---
title: "Assujettissement, champ d&#x27;application · Cour d&#x27;appel de Gand, 27 avril 2004"
description: "Assujettissement, champ d'application, service, opération imposable, exonération, autre exemption. Cour d'appel de Gand (Belgique), 27 avril 2004."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/assujettissement-champ-application-service-operation-cour-appel-gand-2004-04-27-20d8"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Assujettissement, champ d'application, service, opération imposable, exonération, autre exemption · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Gand

**Date**

27 avril 2004

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

99 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 27.04.2004

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

## UITTREKSEL UIT DE MINUTEN BERUSTENDE TER GRIFFIE VAN HET HOF VAN BEROEP TE GENT

Nr. **2002/AR/902**

in de zaak van :

**S. O.**, vertegenwoordigd door haar College van Burgemeester en Schepenen, met kantoren te …, …,

**appellante van een vonnis van de REA te Brugge, 4° Kamer, dd.15.01.2002**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **M. M.**, advocaat te … (…), …

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, FOD Financiën, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te Oostende, wiens kantoren gevestigd zijn te 8400 Oostende, Vrijhavenstraat 1,

**geïntimeerde,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **D. K.** loco mr. **D. S. L.**, advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

**1.** Bij tussenarrest van 21.10.2003 werd reeds beslist dat het ter beschikking stellen van een ligplaats in de jachthaven tegen betaling van liggeld te dezen te beschouwen was als een activiteit omschreven in [artikel 4, § 1 BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-4).

Thans dient te worden onderzocht of de door de appellante aldus uitgeoefende werkzaamheid door haar al dan niet wordt uitgeoefend als *"overheid"* ([artikel 6, eerste lid BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-6); artikel 4.5 Zesde Richtlijn nr. 77/388/EEG Raad 17 mei 1997).

De politieverordening betreffende de haven aangenomen in de gemeenteraad van de Stad Oostende van 25.5.1973 (stuk 18 van de appellante) legt onder meer volgende verplichtingen op :

\- de vaartuigen moeten de hun aangewezen ligplaats innemen (artikel 4, § 1);

\- vooraleer de haven te verlaten, is de kapitein of schipper van ieder vaartuig verplicht de betaling van alle havenrechten (en hiertoe behoren naar het oordeel van het Hof de liggelden voorwerp van het geschil), alsook van alle geldboeten en schuldverordeningen (wellicht worden hier *"schuldvorderingen"* bedoeld) van het stadsbestuur, te zijnen laste en/of ten laste van zijn vaartuig, te verzekeren (artikel 9).

Deze verplichtingen worden onder meer gesanctioneerd door een geldboete en/of een gevangenisstraf (artikel 83).

Het opleggen van dergelijke sanctie is een overheidsprerogatief waarover de particulier niet beschikt. Er moet derhalve aangenomen worden dat het ter beschikking stellen van ligplaatsen in de jachthaven tegen betaling van liggelden door de Stad Oostende gebeurt in het kader van een specifiek publiekrechtelijk juridisch regime.

Hieruit dient te worden afgeleid dat de Stad Oostende deze werkzaamheid uitoefent als *"overheid"* in de zin van de artikelen [6 eerste lid](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-6) BTW-wetboek en 4.5 Zesde Richtlijn. Hierbij zijn de modaliteiten van de uitoefening van de werkzaamheid bepalend (vergelijk met o.m. HvJ, 17.10.1989, [C-231/87](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-231-87-arret) en [C-129/88](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-231-87-arret), *Ufficio Distrettuale delle Imposte Dirette di Fiorenzuola d' Arda tegen Comune di Carpaneto Piacentino, en Comune di Rivergaro tegen Ufficio Provinciale Jmposta sul valore aggiunto di Piacenza*, www.curia.eu.int ). ongeacht of de haven al dan niet tot het openbaar domein behoort (vergelijk met o.m. HvJ, 14.12.2000, [C-446/98](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-446-98-arret), *Fazenda Publica tegen Cámara Municipal do Porto*, www.curia.eu.int ). ongeacht het voorwerp of het doel van de werkzaamheid (vergelijk met o.m.. HvJ, 17.10.1989, [C-231/87](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-231-87-arret) en [C-129/88](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-231-87-arret), reeds aangehaald) (zoals het algemeen belang of een *"specifieke overheidstaak"* of *"absoluut noodzakelijke overheidstaak"* zoals de geïntimeerde aanhaalt).

