---
title: "Assujetti, Contrôle en matière de TVA · Tribunal de première instance de Bruxelles, 23 octobre 2018"
description: "Assujetti, Contrôle en matière de TVA, Remise de la contrainte à la poste. Tribunal de première instance de Bruxelles (Belgique), 23 octobre 2018."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/assujetti-controle-matiere-tva-remise-tribunal-bruxelles-2018-10-23-c84d"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Assujetti, Contrôle en matière de TVA

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Bruxelles

**Date**

23 octobre 2018

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

**Sens lu par le SPF**

défavorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

153 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruxelles du 23.10.2018

WF 712-15-17/000888

\[Défavorable à l’Etat belge\]

*Taxe sur la valeur ajoutée - Assujetti - Contrôle en matière de TVA - Remise de la contrainte à la poste - Fausse facture - Prolongation du délai de prescription - Notification préalable des indices de fraude*

## Dispositions légales

[Article 45, § 1er, du Code de la TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45) - [Article 81bis, § 1er, 3° et 4°, du Code de la TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-81bis) - [Article 84ter du Code de la TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-84ter) - [Article 85, § 1er, du Code de la TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-85)

[Article 3, § 1er, de l’arrêté royal n° 3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-article-historique-e9dd) du 10 décembre 1969 relatif aux déductions pour l'application de la taxe sur la valeur ajoutée

## Résumé

## 1. Les faits de la cause et les antécédents de la procédure

La demanderesse est assujettie à la TVA pour son activité dans le secteur des télécommunications et des multimédias. Lors d’un contrôle de sa comptabilité, il a été constaté que l’authenticité des factures émises par un fournisseur bien déterminé ne pouvait pas être prouvée. Cela a été également confirmé lors d’un contrôle effectué chez ce même fournisseur. Les infractions relevées durant la période couvrant les années courant à partir de l’année 2008 jusqu’à l’année 2011 comprise ont été consignées dans un procès-verbal daté du 28 octobre 2015. La notification de la contrainte subséquente n’a pas pu être remise à l’assujetti en raison d’une faute du service postal. Néanmoins, le 18 octobre 2016, la contrainte avec saisie-exécutoire a été notifiée à la demanderesse. La demanderesse requiert devant le tribunal le remboursement des montants qu’elle a, selon elle, indument payés.

## 2. Le jugement

Selon l’administration, l’argument de la réception de la contrainte n’est pas pertinent car il ressort de l’[article 85, §1er, du C.TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-85) que la seule remise de la pièce à la poste vaut notification. Que la poste ait égaré la contrainte lors de l’expédition ne porte pas préjudice au fait que la notification est régulière.

Le juge constate que, dans le procès-verbal, la prolongation du délai de prescription est basée sur la présomption de fraude fiscale ([article 81bis, § 1er, 4° du C.TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-81bis)) et qu’une notification préalable de l’extension du délai de prescription a été manifestement communiquée le 4 octobre 2015. Dès lors, l’administration conteste fermement que pareille notification n’a jamais été exécutée et elle ajoute qu’aucune preuve de la non-notification n’est rapportée.

Subitement l’administration a changé son fusil d’épaule et a soutenu, en complète contradiction avec le procès-verbal, que la prolongation du délai de prescription était fondée sur l’[article 81bis, § 1er, 3° du Code de la TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-81bis) (nouveaux éléments probants). Pour ce faire, la notification préalable n’est pas requise. Il doit toutefois être constaté que les pièces supplémentaires que l’administration a invoquées ne font à aucun moment pour le moins référence à la demanderesse. Il n’y a dès lors aucune nouvelle pièce qui apporterait la connaissance de nouveaux éléments qui concerneraient la requérante. L’État belge ne prouve donc pas que la prolongation du délai de prescription est régulière.

De plus, le tribunal de Louvain a acquitté le fournisseur des accusations en matière pénale concernant les factures qu’il avait délivrées à la demanderesse.

