---
title: "18 juin 2002 · Assujettissement, champ d&#x27;application · Tribunal de première instance de Bruges"
description: "Assujettissement, champ d'application, livraison de biens, opération imposable, service. Tribunal de première instance de Bruges (Belgique), 18 juin 2002."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/assujettissement-champ-application-livraison-biens-tribunal-bruges-2002-06-18-bd00"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Assujettissement, champ d'application, livraison de biens, opération imposable, service · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Bruges

**Date**

18 juin 2002

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

108 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruges du 18.06.2002

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUGGE, VIERDE KAMER, HEEFT HET HIERNAVOLGEND VONNIS VERLEEND :**

in de zaak AR. nr. **01/0735/A**

van

**de R. Y. C. M. L. CVA**, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …, …, ingeschreven In het handelsregister te … onder nummer …,

**eiseres,**

vertegenwoordigd door meester **C. S.**, advocaat te … (…).

**tegen :**

**de BELGISCHE STAAT**, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te 8000 Brugge, G. Vincke Dujardinstraat 4,

**verweerder,**

vertegenwoordigd door meester **L. D. S.**, advocaat te ….

---

## I. PROCEDURE

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 21 mei 2002, waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.

De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.

De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten :

1.het exploot van verzet tegen het dwangbevel van 24 januari 2001, met dagvaarding, betekend op 23 februari 2001;

2.de conclusie voor verweerder van 11 april 2001;

3.de conclusie voor eiseres van 12 oktober 2001 en

4.de conclusie voor verweerder van 9 januari 2002.

Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.

## II. DE BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

*1. De feiten die relevant zijn voor het geschil*

Eiseres werd kennelijk opgericht in 1992 en had als enig bedrijfsmiddel een zeiljacht J-35 van Amerikaanse makelij. Bij de BTW-administratie bekwam eiseres een registratie als verhuurster van plezierboten.

Op 6 december 1996 werd een BTW-onderzoek gestart. De BTW-administratie betwistte toen dat eiseres kon aangemerkt worden als BTW-belastingplichtige. Het toenmalig standpunt van de BTW-administratie had voor gevolg dat de BTW op het genoemde zeiljacht (… frank of … euro) ten onrechte zou zijn afgetrokken. Eiseres stemde met dat standpunt niet in. Wel tekende de bestuurder van eiseres, de heer **L. M.** op 30 juni 1997 een akte van verzaking aan de gelopen termijn van verjaring met betrekking tot die betwisting, de daarop betrekking hebbende BTW, de geldboeten en de interest tot 20 maart 1997. De verzaking aan de verjaring was uitdrukkelijk gemotiveerd door de wil van de partijen om een oplossing voor de betwistingen te bekomen (stuk 1 dossier, verweerder).

Op 17 juni 1999 hervatte de BTW-administratie haar onderzoek. Op het adres van eiseres in … werd niemand aangetroffen. Uiteindelijk kon met de gevolmachtigde van eiseres een afspraak gemaakt worden op het kantoor van de inspectiedienst.

De inspecteur maakte op 8 augustus 2000 een proces-verbaal op van zijn bevindingen en zijn gevolgtrekkingen: In dat R.V. aanvaardt hij voor de periode tot 12 oktober 1996 dat eiseres BTW-plichtige was. Er werd afgegaan op de verklaring van gevolmachtigde van eiseres dat de verhuring beperkt was omdat er voornamelijk werd deelgenomen aan zeilwedstrijden. De inspecteur noteerde ook dat de gevolmachtigde van, eiseres verklaard heeft dat het aantal wedstrijddagen 30 per jaar benaderd.

Het aantal dagen verhuring werd als volgt vastgesteld : 1993 : 12 dagen, 1994 : 8 dagen, 1995 : 3 dagen en 1996 : 6 dagen.