**2.** De appellante stelt dat het aan de geïntimeerde behoort aan te tonen dat de wettelijke voorwaarden van belastbaarheid zijn vervuld, en dus dat er sprake is van handelingen van een beduidende omvang.

De geïntimeerde stelt zich op het standpunt dat de door de appellante geïnde liggelden BTW-belastbaar zijn bij toepassing van [artikel 6 BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-6) en artikel 1, 1°, 5 e gedachtestreepje van het KB nr. 26 d.d. 2.12.1970. Deze laatste bepaling luidt : *"Als belastingplichtige voor de belasting over de toegevoegde waarde worden aangemerkt : ... de levering van goederen en het verrichten van diensten in het kader van de exploitatie van havens, bevaarbare waterlopen en vlieghavens;"*

Met deze bepalingen werden artikel 4.5, derde lid zesde richtlijn nr. 77/388/EEG Raad 17 mei 1997 in het Belgisch recht getransponeerd. Deze bepalingen van het Belgisch recht dienen richtlijnconform te worden geïnterpreteerd.

Artikel 4.5 derde lid van de zesde richtlijn luidt : *"Genoemde lichamen (d.i. de in het eerste lid opgesomde publiekrechtelijke lichamen) worden in elk geval beschouwd als belastingplichtig met name voor de in bijlage D genoemde werkzaamheden, voor zover deze niet van onbeduidende omvang zijn."* In bijlage D wordt als een van de bedoelde werkzaamheden vermeld : *"4. Haven­ en luchthavendiensten."*.

De bedoeling van artikel 4.5 derde lid van de zesde richtlijn is te voorkomen *"dat bepaalde categorieën economische activiteiten, waarvan het belang uit de aard van die werkzaamheden voortvloeit, niet in de BTW-heffing worden betrokken op grond dat zij door publiekrechtelijke lichamen als overheid worden verricht."* (zie in deze zin HvJ, 17.10.1989, [C-231/87](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-231-87-arret) en [C-129/88](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-231-87-arret), reeds aangehaald, cijfer 26).

Artikel 4.5 derde lid van de zesde richtlijn dient ook zo te worden uitgelegd, dat de Lid-Staten de in bijlage D genoemde werkzaamheden die van onbeduidende omvang zijn, kunnen uitsluiten van de voorgeschreven belastingplicht, doch daartoe niet verplicht zijn (zelfde arrest). De Belgische wetgever heeft dit echter wèl gedaan, waar [artikel 6 derde lid BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-6) voorziet. *"Bovendien bepaalt Hij (d.i. de Koning) de handelingen waarvoor, voor zover deze niet van onbeduidende omvang zijn, de bovengenoemde lichamen steeds als belastingplichtige worden aangemerkt."*

Uit dit alles volgt dat de belastbaarheid van de haven- en luchthavendiensten, ingevolge de aard van de werkzaamheid, de regel is, en de niet-belastbaarheid ingevolge de onbeduidende omvang de uitzondering waarvan het bewijs door de belastingplichtige, te dezen de appellante, dient te worden geleverd.

Dit bewijs wordt niet geleverd. Ten overvloede wijst de omzet van de jachthaven nl. … BEF over 4 jaar, hetzij iets meer dan … BEF per jaar (zie het proces-verbaal van 13.12.1999, stuk 1 van de administratie) eerder op een activiteit van beduidende omvang.