Même s’il convient de considérer que la contrainte a été notifiée correctement, l’action en justice en matière de TVA est prescrite car l’administration n’est pas à en mesure de prouver que la prolongation du délai de prescription est régulière.

Le juge de Bruxelles condamne l’administration à restituer les sommes qu’elle avait indûment saisies et à verser les intérêts légaux.

Premier jugement - Jugement final

**Texte du jugement**

***Le jugement est publié uniquement dans la langue originale***

### Corps de la décision

## EINDVONNIS na heropening der debatten

**Vonnis van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel, 8ste Kamer d.d. 23.10.2018**

Rol: 2017/66/A

Federale belastingen - BTW

op tegenspraak

Eindvonnis na heropening der debatten

In zake van:

De **Comm.V. S.**, met maatschappelijke zetel te … en met KSO-nummer 0889…., Eisende partij, Vertegenwoordigd door mr … , in eigen naam en loco mrs … en … , advocaten te …

**Tegen:**

De **BELGISCHE STAAT, F.O.D. Financiën**, in persoon van de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12 voor wie optreedt de adviseur, dhr. … , met kantoor te … , Verwerende partij, Voor wie verschijnt de heer … , adviseur

In deze z aak, in beraad genomen op 25/09/2018, wordt door de rechtbank volgend vonnis uitgesproken:

Gelet op:

•het exploot van dagvaarding houdende verzet, betekend aan verweerder op 24/11/2016;

•de beschikking overeenkomstig artikel 747 Ger.W. van 07/04/2017;

•de conclusies en de synthesebesluiten voor verweerder, neergelegd ter griffie op respectievelijk 28/03/2017 en 30/01/2018;

•de conclusie en de synthesecondusie voor eiseres, neergelegd ter griffie op respectievelijk 29/06/2017 (per fax, in origineel op 30/06/2017) en 01/02/2018 (per fax en in origineel);

•het tussenvonnis houdende heropening der debatten van de 35ste kamer van deze rechtbank van 24/04/2018;

•de besluiten voor verweerder, neergelegd ter griffie op 13/06/2018;

•de conclusie voor eiseres, neergelegd ter griffie op 17/07/2018;

•de stukken van eiseres, zoals neergelegd ter zitting op 21/03/2018 en ter griffie op 17/07/2018;en

•de stukken van verweerder, zoals gehecht aan zijn conclusies.

Gehoord de advocaat van eiseres en de vertegenwoordiger van verweerder in de openbare terechtzitting van 25/09/2018, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

## 1.FEITEN

1.De voor huidig geding relevante feiten kunnen als volgt samengevat worden.

Eiseres is actief op het vlak van dienstverlening in de telecommunicatie en multimediasector.

Op 28/10/2015 werd een proces-verbaal opgesteld over de jaren 2008 tot 2011. Uit de vaststellingen bleken er een aantal aankoopfacturen uitgaande van de firma !-Services (zie oplijsting en bespreking op p. 2-10) voorhanden te zijn die cash werden betaald. Het voorwerp van de facturen was rudimentair omschreven en er kon geen onderliggende overeenkomst voorgelegd worden. De echtheid hiervan zou niet zeker zijn. Ook bij een controle bij !-Services kon de echtheid van deze facturen niet nagegaan worden. De facturen zijn dus niet in overeenstemming met het K.B. nr. 1. Aldus werd vastgesteld dat nog verschuldigd was:

•BTW:€ 20.964,30;

•Administratieve geldboete:€ 41.920,00;

•Interesten op de BTW vanaf 21/01/2012.

Voor deze bedragen werd op 21/12/2015 een dwangbevel opgesteld met referentie 500/1567/41262, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 22/12/2015.

Op 22/12/2016 werd hiervan bij aangetekende brief kennisgeving gedaan aan eiseres.

Deze zending werd effectief afgegeven aan de postdiensten, doch werd door de post verloren gedaan bij de sorteringte Brussel X op 23/12/2015. Deze zending heefteiseres dus nooit bereikt.