Voor 1993, 1994 en 1995 werden het aantal dagen activiteit daarom op respectievelijk 42, 38 en 33 bepaald. De afschrijvingen voor die jaren werden vervolgens verhoudingsgewijs tot het aantal wedstrijddagen (telkens 30) als 'onttrokken' diensten in de zin van artikel 19, § 1 W.BTW aangemerkt. Daarop werd BTW gerekend.

Voor de jaren 1993, 1994 en 1995 werd op die manier de niet-voldane en dus nog verschuldigde BTW berekend op … euro (… frank).

Vermits er vanaf 12 oktober 1996 geen enkele verhuring meer plaats vond, stelde de inspecteur dat eiseres haar activiteit had stopgezet in de zin dat ze niet langer als BTW-plichtige kon beschouwd worden. Met toepassing van artikel 12, § 1, 5 W.BTW oordeelde de inspecteur dat de BTW verschuldigd was op de waarde (nI. de aankoopprijs) van het zeiljacht, naar aanleiding van de stopzetting van de BTW-activiteit. Als maatstaf van heffing werd de oorspronkelijke aankoopprijs genomen, verminderd met de gedane afschrijvingen. Aldus werd naar aanleiding van de stopzetting van de BTW-activiteit een bedrag aan BTW verschuldigd verklaard van … euro (… frank).

Bovendien werden geldboeten opgelegd.

Het proces-verbaal van 8 augustus 2000 verklaarde in het totaal voor … euro BTW en voor … euro geldboeten verschuldigd, te vermeerderen met interest op … euro (… frank) vanaf 21 januari 1997.

Op 24 januari 2001 werd aan eiseres een dwangbevel betekend voor diezelfde bedragen.

Met een exploot van verzet-dagvaarding van 23 februari 2001 stelde eiseres haar huidige vordering in.

*2. De vorderingen van de partijen*

Eiseres vordert dat de rechtbank het proces-verbaal van 8 augustus 2000 en het dwangbevel van 24 januari 2001 nietig en zonder gevolg zou verklaren en zou zeggen voor recht dat eiseres de in het dwangbevel vermelde bedragen, boetes en interesten niet verschuldigd is.

Eiseres vraagt bovendien dat verweerder zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten en dat de rechtbank het vonnis uitvoerbaar zou verklaren bij voorraad, zelfs wanneer een rechtsmiddel zou worden aangewend, zonder dat de uitvoering afhankelijk kan gesteld worden van een borgstelling en met uitsluiting van het kantonnement.

**Verweerder** vordert dat het verzet en de vordering van eiseres door de rechtbank zouden worden afgewezen als ongegrond en dat eiseres zou verwezen worden In de gerechtskosten.

## III. BEOORDELING

*1. De ontvankelijkheid van de vordering*

Verweerder voert geen redenen aan die tot onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

*2. De grond van de vordering*

2.1. Stelling van eiseres

Voor de jaren 1993 tot 1995 roept eiseres in eerste orde de verjaring in. De akte van afstand van verjaring heeft betrekking op iets anders dan het voorwerp van de huidige vordering, zo stelt zij.

In tweede instantie voert eiseres aan dat verweerder niet bewijst dat zij van de zeilboot gebruik maakte buiten haar economische activiteit. Volgens eiseres kan het proces-verbaal van 8 augustus 2000 dat bewijs niet leveren omdat er nauwelijks iets werd vastgesteld. In het bijzonder ontkent eiseres dat haar gevolmachtigde aan de BTW-inspecteur zou verklaard hebben dat er zo'n 30 wedstrijddagen per jaar zijn. Ondergeschikt stelt eiseres dat dat aantal nergens op steunt en louter arbitrair is.

In wezen stelt eiseres dat het proces-verbaal alleen het bewijs levert van het aantal dagen verhuring.

Eiseres benadrukt dat het de gezondheidstoestand van zowel de bestuurder, **L. M.**, als van zijn echtgenote (in 1994 overleden) en van hun zoon **L.** was die er de oorzaak van waren dat de zeilboot zo weinig verhuurd werd.