Niet dienend is het argument van de appellante dat de loonkost de opbrengst van de liggelden opslorpt. De vraag is te dezen immers niet of er winst wordt gemaakt en hoeveel, maar wel welke de omvang is van de werkzaamheden wat onder meer kan blijken uit de omzet.

**3.** De appellante beroept zich op de vrijstelling voorzien bij [artikel 44, § 2, 3° BTW­wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-44) en bij artikel 13, A, 1, m Zesde Richtlijn nr. 77/388/EEG Raad 17 mei 1977 (sportexploitatie).

De door de appellante geïnde liggelden zijn deze voor het aanleggen van pleziervaartuigen in de **M.** jachthaven te … (zie de tariefverordening, stuk 17 van de appellante).

Zonder nader in te gaan op de vraag of het gebruik van de bedoelde pleziervaartuigen als sport te beschouwen is, moet worden vastgesteld dat de appellante enkel een ligplaats voor de vaartuigen in kwestie verschaft. Zij laat toe dat het middel waarmee (eventueel) sport wordt beoefend, wordt ondergebracht wanneer er niet mee gevaren wordt (en er dus geen sportbeoefening is). De appellante is niet te beschouwen als exploitant van een sportinrichting in de zin van [artikel 44, § 2, 3° BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-44).

Ook op grond van artikel 13, A, 1, m Zesde Richtlijn nr. 77/388/EEG Raad 17 mei 1977, toegepast hetzij met het oog op richtlijnconforme interpretatie hetzij als zelfstandige bepaling, geniet de appellante geen vrijstelling.

Het is vaste rechtspraak van het Hof van Justitie 25 dat de bewoordingen waarin de in [artikel 13 van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-13) bedoelde vrijstellingen zijn omschreven, strikt moeten worden uitgelegd, daar die vrijstellingen afwijkingen zijn van het algemene beginsel, dat BTW wordt geheven over elke dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht (vergelijk met o.m. HvJ, 12.9.2000, [C-358/97](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-358-97-arret), *Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Ierland*, cijfer 52 en de aldaar nog aangehaalde rechtspraak, www.curia.eu.int ).

Bovendien worden niet vrijgesteld de diensten die samenhangen met de beoefening van sport of met lichamelijke opvoeding, doch enkel de diensten die *"nauw"* samenhangen met de beoefening van sport of met lichamelijke opvoeding, zoals uitdrukkelijk bepaald in artikel 13, A, 1, m Zesde Richtlijn.

Het louter ter beschikking stellen van een ligplaats is geen dienst die nauw samenhangt met de beoefening van sport of met lichamelijke opvoeding.

**4.** De appellante beroept zich op de vrijstelling voorzien bij [artikel 44, § 3, 2° BTW­wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-44) en artikel 13, B, b, Zesde Richtlijn nr. 77/388/EEG Raad 17 mei 1977 (onroerende verhuur).

**a.**

Waar [artikel 44, § 3, 2° BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-44) voorziet in de vrijstelling voor verhuur van uit hun aard onroerende goederen is het een implementatie van het [artikel 13, B, eerste lid, b) van de zesde richtlijn 77/388/EEG](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-13), zodat het dient te worden uitgelegd in het licht van de bewoordingen en het doel van de richtlijn.