Eiseres kreeg slechts kennis hiervan in het kader van een uitvoerend derdenbeslag aan eiseres betekend op 14/09/2016. Op 26/10/2016 werd de aanzegging aan eiseres betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot.

**ll.VOORWERP VAN DE VORDERING**

2.De vordering van eiseres strekt er toe te zeggen dat het dwangbevel 'on-rechtsgeldig' is en de onderliggende BTW-schuld verjaard is. Zij vordert de terugbetaling van de ten onrechte geïnde bedragen, meer interesten. Zij vorderthet vonnis uitvoerbaar bij voorraad te horen verklaren.

Verweerder besluit tot de ongegrondheid van de vordering van eiseres.

## III.BEOORDELING

## *De ontvankelijkheid*

3\. Bij tussenvonnis van de 35ste kamer (thans is dit de 8ste kamer) van deze rechtbank van 24/04/2018 werd de vordering reeds ontvankelijk verklaard.

## *Ten gronde*

4\. 4.1.Eiseres meent dat het dwangbevel van 21/12/2015 haar niet rechtsgeldig ter kennis werd gebracht. De betreffende aangetekende brief ging verloren bij de Post en bereikte haar dus nooit. Ondergeschikt stelt eiseres dat de BTW-schuld hoe dan ook verjaard Is, daar er geen bedrieglijk opzet voorhanden is en dus geen reden om de verjaringstermijn uit te breiden. Dit volgt uit het feit dat de zaakvoerder van 1-Services werd vrijgesproken van valsheid wat betreft de aan eiseres uitgeschreven facturen. Ook was de kennisgeving in toepassing van art. 84ter W.BTW, waarin deze vermoedens van fraude moeten aangehaald worden, onvoldoende/onnauwkeurig gemotiveerd. De onregelmatige facturen in kwestie gingen niet uit van eiseres.

Na tussenvonnis stelteiseres dat van nieuwe bewijskrachtige gegevens evenmin sprake kan zijn.

4.2.Verweerder stelde voor de heropening der debatten dat het niet ontvangen van het dwangbevel niet relevant is, daar art. 85, §1, al. 2 W.BTW enkel de afgifte ter post vereist als kennisgeving. Dat de Post de zending verloren liet gaan, doet geen afbreuk aan het feit dat er een regelmatige betekening is. Na een uiteenzetting (p. 4-9 laatste besluiten} over het feit dat in BTW aangelegenheden geen onderzoek.termijn moet toegepast worden en de kennisgeving van art. 84ter W.BTW niet de onderzoeksdaden moet voorafgaan, stelt verweerder (p. 9) dat het feit dat geen strafbaar feit werd gepleegd niet wegneemt dat er inbreuken zijn op de BTW­ wetgeving (regelmatigheid van de facturen). Volgens verweerder was de kennisgeving van de verjaringstermijn voldoende nauwkeurig.

Na heropening stelde verweerder dat voor de uitbreiding van de verjaringstermijn lastens eiseres gebruik werd gemaakt van art. 81bis, §1, 3° W.BTW (kennisname bewijskrachtige gegevens). Bijgevolg diende ook geen voorafgaande kennisgeving te gebeuren. Deze kennisname zou gebeurd zijn naar aanleiding van een onderzoek in 2012 en 2013 door de 881 (op 12/06/2015 werd door de BBI Hasselt de algemene nota lastens dhr W•••••• op het interne netwerk gezet (bijkomend stuk 1 verweerder)).

5.Inzake de verjaring voorziet artikel 81bis W.BTW:

n§ 1. Er is verjaring voor de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.

In afwijking van het eerste lid is er evenwel verjaring na het verstrQken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan, wanneer:

\[...\]

3° bewijskracht/ge gegevens, waarvan de administratie kennis heeft gekregen, aantonen dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België, dat er handelingen ten onrechte werden vrijgesteld of dat er belastingaftrekken werden toegepast met overtreding van de wettelijke en verordeningsbepalingen die daarop van toepassing zijn; 4° de overtreding bedoeld in de artikelen 70 of 71 begaan Is met bedrieg/ijk opzet of met het oogmerk te schaden."

