---
title: "Application du régime forfaitaire · Cour d&#x27;appel d&#x27;Anvers, 26 mars 2013, 2004/AR/3377"
description: "Application du régime forfaitaire, Calcul du chiffre d’affaires, Annulation de la contrainte. Cour d'appel d'Anvers (Belgique), 26 mars 2013, 2004/AR/3377."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/application-regime-forfaitaire-calcul-chiffre-cour-appel-anvers-2013-03-26-2965"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Application du régime forfaitaire, Calcul du chiffre d’affaires

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Anvers

**Numéro de rôle**

2004/AR/3377

**Date**

26 mars 2013

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

**Sens lu par le SPF**

défavorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

99 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 26.03.2013 (2004/AR/3377)

## Mots-clés

*Taxe sur la valeur ajoutée – Application du régime forfaitaire – Calcul du chiffre d’affaires – Annulation de la contrainte*

## Législation

[Article 56, § 1, du Code de la TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-56)

Arrêté royal n° 2 du 7 novembre 1969 relatif à l'établissement de bases forfaitaires de taxation à la taxe sur la valeur ajoutée

## Résumé

Dès le commencement de son activité professionnelle, l’assujetti était, à sa demande, soumis au régime forfaitaire des cafetiers. Afin de pouvoir respecter et appliquer la législation en matière de TVA, l’assujetti déposait une feuille de calcul annuelle. Dans le dernier alinéa du point E de ce régime forfaitaire, il est mentionné : « Lorsqu'il apparaît que les recettes réelles réalisées par l'assujetti s'écartent sensiblement des recettes calculées forfaitairement, l’administration n'est plus liée par la présente réglementation pour la détermination du chiffre d'affaires. »

Il ressort des constatations et des conclusions de l’expert nommé par la Cour que les données et les méthodes utilisées par l’administration présentent une précision insuffisante pour appuyer l’augmentation du chiffre d’affaires ; chiffre d’affaires qui, dès lors, aurait dépassé le chiffre d’affaires annuel autorisé pour pouvoir opter pour le forfait. Elles ne peuvent pas valoir comme présomption probante. Une taxation scrupuleuse ne peut pas non plus trouver son fondement dans une extrapolation spéculative de données.

L’appel est fondé et la Cour déclare la contrainte visée et rendue exécutable nulle et sans effet.

## Observations

L’Etat belge a déposé une requête en cassation.

L’arrêt du 21 novembre 2014, F.13.0129.N, rendu par la Cour de cassation n’a pas cassé l’arrêt de la cour d’appel.

**Texte intégral**

***La décision est publiée uniquement dans la langue originale***

### Corps de la décision

**Arrest van het Hof van beroep Antwerpen, zesde kamer, burgerlijke zaken,**

**dd. 26.03.2013**

**2004/AR/3377**

**V.K.**, wonende te…, appellant, vertegenwoordigd door Mr**. M. F**., advocaat te … tegen het vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 20 december 2004

tegen·

De **BELGISCHE STAAT,** Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, sector van de belasting over de toegevoegde waarde, vertegen-woordigd door de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de gewestelijke directeur van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen te Mechelen, in de persoon van·de·rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor·te···2800 MECHELEN, geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. **A.L.**, advocaat te …

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het eensluidend afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak tussen partijen gewezen op 20 december 2004 door de Vierde F Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen, waarvan geen akte van betekening voorligt, en waartegen een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 30 december 2004;

Gelet op het tussenarrest uitgesproken door dit Hof op 25 november 2008;

Gehoord partijen in hun middelen en conclusies;

## 1. Retroacten:

1.1.- In het tussenarrest van 25 november 2008 werden het voorwerp van de vordering de procedurele antecedenten en de feitelijke gegevens ter zake reeds uiteengezet. Het Hof verwijst hiernaar. Deze uiteenzetting dient hier tevens voor zoveel als nodig als hernemen te worden beschouwd.