Dit brengt onder meer met zich dat bij het onderzoek van de vraag of te dezen al dan niet sprake is van onroerende verhuur in de zin van [artikel 44, § 3, 2° BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-44), zoals de appellante verdedigt, de volgende principes dienen te worden in acht genomen (zie hieromtrent onder meer HvJ, d.d. 12 juni 2003, [C-275/01](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-275-01-arret), *Sinclair Collis Ltd tegen Commissioners of Customs & Excise*, in het bijzonder cijfers 22 tot 26, www.curia.eu.int) :

\- de bewoordingen waarin de in [artikel 13 van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-13) bedoelde vrijstellingen zijn omschreven, moeten strikt worden uitgelegd, daar die vrijstellingen afwijkingen zijn van het algemene beginsel dat BTW wordt geheven over elke dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht;

\- de vrijstellingen van [artikel 13 van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-13) zijn autonome communautaire rechtsbegrippen en dienen derhalve een communautaire definitie te krijgen;

\- wat de in [artikel 13, B, sub b, van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-13) bedoelde vrijstellingen betreft, geeft deze bepaling geen omschrijving van het begrip *"verhuur"* en verwijst zij evenmin naar de respectieve omschrijvingen van dat begrip in de wettelijke regelingen van de lidstaten; krachtens de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is het wezenlijke kenmerk van de verhuur van onroerende goederen in de zin van [artikel 13, B, sub b, van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-13), dat aan de houder voor een overeengekomen tijdsduur tegen vergoeding het recht wordt verleend, een onroerend goed te gebruiken als ware hij de eigenaar ervan en ieder ander van het genot van dat recht uit te sluiten.

Deze laatste voorwaarden zijn vervuld voor de terbeschikkingstelling van een welbepaalde ligplaats in de **M.** jachthaven, als onroerende verhuur in de zin van artikel 44,v § 3, 2° BTW-wetboek en artikel 13, B, b, Zesde Richtlijn te beschouwen.

De vrijstelling voor onroerende verhuur geldt echter niet voor de *"terbeschikkingstelling van stalling voor rijtuigen"* (artikel 44, § 3, 2°, a, eerste lid BTW-wetboek). De bewoordingen van deze uitzondering op de vrijstelling voor onroerende verhuur dienen te worden geïnterpreteerd in de zin van artikel 13, B, b, 2 Zesde richtlijn. Het woord *"rijtuig"* moet niet in zijn strikt letterlijke betekenis worden genomen (d.i. ofwel een door paarden getrokken wagen, ofwel een trein- of tramwagen - zie Van Dale, *Groot Woordenboek der Nederlandse Taal*, dertiende uitgave) maar in de betekenis van voertuig bedoeld door zowel de Zesde Richtlijn als door de Belgische wetgever (die in de Franse tekst van artikel 44, § 3, 2°, a, eerste lid BTW-wetboek het woord *"véhicule"* - in het Nederlands beter te vertalen door *"voertuig"* - heeft overgenomen uit de Franse versie van de Zesde Richtlijn, terwijl de Nederlandse tekst van de Zesde Richtlijn het eveneens over *"voertuigen"* heeft).

De betekenis die men aan het woord *"voertuig"* (in het Frans *véhicule*, in het Engels *vehicle*) geeft, is de ene maal ruim, de andere maal beperkt. In zijn ruime betekenis omvat het onder meer ook vliegtuigen en vaartuigen (zie bvb. *Le Nouveau Petit Robert*, Paris, uitg. juni 2000, lemma *véhicule*, 3; zie ook de zeer algemeen gehouden definitie van het woord *vehicle* in *Oxford Advanced Learner's Dictionary - Hornby*, sixth ed., 1 - zonder beperking of precisering of het dient om vervoer te land, te water, in de lucht e.d.), in zijn beperkte betekenis is het enkel een gestel op wielen of glijvlakken (Van Dale, op.cit., lemma *“voertuig”*, 1; in dezelfde zin : *An English-readers dictionary - Hornby and Parnwell*, eigteenth impression, lemma vehicle, 1).

Daar de vrijstellingen op de principiële belastingplicht restrictief uit te leggen zijn (zie hoger), dient gekozen voor de ruime betekenis van het woord en dient aangenomen dat de pleziervaartuigen voor welke tegen betaling van een liggeld een ligplaats wordt ter beschikking gesteld in de **M.** jachthaven, te beschouwen zijn als voertuigen (of rijtuigen) in de zin van artikel 44, § 3, 2°, a, eerste lid BTW-wetboek en artikel 13, B, b, 2 Zesde Richtlijn.