Eiseres voert ook aan dat de BTW-administratie zich niet mag inlaten met de wijze waarop het bedrijf van eiseres beheerd wordt. Volgens haar kan de aftrek van BTW niet geweigerd worden omdat van het betreffende bedrijfsgoed minder gebruik gemaakt wordt. Zij beroept zich ook op haar recht om zelf te beslissen dat het haar bestuurder is die de zaak exploiteert, zonder personeel, zonder reclame enz.

Dat de VZW **S. V. C.** …, waar de boot gelegen is, geen commerciële activiteiten toelaat, is volgens eiseres niet langer actueel; de statuten zouden zijn aangepast.

Eiseres verwijst ook naar de historiek van het dossier. Bovendien stelt zij dat de Administratie van Directe Belastingen - na bezwaar - akkoord ging om de zeilboot als bedrijfsgoed te beschouwen. De houding van verweerder acht zij daarom in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur.

2.2. Stelling van verweerder

Verweerder beroept zich voor haar bewijsplicht vooreerst op het proces-verbaal van 8 augustus 2000. Daaruit blijkt volgens haar dat eiseres de zeilboot ook gebruikte buiten haar economische activiteit. Voor de gevolgtrekkingen verwijst zij eveneens naar dat proces-verbaal (zie het feitenrelaas hierboven).

Ter ondersteuning van zijn stelling dat er geen economische activiteit meer is en dat het slechts gaat om een constructie voor persoonlijke aanwending, voor de vriendenkring en de eigen relaties van de heer **M.**, beroept verweerder zich op de volgende feiten :

\- eiseres beschikt niet over een wezenlijke organisatie (slechts sporadisch iemand aanwezig, geen werk- of ontvangstruimte, geen infrastructuur om boekhouding te voeren);

\- er is geen aanwijzing van commercialisering (geen publiciteit, geen telefoon, geen fax);

\- eiseres heeft geen personeel, terwijl de verzekeringspolis slechts in dekking voorziet wanneer zich iemand van eiseres tijdens de chartervaarten op de boot bevindt;

\- de voorgelegde contracten (facturen) laten geen prijsstructuren uitschijnen en datum en duur van de vaart zijn niet vermeld;

\- in de **S. V. C.** … is het verboden om een commerciële activiteit uit te voeren.

\- sedert oktober 1996 is er geen verhuring van de zeilboot meer voorgekomen.

Uit de verklaring van **L. M.** dat de geringe verhuring in 1994 en 1995 onder andere veroorzaakt werd door de zeer sterke toename van het werkvolume in zijn bouwbedrijf, leidt verweerder af dat eiseres slechts kan tijd spenderen aan verhuring in zijn functie van de vrije tijd van haar bestuurder. Met betrekking tot het bezwaar bij de taxatiedienst van de Administratie van Directe Belastingen, stelt eiseres dat dit geen repercussies heeft op het vlak van BTW; dat het weliswaar klopt dat de aanslag in hoofde van de bestuurder voor de aanslagjaren 1994 en 1995 ontheven werd, maar dat verweerder voor het overige geen uitstaans heeft met die ontheffing door haar zusteradministratie.

2.3. Beoordeling

Er moet een onderscheid gemaakt worden tussen de periode 1993 - 1995 enerzijds en de periode vanaf 1996. In die eerste periode heeft verweerder immers - uiteindelijk - wel erkend dat eiseres een economische activiteit uitoefende en dat de zeilboot een bedrijfsgoed was. Voor 1993, 1994 en 1995 berekende de BTW-administratie in het proces-verbaal van 8 augustus 2000 immers de BTW die wegens 'onttrekking voor privé-doeleinden' in toepassing van artikel 19, § 1 W.BTW, had moeten zijn aangegeven en betaald. Deze regeling gaat er essentieel van uit dat eiseres een BTW-plichtige was in de periode 1993-1995 en dat de zeilboot een bedrijfsgoed was, waarvoor de BTW-aftrek gerechtvaardigd was.