1.2.- In dit tussenarrest heeft het Hof vastgesteld dat er tussen partijen een ernstige betwisting bestaat met betrekking tot 'de berekening van de door appellant gerealiseerde omzet en heeft het Hof een onderzoeksmaatregel bevolen, en meer bepaald 'de heer **W.V.O.**,accountant, als deskundige aangesteld met als opdracht:

*-* *Een onderzoek te doen van het model kasregister CASIO TK1300i*

*-* *advies* te *geven over de juistheid van gegevens met het oog op een taxatie, bekomen door de uitprints die, in casu door de administratie als bijlage werden gevoegd bij het PV van* 7 *juni 2000;*

*-* *na te gaan of' de .door appellant beweerde dubbeltellingen technisch mogelijk zijn;*

1.3.- In zijn op 8 maart 2011 neergelegd definitief verslag komt de door het Hof aangestelde gerechtsdeskundige tot volgende bevindingen en besluiten (blz. 20-23 van het deskundigenverslag):

*“****1.***

*Het Hof heeft ons verzocht, een onderzoek te verrichten naar het model kasregister CASIO TK 1300.*

*Wij kunnen enkel antwoorden .wat wij reeds in het tweede tussenverslag hebben meegedeeld, nl. dat het* ***kasregister niet*** **meer** ***terug te vinden*** *is. Partijen maakten het nodige voorbehoud inzake elke mogelijke simulatieanalyse op een gelijkaardige machine.*

*Daarom hebben wij - hierin gevolgd door de partijen - beslist,* af *te zien van een tijdrovende en niet expertise-economische opsporing, temeer daar conclusies als gevolg van een simulatieanalyse blijvend op het scepticisme van de betrokkenen zouden blijven botsen.*

**2.** *De gegevens, die door de uitprints werden bekomen en die door de Administratie werden gevoegd als bijlage bij het PV van 07.06.2000, bieden met het oog op taxatie geen garanties. Wij hebben deze bespreking uitvoerig in het corpus van ons verslag verwerkt, maar willen deze in de onderhavige finale conclusies nog eens synthetisch weergeven.*

*(1) In de eerste plaats pretendeerde de belastingplichtige, dat hij van het kasregister een benutting sui generis heeft gemaakt: wij bedoelen dat hij – weliswaar pas in tweede instantie - aanvoert dat hij deze machine op een hoogst eigen wijze heeft benut, te weten een globalisering van al de deelbestellingen, die men bij betaling wil afrekenen, en die dan ook een hernieuwde invoering van de gegevens van de deelbestellingen meebrengen.*

*(2) Wij zijn - op grond van hiervoor uiteengezette redenen - tot de overtuiging gekomen, dat de kans aanwezig is en zeker niet kan worden genegeerd, dat de belastingplichtige het kasregister op een volstrekt perverse wijze heeft benut, waarmee wij bedoelen. Dat hij er een benutting van heeft gemaakt tegen de concepten en aangeboden gebruiksmogelijkheden van de fabrikant in.*

*(3) Wij zijn van mening dat de uitprints dan geen correcte weergave bieden van de reële omzet, die de belastingplichtige over de uitprintperiode heeft gerealiseerd. Aan de ene kant zijn wij van oordeel dat een dubbele invoer van gegevens niet zinnig is, wanneer meer één rondje wordt betaald. Aan de andere kent. wanneer verzaakt wordt aan het kasregister als, boekhoudinstrument, kan evenmin worden gegarandeerd dat bij de betaling van één consumptie deze dubbel zou worden Ingevoerd. Bovendien denken wij dat de meest in de horeca voorkomende wijze van werken bestaat In de handgetelde optelling van de verschillende deelafrekeningen. Desalniettemin zijn wij er van mening dat de waarschijnlijke feitelijke benutting .. geen garantie op correcte weergave van de reële omzet biedt; de reële omzet zal van de geregistreerde in één* of *andere richting afwijken, meer geenszins deze reële omzet correct weergeven.*

*(4) Deze gegevens dan gebruiken voor extrapolatie, d.*w.z., *een pro rata berekening van de omzet In de ruime voorliggende per/ode, kan volgens ons geen juiste werkwijze worden geacht. Twee redenen kunnen wij hiervoor aangeven.*

*-* *In de eerste plaats bieden de lezing van het dossier en de voorafgaande analyse immers geen zekerheid, dat de heer* ***V.*** *op een normale en voorziene wijze zijn kasregister heeft gebruikt.*

*-* *Bovendien vinden wij het wetenschappelijk niet verantwoord, een extrapolatie naar de voorafgaande periode te maken, omdat de reële schommelingen en evoluties van de omzet in een horecazaak niet: door deze wijze van werken betrouwbaar kunnen worden gegenereerd en gereconstrueerd.*

*(5) Wij blijven van oordeel, dat de werkwijze van de Administratie technisch correct wordt uitgevoerd, maar zijn tevens van mening dat de toepassing van de toeslag, bekomen in een kleine* steekproef, *op een zeer uitgestrekte periode geen veilige werkwijze is. Ook niet wanneer de Administratie gelijk zou hebben met haar vermoeden dat de geregistreerde omzet meteen ook de reële omzet is geweest, welke visie wij niet kunnen bevestigen.*