Met hantering van zelfde interpretatieregel dient ook aangenomen te worden dat de bedoelde ligplaatsen als **"stalling"** (artikel 44, § 3, 2°, a, eerste lid BTW­wetboek) of *"parkeerruimte"* (artikel 13, B, b, 2 Zesde Richtlijn) te beschouwen zijn. Deze begrippen zijn ruim uit te leggen (vergelijk met HvJ, 13.7.1989, [C-173/88](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-173-88-arret), *Skateministeriet t/ Marten Henriksen*, cijfer 12 www.curia.eu.int ).

In deze omstandigheden kan de appellante de bedoelde vrijstelling voor onroerende verhuur niet inroepen.

**b.**

In het bestreden vonnis had de eerste rechter reeds aangenomen dat een onroerende verhuur voorhanden was maar dat de vrijstelling voor onroerende verhuur niet gold voor de terbeschikkingstelling van stalling voor rijtuigen, wat volgens de eerste rechter hier ook het geval was. Door deze overwegingen heeft de eerste rechter het middel van de appellante weerlegd volgens welk zij geen BTW verschuldigd was ingevolge de vrijstelling voor onroerende verhuur.

De geïntimeerde tekende incidenteel beroep aan (zie de conclusie van de geïntimeerde neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 27.6.2002, p. 8 bovenaan) dat ertoe strekt *“… de motivering van de eerste rechter te verbreken, door te stellen dat de terbeschikkingstelling van een ligplaats in een jachthaven een dienst is die bedoeld is in artikel 18, § 1-1° W.BTW en derhalve belastbaar is met BTW, ook wanneer deze handeling wordt verricht door een Gemeente (art. 6, W.BTW)."*.

De geïntimeerde toont niet aan dat de door haar met incidenteel beroep bestreden motivering hem benadeelt. Het enkel feit dat de eerste rechter tot het besluit kwam dat de appellante de BTW verschuldigd was op grond van motieven waar de geïntimeerde blijkbaar niet achter staat, is ontoereikend om tot benadeling te besluiten.

Het incidenteel beroep is ontoelaatbaar bij gebrek aan belang.

**5.** De appellante houdt voor dat de geïntimeerde de beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden doordat de geïntimeerde gedurende jaren heeft aanvaard dat de appellante geen BTW verschuldigd was voor de liggelden en plots in 1999 op dit standpunt is teruggekomen. De geïntimeerde diende de door haar bij de appellante opgewekte verwachtingen (nl. dat op de liggelden geen BTW verschuldigd is) te honoreren en de wijziging van houding van de geïntimeerde is strijdig met het rechtszekerheidsbeginsel, aldus de appellante.

De appellante kan in haar stelling niet gevolgd worden.

De vraag of het ter beschikking stellen van een ligplaats in de jachthaven tegen betaling van een liggeld al dan niet een dienst is, onderworpen aan de BTW, betreft het recht en niet de feiten, zodat het rechtszekerheidsbeginsel begrepen in de beginselen van behoorlijk bestuur er niet op van toepassing is.

**6.** Uit hetgeen voorafgaat volgt dat de appellante de activiteit van ter beschikking stellen van ligplaatsen in de jachthaven tegen betaling van liggeld uitoefent als overheid, zij niet aantoont dat het een activiteit van onbeduidende omvang is, zij de vrijstellingen voorzien voor sportexploitatie of voor onroerende verhuur niet kan inroepen, en het ontwikkelde middel van schending van de beginselen van behoorlijk bestuur niet slaagt.

Toepassing van artikel 1, 1°, 5 e gedachtestreepje van het KB nr. 26 van 2.12.1970 moet echter tot het besluit leiden dat de BTW op de door de appellante uitgeoefende activiteit hoe dan ook verschuldigd is.