Het proces-verbaal van 28/10/2015 heeft betrekking op facturen uit de jaren 2007 tot en met (begin} 2010. Dit betekent dat op het moment van het opstellen van het proces-verbaal (en dan wordt nog niet gesproken over de betekening van het dwangbevel), de gewone verjaringstermijn inzake BTW verstreken was. Het is dan aan verweerder om het bewijs te leveren dat voldaan is aan de voorwaarden om de verjaringstermijn te verlengen.

6.In het proces-verbaal wordt meermaals (p. 1 voorlaatste alinea, p. 15 bovenaan) aangehaald dat de uitbreiding van de verjaringstermijn gebaseerd was op het vermoeden van belastingontduiking (art. 81bis, §1, al. 2, 4° W.BTW) en dat er op 04/08/2015 een kennisgeving werd gedaan van deze uitbreiding van verjaringstermijn. Ook in de besluiten voor de heropening der debatten concludeert verweerder in deze zin.

Bij tussenvonnis van 24/04/2018 werd vastgesteld dat een dergelijke kennisgeving niet voorlag, hoewel partijen er over concluderen (p. 5, punt 2 van dit vonnis).

Thans betwist verweerder klaarblijkelijk niet {meer) dat nooit een dergelijke kennisgeving werd gedaan en hiervan ook geen bewijs voorligt (ook al staat dit In het proces-verbaal). Plotsklaps wordt het geweer van schouder veranderd en, compleet in strijd met het proces-verbaal, gesteld dat de verlengde verjaringstermijn gebaseerd ls op art. 81bis, §1, al. 2, 3° W.BTW {nieuwe bewijskrachtige gegevens}. Hiervoor is een dergelijke kennisgeving niet nodig.

Er dient evenwel vastgesteld te worden dat het bijkomende stuk dat verweerder thans bijbrengt (nieuw stuk 1) op geen enkel moment ook maar de minste verwijzing maakt naar eiseres. Er ligt dus geen enkel stuk voor dat er sprake was van kennisname van nieuwe gegevens die betrekking hadden op eiseres. Verweerder bewijst dus niet dat er sprake is van een regelmatige verlenging van de verjaringstermijn.

Bovendien en ten overvloede merkt eiseres terecht op dat de heer W•••••• (!-Services) werd vrijgesproken van de tenlasteleggingen die betrekking hadden op {o.m. de ten aanzien van eiseres) uitgeschreven facturen (stuk 11 eiseres, Rb.Leuven 25/10/2016).

Bijgevolg werpt eiseres terecht op dat de BTW-vordering hoe dan ook, zelfs indien er zou sprake zijn van een regelmatige betekening van het dwangbevel, verjaard is bij gebrek aan bewijs door verweerder van een regelmatige verlenging van de verjaringstermijn.

De vordering van eiseres is op deze basis alleen al gegrond en de overige discussiepunten tussen partijen dienen niet verder onderzocht te worden.

De gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad wordt niet betwist.

## IV.DE KOSTEN

6\. De vordering van eiseres is gegrond, zodat verweerder veroordeeld wordt tot de kosten van het geding.

Verweerder vordert het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding, zonder dat verweerder een verlaging vraagt. Dit bedrag wordt bijgevolg begroot.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK,**

Gelet op de artikelen 2, 3, 4, 30, 34, 36, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg, op tegenspraak,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Het tussenvonnis van 24/04/2018 verder uitwerkende, verklaart de vordering van eiseres als volgt gegrond,

Stelt vast dat de BTW-schuld zoals opgenomen in het proces-verbaal van 28/10/2015 en het dwangbevel van 21/12/2015, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 22/12/2015, met referentie 500/1567/41262, verjaard is,

Veroordeelt verweerder tot terugbetaling aan eiseres van de desgevallend ten onrechte geïnde bedragen, meer de wettelijke interesten,

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding, in hoofde van verweerder niet verder te begroten en inhoofdevaneiseresbegrootop€ 259,06 (dagvaarding en rolstelling) en€ 3.600,00 (rechtsplegingsvergoeding),

Verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal, zonder borgstelling en met uitsluiting van het recht tot kantonnement,

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 8ste kamer (voorheen 3Sste kamer) van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, op 23 oktober 2018.