Pas vanaf 1996 wordt de bedrijfsmatige exploitatie betwist.

Het bestreden dwangbevel is volledig gebaseerd op het proces-verbaal van 8 augustus 2000. Zoals blijkt uit het feitenrelaas, zijn de bestreden bedragen bijgevolg ook op te splitsen in de twee onderscheiden periodes (en argumentaties).

**2.3.1.** Periode 1993-1995 (… euro BTW)

**2.3.1.1.**

Eiseres beroept zich ten onrechte op de verjaring voor die periode. De 'akte van verzaking aan de gelopen termijn van verjaring' die namens eiseres werd ondertekend op 30 juni 1997, slaat immers op de 'oplossing voor deze betwistingen'. Die betwistingen waren niet alleen - zoals eiseres aanvoert - op ten onrechte afgetrokken BTW, maar ook op de principiële vraag of eiseres als BTW-plichtige kon worden aangemerkt. De afstand van de verjaring werd getekend omdat de betwisting nog niet opgelost was. Dat hield noodzakelijk in dat de beide partijen nog hun visie konden bijsturen zonder dat de BTW-administratie zich zorgen moest maken over de verjaringstermijn. Uiteindelijk heeft de BTW-administratie dan een zekere tegemoetkoming gedaan door voor de betrokken periode het bedrijfsmatig karakter van de exploitatie te erkennen, weze het dat ze tegelijk BTW verschuldigd achtte wegens ’onttrekking’.

Mocht deze 'koerswijziging' niet gedekt zijn door de afstand van verjaring, dan zou dit tot gevolg hebben dat het geen zin meer heeft om de administratie te overtuigen van een gedeeltelijk ongelijk; de administratie zou dan immers nog slechts de keuze hebben tussen ofwel halsstarrig op haar standpunt blijven, ofwel volledig toegeven. Dat zou in strijd zijn met een goede werking van de administratie; niet zelden wordt de afstand van de verjaring aanvaard om te vermijden dar de administratie meteen een dwangbevel betekent, waardoor de partijen op een minder vrije manier tot een discussie komen.

Er is dus geen verjaring ingetreden.

**2.3.1.2.**

Voor het overige stelt de rechtbank vast dat verweerder zich beroept op de bewijswaarde van het proces-verbaal van 8 augustus 2000, terwijl eiseres nalaat om het bewijs van het tegendeel te leveren op de punten die zij betwist.

De partijen stellen allebei terecht dat de bewijswaarde van het proces-verbaal van de BTW-inspecteur zich beperkt tot die elementen die hij heeft kunnen vaststellen. Zijn gevolgtrekkingen hebben die bewijswaarde niet en de rechtbanken beoordelen ze in alle vrijheid.

De BTW-vordering voor de betreffende periode is gebaseerd op het feit dat de zeilboot gedurende 30 dagen per jaar voor niet-economische activiteiten (verhuring) wordt gebruikt, met name om deel te nemen aan wedstrijden. Het proces-verbaal stelt in dat verband letterlijk : *Volgens de heer* ***D.*** *benadert het aantal wedstrijddagen 30 per jaar*. Verweerder erkent in conclusies dat het om een cijfer gaat dat niet met juistheid kan worden vastgesteld en eiseres leidt daaruit af dat de berekening arbitrair zou zijn.

De BTW-inspecteur heeft genoteerd wat de gevolmachtigde van eiseres verklaard heeft. Hij kon zich daarop beroepen. Tot het bewijs van het tegendeel mag de BTW-administratie derhalve aannemen dat er ongeveer 30 dagen per jaar aan wedstrijden werd deelgenomen. Een lager aantal dagen aannemen zou in elk geval arbitrair zijn; het bedrag dat genoemd werd, kon worden overgenomen. Verweerder kan niet volstaan met eenvoudig te beweren dat het bedrag niet correct en/of arbitrair is. Het tegenbewijs dat van eiseres zou moeten komen, zou moeten bestaan uit concrete, tastbare bewijzen ofwel van het exacte aantal dagen dat aan wedstrijden werd deelgenomen, of minstens van feiten die aanwijzen dat er veel minder wedstrijddagen waren. De rechtbank stelt vast dat eiseres zelfs geen ander getal in de plaatst stelt, laat staan dat ze daarvan een bewijs· zou aanbrengen.