[Artikel 6 derde lid BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-6) (in de versie van toepassing voor de in betwisting zijnde jaren; zie ook artikel 4.5, derde lid, zesde richtlijn nr. 77/388/EEG Raad 17 mei 1997) voorziet dat de Koning de handelingen bepaalt waarvoor, voor zover deze niet van onbeduidende omvang zijn, de hoger in [artikel 6 BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-6) genoemde publiekrechtelijke lichamen steeds als belastingplichtige worden aangemerkt.

De door de wetgever in [artikel 6, derde lid BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-6) gegeven opdracht werd uitgevoerd in het KB nr. 26 d.d. 2.12.1970 met betrekking tot het onderwerpen van de openbare instellingen aan de belasting over de toegevoegde waarde. Artikel 1, 1°, 5 e gedachtestreepje van dit KB bepaalt : *"Als belastingplichtige voor de belasting over de toegevoegde waarde worden aangemerkt : ... de levering van goederen en het verrichten van diensten in het kader van de exploitatie van havens, bevaarbare waterlopen en vlieghavens;"*.

De appellante verdedigt echter de stelling dat de wetgever aldus aan de Koning een bevoegdheid heeft gegeven om op algemene en abstracte wijze de handelingen te bepalen welke aanleiding geven tot belastingplicht en acht dit in strijd met artikel 170 Grondwet/1994. Volgens de appellante moet alles wat als essentieel wordt beschouwd voor de belastingheffing door de wet worden geregeld, is dit een exclusieve bevoegdheid, en houdt artikel 170 Grondwet/1994 het verbod voor de wetgevende macht in om de eigenlijke belastingbevoegdheid aan de uitvoerende macht over te dragen. De appellante vordert daarom dat het Hof de hoger aangehaalde bepaling van het KB nr. 26 buiten toepassing zou verklaren (artikel 159 Grondwet/1994).

Met de bepaling van Artikel 1, 1°, 5 e gedachtenstreepje van het KB nr. 26 is de Koning binnen de hem uitdrukkelijk door de wetgever in [artikel 6, derde lid BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-6) gegeven opdracht gebleven. Indien de door de appellante voorgehouden ongrondwettelijkheid werd begaan dan gebeurde dit door de wetgever, nl. wanneer hij de in [artikel 6, derde lid BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-6) omschreven opdracht aan de Koning gaf.

In zoverre de appellante aan het Hof vraagt deze opdra,cht aan de Grondwet te toetsen, nodigt zij het Hof uit over te gaan tot grondwettigheidscontrole van [artikel 6 derde lid BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-6). Het Hof is evenwel niet bevoegd om de wetten aan de Grondwet te toetsen (vergelijk o.m met Cass. 24.1.1996, Pas. 1996, I, nr. 50, p. 113).

In deze omstandigheden dient de hierna omschreven vraag aan het Arbitragehof te worden gesteld.

### Dispositif

**OP DIE GRONDEN,**

**HET HOF,** recht doende op **tegenspraak**,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Verklaart het incidenteel beroep ontoelaatbaar.

Alvorens verder te oordelen over het hoofdberoep.

Verzoekt het Arbitragehof uitspraak te doen over volgende prejudiciële vraag :

> *"Schendt* [*artikel 6 derde lid BTW-wetboek*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-6) *in samenhang met het KB nr. 26 van 2.12.1970 de artikelen 170, 172, 10 en 11 Grondwet/1994, in samenhang met de artikelen 105 en 108 Grondwet/1994, in zoverre het aan de Koning opdracht geeft de handelingen te bepalen waarvoor, in zover deze niet van onbeduidende omvang zijn, onder meer de gemeenten steeds als belastingplichtige worden aangemerkt, en meer bepaald te dezen voor de levering van goederen en het verrichten van diensten in het kader van de exploitatie van havens?"*

Verzendt de zaak naar de bijzondere rol in afwachting van de uitspraak van het Arbitragehof.