Waar aanwezig waren en zitting namen:

Ondertekeningen

### Pièce jointe par le SPF

---

## TUSSENVONNIS

## Vonnis van de 35ste kamer van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, op 24 april 2018

Rol: 2017/66/A

Op tegenspraak

Tussenvonnis - ambtshalve heropening der debatten op 25 september 2018

In zake van:

De **Comm.V. S.** met maatschappelijke zetel te … en met KSO-nummer 0889…., Eisende partij, Vertegenwoordigd door Mr. … , advocaat te … ;

**Tegen:**

De **BELGISCHE STAAT, F.O.D. Financiën**, in persoon van de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12 voor wie optreedt de Adviseur dhr. … , met kantoor te … , Verwerende partij, Voor wie verschijnt de heer TANGHE Frank, attaché,

In deze zaak, in beraad genomen op 21/03/2018, wordt door de rechtbank volgend vonnis uitgesproken:

Gelet op:

•het exploot van dagvaarding houdende verzet tegen een dwangbevel, betekend op 24/11/2016;

•de beschikking overeenkomstig artikel 747 Ger.W. van 07/04/2017;

•de conclusies en de synthesebesluiten voor verweerder, neergelegd ter griffie op respectievelijk 28/03/2017 en 30/01/2018;

•de conclusie en de syntheseconclusie . voor eiseres, neergelegd ter griffie op respectievelijk 29/06/2017 (per fax, in origineel op 30/06/2017) en 01/02/2018 (per fax en in origineel);

•de stukken van eiseres, zoals neergelegd ter zitting op 21/03/2018; en

•de stukken van verweerder, zoals gehecht aan zijn conclusies.

Gehoord de advocaat van eiseres en de vertegenwoordiger van verweerder in de openbare terechtzitting van 21/03/2018, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

Partijen verklaren ter zitting dat alle conclusies in de debatten kunnen behouden blijven.

### 1.FEITEN

1.De voor huidig geding relevante feiten kunnen als volgt samengevat worden.

Eiseres is actief op het vlak van dienstverlening in de telecommunicatie en multimediasector.

Op 28/10/2015 werd een proces-verbaal opgesteld (stuk 1 verweerder) over de jaren 2008 tot 2011. Uit de vaststellingen bleken er een aantal aankoopfacturen uitgaande van de firma !­ Services (zie oplijsting en bespreking op p. 2-10) voorhanden te zijn die cash werden betaald. Het voorwerp van de facturen was rudimentair omschreven en er kon geen onderliggende overeenkomst voorgelegd worden. De echtheid hiervan zou niet zeker zijn. Ook bij een controle bij !-Services kon de echtheid van deze facturen niet nagegaan worden. De facturen zijn dus niet in overeenstemming met het K.B. nr. 1. Aldus werd vastgesteld dat nog verschuldigd was:

•BTW:€ 20.964,30;

•Administratieve geldboete:€ 41.920,00;

•Interesten op de BTW vanaf 21/01/2012.

Voor deze bedragen werd op 21/12/2015 een dwangbevel opgesteld met referentie 500/1567/41262, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 22/12/2015 (stuk 2 verweerder; stuk 1 eiseres)

Op 22/12/2016 werd hiervan bij aangetekende brief kennisgeving gedaan aan eiseres (stuk 3 verweerder).

Deze zending werd effectief afgegeven aan de postdiensten, doch werd door de post verloren gedaan bij de sortering te Brussel X op 23/12/2015 (stuk 2 eiseres). Deze zending heeft eiseres dus nooit bereikt.

Eiseres kreeg slechts kennis hiervan in het kader van een uitvoerend derdenbeslag aan eiseres betekend op 14/09/2016 (stuk 3 en 7 eiseres). Op 26/10/2016 werd de aanzegging aan eiseres betekend bij·gerechtsdeurwaardersexploot (stuk 10 eiseres).