Voor het overige is er wel degelijk sprake van 'onttrekking van diensten' in de zin van artikel 19, § 1 W.BTW.

Dat de Administratie van Directe Belastingen in Dendermonde akkoord ging om in hoofde van de heer **L. M.** geen voordelen van alle aard als belastbare bezoldigingen te beschouwen, is daarmee niet noodzakelijk in strijd. Artikel 31, 2de lid, 2 WIB 92 stelt ook als vereiste dat, om belastbare bezoldigingen te zijn, de voordelen van alle aard moeten verkregen worden uit hoofde of naar aanleiding van het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid. Zij moeten trouwens overeenkomstig het eerste lid van artikel 31 WIB 92 een beloning zijn die voor de werknemer de opbrengst is van arbeid. De beroepswerkzaamheid van de heer **L. M.** was kennelijk in de bouwonderneming BVBA **L. M.** gesitueerd. Eiseres toont niet aan dat de inwilliging van het bezwaar door de Directeur der directe belastingen gesteund was op de stelling dat er geen sprake was van voordelen, met andere woorden, dat er van het zeiljacht geen gebruik werd gemaakt voor andere doeleinden dan voor verhuring (meer bepaald eigen deelname aan wedstrijden).

De rechtbank aanvaardt de principes en de berekening van verweerder. De vordering van eiseres (en het verzet) zijn wat dat betreft in elk geval ongegrond.

**2.3.2.** Periode vanaf 1996 (… euro BTW)

De rest van de betwiste BTW-bedragen zijn volgens verweerder verschuldigd op grond van artikel 12, § 1, 5 W.BTW. Met name is verweerder van oordeel dat de economische activiteit van eiseres in 1996 werd beëindigd, minstens dat er niet langer een economisch karakter aanwezig is dat volstaat om als BTW-plichtige beschouwd te worden.

Verweerder beroept zich op een aantal feiten die de BTW-inspecteur heeft vastgesteld.

Eiseres betwist daarvan in wezen alleen het feit dat in VZW **S. Y. C.** … geen commerciële activiteit zou toegelaten zijn.

Uit de vergelijking van het vorige (overeengekomen in de vergadering van 8 april 1994) met het laatste huishoudelijk reglement van de club, blijkt inderdaad de bepaling die handelsactiviteiten verbood (punt 1) van artikel 10) in de laatste versie te zijn geschrapt (stukken 4 tot 6 dossier eiseres).

Die versie ging evenwel slechts in vanaf 5 oktober 1997. Overigens blijkt eiseres zelf geen werkend lid te kunnen zijn van de VZW; enkel natuurlijke personen zijn toegelaten.

Het mag dan kloppen dat de belastingadministratie zich in principe niet mag inlaten met opportuniteitskwestie, in het bijzonder met de wijze waarop een bedrijf haar exploitatie aanpakt. Nlettemin is de BTW-administratie verplicht om na te gaan of een BTW-registratie (nog) verantwoord is. Terecht verwijst verweerder naar artikel 4, § 1 W.BTW en artikel 4.1 en 4.2 van de zesde Richtlijn. Concreet brengt dat met zich mee dat de BTW-administratie haar oordeel mag uitspreken over de vraag of iemand die zich als BTW-plichtige registreert 'een economische activiteit' uitoefent en dat 'geregeld' doet. Als economische activiteit wordt onder andere beschouwd de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen. Voor eiseres betekent dit dus dat zij, wil ze BTW-plichtige zijn, haar zeilboot geregeld verhuurt om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen. Eiseres kan er in principe voor kiezen om geen reclame te maken, geen uithangbord te hebben, geen ontvangstruimte, zelden iemand op haar maatschappelijke zetel aanwezig te laten zijn, geen prijzen te afficheren, geen telefoon- of faxnummer te hebben en geen personeel te hebben. Wanneer evenwel die keuze tot gevolg heeft dat zij nauwelijks of geen verhuringen doet, dan loopt zij het risico om niet langer te beantwoorden aan de vereiste van 'geregelde' verhuring. Die werkwijze zal ook de duurzame opbrengst niet ten goede komen.