*Wij menen dat het statistisch-wetenschappelijk niet correct zou zijn de vaststellingen van een kleine periode naar een grote uit te breiden wegens een gebrek aan basisvaliditeit, meestal met* de *Engelse term face validity aangeduid.*

Om *deze redenen kunnen wij geen juistheid van gegevens met het oog op taxatie garanderen, zoals deze worden gehaald uit de uitprints. die aan het PV van 07.06.2000 werden gevoegd.*

***3.*** *Op de vraag van het Hof, of de dubbeltellingen technisch mogelijk zijn, is ons antwoord bevestigend.*

*Deze mogelijkheid is aanwezig op rekentechnisch vlak.*

*Exploitatietechnisch evenwel bevestigen wij hierbij onze bedenkingen, die reeds overvloedig werden geformuleerd in onderhavig verslag. Daarbij hebben wij gewezen op de afwezigheid van welk danige behoefte ook aan dubbele invoer in het geval van de bestelling van één enkele consumptie of in het geval van één enkel rondje. Tegelijk hebben wij ook verwezen naar de enigszins bevreemdende werkwijze van dubbele invoer, die naar ons oordeel niet overeenstemt met het* meest *courante horecagebruik.*

### *OMWILLE VAN DE HIERVOOR AANGEHAALDE ELEMENTEN EN ARGUMENTEN*

***kunnen wij aan het Hof meedelen, dat het gevraagde onderzoek van het model kasregister CASIO TK 13'00 niet is doorgevoerd in overeenstemming*** **met** ***de betrokken partijen;***

*zijn wij van oordeel dat de gegevens, bekomen door* de *uitprints gevoegd aan het PV van 07.06.2000, geen garanties van juistheid kunnen bieden om via extrapolatie van gegevens over te gaan tot een correcte taxatie, die zich uitstrekt over een voorliggende periode;*

*delen wij mede dat onze bezwaren daarbij zijn, dat wij geen wetenschappelijk betrouwbare estimatie mogelijk achten* om *de vermoede meeromzet verhoudingsgewijs te transponeren naar een voorliggende periode;*

*zijn .wij van oordeel dat de beweerde dubbeltellingen rekentechnisch .mogelijk zijn;*

*dienen wij tegelijk te melden dat wij deze exploitatietechnisch sceptisch bekijken omwille van een reeks in het verslag aangehaalde redenen;*

*zijn wij er van overtuigd dat wij hiermede het meest volledige antwoord hebben gegeven, dat op de verschillende vragen van het Hof kan worden geformuleerd. \[...\] ".*

## 2. De standpunten en vorderingen van partijen na tussenarrest en gerechtelijk onderzoek:

2.1.- In zijn op 6 januari 2012 neergelegde syntheseconclusies stelt appellant dat er geen wetenschappelijk betrouwbare estimatie mogelijk is om de vermoede meeromzet. verhoudingsgewijs te transponeren naar de periode november 1994 tot 10 mei 2000. Het is .enkel door een ongeoorloofde opeenstapeling van vermoedens dat de administratie tot een foutieve conclusie van meeromzet komt. Eens het vermoeden gehanteerd dat het kasregister benut is als werkelijk boekhoudkundig instrument en het daarop gesteund vermoeden dat dan de omzet van het Z-rapport aan de werkelijkheid zou beantwoorden, wordt door de administratie een extrapolatie toegepast door deze vermeende meeromzet van 27.101.359 BEF, te verdelen over de diverse jaren ,in de mate dat er ook omzet effectief werd aangegeven. Ter zake bestaat er de grootste twijfel over de juistheid van de taxaties en de basis waarop de administratie zich steunt.

Op generlei wijze is de zekerheid bijgebracht dat deze astronomische en overigens financieel dodelijke taxaties op enige werkelijkheid zouden berusten. Dergelijke immense twijfel dient uiteraard in het voordeel te spelen van de belastingplichtige. Met betrekking tot de opgelegde boete werpt appellant op dat er een totaal gemis aan proportionaliteit voorhanden is en dat de algehele belastingverhoging moet worden kwijtgescholden minstens verminderd. Appellant besluit derhalve, tot de vernietiging van het bestreden vonnis, de nietigverklaring van het dwangbevel en de daarin vervatte BTW-vordering, de veroordeling van de Belgische Staat om aan appellant te betalen alle sommen ten onrechte betaald, te verhogen met de moratoire interesten, in ondergeschikte orde de beoordeling van de belastingverhoging naar proportionaliteit. Appellant begroot het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg op 334,67 € en in hoger beroep op 7.700,00 €.