Houdt de beslissing over de kosten aan.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, **vijfde kamer bis**, op **ZEVENENTWINTIG APRIL TWEEDUIZEND EN VIER**.

Aanwezig de heren :

**G. T.**, Raadsheer, waarnemend voorzitter, alleenrechtsprekend,

**M. V.**, griffier.

**M. V.** **G. T.**

Voor eensluidend afschrift afgeleverd ingevolge Art. 30 van de Wet van 6/1/89

Aan : - STAD OOSTENDE

\- DE BELGISCHE STAAT

De Griffier,

**M. V.**

## REKWISITORIUM

Gezien de artikelen 4, 5 en 7 van de wet van 23 augustus 1919, de wet van 10 augustus 1920, de artikelen 22 en 23 van de wet van 29 juni 1929.

De ondergetekende, Griffier bij het Hof van beroep te Gent, aanzoekt de heer Post­ontvanger te Gent, aan de pleegvormen de aantekeningen van ambtswege te onderwerpen, de volgende stukken gericht aan het volgende adres :

## Zaak : 2002/AR/902 //Kamer : 5b

**(-)**

*STAD OOSTENDE*

*c/o COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN*

*Vindictivelaan 1*

*8400 OOSTENDE*

en de verzending bij de eerste postzending te willen verzekeren.

Gent, 04 mei 2004

**M. V.**, griffier.

## Textes cités

9

[CTVA art. 6](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-6) 11 occurrences

[6e directive 77/388 art. 13](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-13) 6 occurrences

[CTVA art. 44](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-44) 5 occurrences

[CTVA art. 4](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-4) 1 occurrence

[231/87 et 129/88, arrêt du 17 octobre 1989](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-231-87-arret) 3 occurrences

[173/88, arrêt du 13 juillet 1989](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-173-88-arret) 1 occurrence

[C-275/01, arrêt du 12 juin 2003](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-275-01-arret) 1 occurrence

[C-358/97, arrêt du 12 septembre 2000](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-358-97-arret) 1 occurrence

[C-446/98, arrêt du 14 décembre 2000](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-446-98-arret) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Annulation de la circulaire no 25 dd. 24.12.1993 de la TVA](https://juriel.be/fr/jurisprudence/annulation-tva-conseil-etat-all-2005-05-30-aa9b) 4 dispositions communes

[Assujettissement](https://juriel.be/fr/jurisprudence/assujettissement-activites-operations-cour-constitutionnelle-bruxelles-2008-07-17-104-2008) 4 dispositions communes

[Exemption article 44, Prestation d’enseignement, Principes de bonne administration](https://juriel.be/fr/jurisprudence/exemption-article-44-prestation-enseignement-tribunal-namur-2018-10-18-3982) 4 dispositions communes

[Association chargée de mission, théorie de l’émanation](https://juriel.be/fr/jurisprudence/association-chargee-mission-theorie-emanation-cour-appel-anvers-2024-10-11-3663) 3 dispositions communes

[Code de la taxe sur la valeur ajoutée](https://juriel.be/fr/jurisprudence/code-taxe-valeur-ajoutee-art-cour-constitutionnelle-bruxelles-2021-12-02-3910) 3 dispositions communes

[Association chargée de mission, Théorie de l’émanation](https://juriel.be/fr/jurisprudence/association-chargee-mission-theorie-emanation-tribunal-anvers-2022-10-07-7887) 3 dispositions communes

[Droit de déduction, Organisation d’événements, Mise à disposition d’équipements](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-organisation-evenements-mise-cour-appel-gand-2026-09-16-913b) 3 dispositions communes

[Exemptions](https://juriel.be/fr/jurisprudence/exemptions-professions-medicales-cour-constitutionnelle-bruxelles-2017-09-28-106-2017) 3 dispositions communes