De gezondheidsproblemen van de bestuurder, zijn echtgenote en hun zoon blijken in bepaalde periodes reëel te zijn geweest. Toch kan eiseres zich daarachter niet met succes verschuilen. De vrije opportuniteitsruimte die eiseres heeft, kan immers niet zover gaan dat zij aan de BTW-administratie het recht zou ontnemen om te controleren of eiseres nog langer als BTW-plichtige kan beschouwd worden. Wilde eiseres haar bedrijfsmatige, economische exploitatie (met voldoende regelmaat en opbrengt) in stand houden, dan had zij de gezondheidsproblemen van de zaakvoerder (en zijn zoon) kunnen ondervangen. In een normale economische context, is dat de regel.

In de gegeven omstandigheden, waarin niet betwist is dat er sedert oktober 1996 geen enkele verhuring meer plaats vond, en geen oplossing gezocht werd voor het personeelsprobleem, heeft verweerder met reden geoordeeld dat eiseres niet langer 'geregeld' een 'economische activiteit' exploiteerde.

Van dan af kon verweerder artikel 12, § 1, 5 W.BTW toepassen : het bedrijfsgoed, de zeilboot, had immers bij de aankoop aanleiding gegeven tot aftrek van BTW, terwijl het bedrijfsgoed bleef toebehoren aan eiseres nadat zij de uitoefening van een economische activiteit beëindigd had.

Er is geen schending van de beginselen van behoorlijk bestuur omdat de Administratie van Directe Belastingen het bezwaar van de bestuurder van eiseres ingewilligd heeft. Het blijkt alleen te gaan om de aanslagjaren 1995 en 1996. Die jaren slaan op de inkomsten van 1994 en 1995. De stelling die voor de periode na 1995 is ingenomen door verweerder kan niet in strijd zijn met het standpunt van de Administratie van Directe Belastingen voor de jaren 1994 en 1995. Het bezwaar had overigens geen betrekking op dezelfde discussie.

Ook op dat punt is de vordering van eiseres (en dus het verzet) ongegrond.

***3.*** *De gerechtskosten*

Eiseres wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1 ste lid van het Gerechtelijk Wetboek, moet zij de gerechtskosten dragen.

***4.*** *Uitvoerbaarheid bij voorraad*

Nu de vordering van eiseres wordt afgewezen, wordt zij geacht niet langer belang te hebben bij een voorlopige tenuitvoerlegging. De rechtbank past in elk geval de regel toe, namelijk dat er geen uitvoerbaarheid is bij voorraad.

## IV. DE UITSPRAAK

**De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.**

**Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de vordering ontvankelijk maar wijst ze af als ongegrond.**

De rechtbank verwijst eiseres in de gerechtskosten van deze procedure en stelt die kosten als volgt vast :

\- aan de zijde van verweerder :

\- rechtsplegingsvergoeding … euro

terwijl de kosten aan de zijde van eiseres niet moeten vastgesteld worden vermits ze door haar zelf moeten gedragen worden.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de **vierde kamer** van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op **achttien juni tweeduizend en twee**.

De rechtbank is als volgt samengesteld :

**D. V.**, aJleenrechtsprekend rechter

**A. V.**, griffier

**A. V.** **D. V.**
