handelend op regelmatige wijze de oorspronkelijke controlebevindingen waarvan hoger sprake (en waaromtrent **S. V.** in juni 1980 zijn akkoord betuigde !) heeft medegedeeld aan de administratie Directe Belastingen.

Indien op grond hiervan door deze administratie een aanslag werd vastgesteld (die achteraf niet werd aangehouden), dan kan de mededeling van vermelde·gegevens niet worden gelijkgesteld met een foutief bericht.

Het door appellanten overgelegde aanslagbiljet (inkomsten 1977) werd verstuurd op 7 januari 1981.

De BTW-administratie liet het dwangbevel betekenen op 1 april 1981 en het verzet ten verzoeke van **S.** werd betekend op 9 april daarop.

Op de datum van de uitvoerbaarverklaring van het kohier (aanslag directe belastingen inkomsten jaar 1977), met name op 30 december 1980 (zie bundel appellanten, stuk 26) werd door de BTW-administratie nog steeds (maar ook foutloos) voorgehouden dat appellanten niet de hoedanigheid hadden van toevallige, maar van beroepsoprichters.

Bij gebreke aan het bewijs van enige fout in hoofde van de diensten van de BTW-administratie, moet het bestreden vonnis worden bevestigd in zoverre het de vordering van appellanten als ongegrond heeft afgewezen.

## Vordering wegens tergend en roekeloos hoger beroep

Ter terechtzitting van 23 november 2000 werd door de raadsman van geïntimeerde verduidelijkt dat de vordering van geïntimeerde die in beroepsconclusies werd geformuleerd, moet worden beschouwd als een vordering tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep en niet als een incidenteel beroep.

Door het instellen van hoger beroep tegen het vonnis van de eerste rechter dat amper vijf alinea's motivatie bevat, hebben appellanten geen misbruik gemaakt van hun principieel recht van dubbele aanleg in civiele zaken, en a fortiori kan een dergelijk hoger beroep niet als tergend en roekeloos worden beschouwd.

### Dispositif

## OM DEZE REDENEN:

**HET HOF,** rechtdoende na **tegenspraak**,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;

Ontvangt het hoger beroep; recht doende binnen de perken ervan, verklaart het ongegrond en bevestigt het bestreden vonnis;

Rechtsprekend omtrent de vordering van geïntimeerde wegens tergend en roekeloos hoger beroep,

verklaart deze vordering ontvankelijk doch ongegrond;

Veroordeelt appellanten in de kosten van het hoger beroep begroot in hoofde van appellanten op 23.400 frank (6.200,- + 17.200,-) en in hoofde van geïntimeerde op 17.200 frank.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de **burgerlijke eerste kamer** van het hof van beroep te Brussel, op **21 december 2000**.

waar aanwezig waren en zitting hielden :

**W. M.**, Voorzitter;

**K. B.**, Adjunct-griffier.

**K. B.** **W. M.**

## Textes cités

1

[CTVA art. 8](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-8) 4 occurrences

## Décisions similaires

8

[Travaux immobiliers, Taux réduit de TVA](https://juriel.be/fr/jurisprudence/travaux-immobiliers-taux-reduit-tva-cour-appel-gand-2022-03-15-2602) 1 dispositions communes

[Assujetti occasionnel, Amende, Intérêts, Déclaration, amende fiscale](https://juriel.be/fr/jurisprudence/assujetti-occasionnel-amende-interets-declaration-cour-appel-bruxelles-2021-09-08-81ff) 1 dispositions communes

[Droit à déduction, Assujetti occasionnel, Bâtiment nouvellement érigé](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-assujetti-occasionnel-batiment-cassation-bruxelles-2012-12-21-070e) 1 dispositions communes

[Prescription, interruption de prescription, assujetti occasionnel, immeuble neuf](https://juriel.be/fr/jurisprudence/prescription-interruption-assujetti-occasionnel-immeuble-tribunal-liege-2017-01-09-0c75) 1 dispositions communes

[Droit à Déduction, Conditions d’exercice, Lien direct et immédiat](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-conditions-exercice-lien-cour-appel-liege-2020-03-24-1606) 1 dispositions communes

[Déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/deduction-lien-direct-immediat-entre-cassation-bruxelles-2010-02-26-1c8e) 1 dispositions communes

[Exonération, autre exemption, poursuite, instance](https://juriel.be/fr/jurisprudence/exoneration-autre-exemption-poursuite-instance-tribunal-anvers-2006-05-15-558d) 1 dispositions communes

[Bâtiment neuf, Bâtiment ancien transformé, Prestation de services unique](https://juriel.be/fr/jurisprudence/batiment-neuf-ancien-transforme-prestation-cour-appel-liege-2018-06-22-5829) 1 dispositions communes