**ll.VOORWERP VAN DE VORDERING**

2.De vordering van eiseres strekt er toe te zeggen dat het dwangbevel 'on-rechtsgeldig' is en de onderliggende BTW-schuld verjaard is. Zij vordert de terugbetaling van de ten onrechte geïnde bedragen, meer interesten. Zij vordert het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te horen verklaren.

Verweerder besluit tot de ongegrondheid van de vordering van eiseres.

### III.BEOORDELING

### *De ontvankelijkheid*

3\. Verweerder betwist de ontvankelijkheid van de vordering niet. De rechtbank ziet evenmin redenen om ambtshalve te besluiten tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering. De vordering is ontvankelijk.

### *Ten gronde*

4\. 4.1.Eiseres meent dat het dwangbevel van 21/12/2015 haar niet rechtsgeldig ter kennis werd gebracht. De betreffende aangetekende brief ging verloren bij de Post en bereikte haar dus nooit. Ondergeschikt stelt eiseres dat de BTW-schuld hoe dan ook verjaard is, daar er geen bedrieglijk opzet voorhanden is en dus geen reden om de verjaringstermijn uit te breiden. Dit volgt uit het feit dat de zaakvoerder van 1-Services werd vrijgesproken van valsheid wat betreft de aan eiseres uitgeschreven facturen. Ook was de kennisgeving in toepassing van art. 84ter W.BTW, waarin deze vermoedens van fraude moeten aangehaald worden, onvoldoende/onnauwkeurg gemotiveerd. De onregelmatige facturen in kwestie gingen niet uit van eiseres.

Verweerder stelt dat het niet ontvangen van het dwangbevel niet relevant is, daar art. 85, §1, al. 2 W.BTW enkel de afgifte ter post vereist als kennisgeving. Dat de Post de zending verloren liet gaan, doet geen afbreuk aan het feit dat er een regelmatige betekening is. Na een uiteenzetting (p. 4-9 laatste besluiten) over het feit dat in BTW aangelegenheden geen onderzoektermijn moet toegepast worden en de kennisgeving van art. 84ter W.BTW niet de onderzoeksdaden moet voorafgaan, stelt verweerder (p. 9) dat het feit dat geen strafbaar feit werd gepleegd niet wegneemt dat er inbreuken zijn op de BTW-wetgeving (regelmatigheid van de facturen). Volgens verweerder was de kennisgeving van de verjaringstermijn voldoende nauwkeurig.

4.2.De zaak is op heden niet in staat van wijzen, daar partijen over diverse punten geen of dubbelzinnige standpunten innemen en het administratief dossier onvolledig is.

1.Ten eerste wordt vastgesteld dat het bestreden dwangbevel, met als bijlage het onderliggend proces-verbaal, eiseres (mede) werden betekend bij het deurwaardersexploot tot aanzegging van een uitvoerend beslag onder derden van 26/10/2016 (stuk 10 eiseres). De betreffende stukken waren immers bij dit exploot gevoegd. Partijen dienen standpunt in te nemen omtrent het feit of deze betekening kan gelden als geldige betekening van het dwangbevel, in de hypothese dat de oorspronkelijke kennisgeving bij aangetekende brief van 22/12/2015 niet regelmatig zou zijn.

2.Uit het proces-verbaal van 28/10/2015 blijkt dat eiseres op 04/08/2015 een kennisgeving van uitbreiding van verjaringstermijn op grond van vermoedens van belastingontduiking werd betekend in toepassing van art. 84ter W.BTW. Hoewel partijen over en weer uitgebreid discussiëren over deze kennisgeving en de motivering hiervan, legt geen der partijen dit stuk voor. De rechtbank kan dit dus onmogelijk controleren. Het is aan verweerder om een volledig administratief dossier bij te brengen.

Verweerder dient duidelijk standpunt in te nemen over het feit of deze zich nog beroept op de fraude als grond van uitbreiding van de verjaringstermijn (art. 81bis, §1, al. 2, 4° W.BTW) en welke deze elementen van fraude thans dan wel zijn (met name of het loutere voorhanden zijn van gebrekkige facturen of het voeren van een gebrekkige boekhouding, een bedrieglijk opzet of het oogmerk te schaden bewijzen), dan wel of deze zich beroept op nieuwe stukken (art. 81bis, §1, al. 2, 3° W.BTW). In dat laatste geval dienen partijen standpunt in te nemen omtrent het moment van de kennisname van deze nieuwe stukken door de administratie in het licht van de rechtspraak van het Hof van Cassatie {Cass. 27/04/2012, rolnr. [F.11.0069.F](https://juriel.be/fr/jurisprudence/recouvrement-delais-prescriptions-declarations-irregulieres-cassation-bruxelles-2012-04-27-0c37)).

Om deze redenen wordt de ambtshalve heropening der debatten bevolen en worden thans ook de hierna volgende conclusietermijnen voorzien.

### IV.DE KOSTEN

5\. De uitspraak over de kosten wordt aangehouden.

**OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK,**

Gelet op de artikelen 2, 3, 4, 30, 34, 36, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg, op tegenspraak,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk doch alvorens over de grond uitspraak te doen,

Beveelt ambtshalve de heropening der debatten en stelt hiertoe zitting op dinsdag 25 september 2018 om 14 uur voor 60 min. pleitduur,

Zeggen dat partijen op volgende data conclusies kunnen neerleggen

Conclusies:

Verweerderten laatste op 19 juni 2018

Houdt de uitspraak over de kosten aan,

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 35ste kamer van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, op 24 april 2018.

Ondertekeningen

Les noms de personnes physiques que la version diffusée par le SPF Finances laissait en clair ne sont pas republiés ici : ils sont réduits à leur initiale. Le texte n'est modifié nulle part ailleurs.

## Textes cités

5

[CTVA art. 81bis](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-81bis) 4 occurrences

[CTVA art. 85](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-85) 3 occurrences

[AR no 3 art. 3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-article-historique-e9dd) 2 occurrences

[CTVA art. 45](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45) 2 occurrences

[CTVA art. 84ter](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-84ter) 2 occurrences

## Décisions similaires

8

[Indices de fraude, Relevé de régularisation, Procès-verbal](https://juriel.be/fr/jurisprudence/indices-fraude-releve-regularisation-proces-tribunal-nivelles-2024-01-08-9601) 5 dispositions communes

[Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor](https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-tribunal-bruxelles-2011-06-10-cf98) 5 dispositions communes

[Prescription, Registre de perception et recouvrement, Titre exécutoire, Délégation](https://juriel.be/fr/jurisprudence/prescription-registre-perception-recouvrement-titre-cour-appel-gand-2023-06-13-e7bf) 4 dispositions communes

[Fausses factures, Notification d'indices de fraude](https://juriel.be/fr/jurisprudence/fausses-factures-notification-indices-fraude-tribunal-bruxelles-2026-03-26-cb5f) 4 dispositions communes

[Droit de déduction, Charge de la preuve](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-charge-preuve-developpement-cour-appel-anvers-2026-01-06-1ac3) 3 dispositions communes

[Validité de la contrainte, Motivation adéquate](https://juriel.be/fr/jurisprudence/validite-contrainte-motivation-adequate-reference-cour-appel-liege-2022-09-14-234b) 3 dispositions communes

[Nouveau bâtiment, Rénovation, Travail immobilier, Taux de TVA](https://juriel.be/fr/jurisprudence/nouveau-batiment-renovation-travail-immobilier-cour-appel-gand-2019-01-08-2f4a) 3 dispositions communes

[Fraude fiscale, Fausses factures, Indices de fraude](https://juriel.be/fr/jurisprudence/fraude-fiscale-fausses-factures-indices-cour-appel-bruxelles-2022-12-01-3bd0) 3 dispositions communes