2.2.- Geïntimeerde stelt In zijn syntheseconclusies neergelegd op 21 februari 2012 dat de aard van de door appellant verkochte gerechten buiten het forfait valt en dat de caféuitbater bijgevolg uitgesloten is van de forfaitaire regeling. Het verval van de forfaitaire regeling is niet enkel te wijten aan het verschaffen van kleine maaltijden met frites in plaats van met brood maar evenzeer aan het verschaffen van maaltijden, welke niet als kleine gerechten kunnen worden beschouwd.

De werkzaamheid van belastingplichtige was bijgevolg veel uitgebreider dan voorzien in de forfaitaire regeling inzake BTW voor caféhouders. Aangezien hij niet kon worden aangemerkt als forfaitaire belastingplichtige diende appellant verplicht een dagboek van ontvangsten bij te houden. Zijn ontvangsten lagen ver boven de aangegeven ontvangsten. Er bestond In zijn hoofde een bewaringsplicht met betrekking tot de stukken van het kasregister. Het kasrapport werd volgens geïntimeerde wel degelijk aangewend voor de omzet of ten minste voor opvolging van het verbruik. Het gebeurlijk gebruik van het. kasregister als telmachine heeft geen invloed op de omzetcijfers uit het kasregister.

Bij de berekening van de omzet werd door de administratie vertrokken van de gegevens van het kasregister dat de belastingplichtige aanwendt om zijn verkopen te registreren. Het in mei 2000 door appellant afgedrukte Z-totaal van zijn kasregister is een weergave van de omzet sedert de ingebruikname van het kasregister. De rapporten die uit het kasregister werden gegenereerd en de bedragen die op de rapporten vermeld staan vormen de basis van de toegepaste omzetverhoging. Het betreft werkelijke omzetcijfers. De bepaling van de meeromzet is dan ook gesteund op ter zake dienende objectieve gegevens en is niet willekeurig van aard. Door de totale omzet die blijkt uit de kasregisterrapporten, en die betrekking heeft op de periode 30 november 1994 tot 10 mei 2000, te vergelijken met de aangegeven omzet op basis van de BTW-aangiften gedurende dezelfde periode, kan de administratie op geldige Wijze afleiden dat omzet niet werd, aangegeven in die periode. De deskundige is verkeerdelijk de mening toegedaan .dat de administratie gegevens bekomen. uit .een kleine steekproef is gaan toepassen op een zeer uitgestrekte periode.

Dit is onjuist. De administratie had net de beschikking over alle gegevens van een uitgebreide periode. Ze beschikte *over* de reële omzet van de aankoop van het kasregister op 30 november 1994 tot aan de afdruk van de gegevens op 11 mei 2000. Dit zijn geen geëxtrapoleerde gegevens maar werkelijke omzet uit het kasregister. In casu heeft belastingplichtige, door het niet bewaren en/of niet voorleggen van de kasrollen of van de rapporttypes met rapportagecode 0014 die hij verklaart regelmatig af te drukken, de administratie het middel ontnomen om de ontvangsten precies toe te wijzen over de verschillende jaren. .De gevolgde -methode respecteert de door belastingplichtige aangegeven verhoudingen per kalenderjaar en garandeert een gelijkmatige spreiding over de diverse jaren van de vastgestelde ontvangsten die worden weergegeven op de : afdrukrapporten. De administratie heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheden die het kasregister biedt om het totaal der ontvangst en, dat gebaseerd is op de regelmatige registratie van de verkopen, af té drukken door middel van rapporten.

De administratie heeft deze ontvangsten kunnen markeren in de tijd nl. van 30 november 1994 tot 10 mei 2000 en heeft deze zorgvuldig omgedeeld naar de verschillende betrokken jaren. Zij heeft het gedeelte dat betrekking had op de gecontroleerde periode, zijnde van 1 oktober 1995 tot 10 mei 2000, vergeleken met de in die periode aangegeven ontvangsten en de verschuldigde BTW met betrekking tot het verschil berekend. Met betrekking tot de opgelegde proportionele boete van 200% merkt geïntimeerde op dat het systematisch ± 45 % van de geïncasseerde bedragen niet aangeven, als gekarakteriseerde fraude moet worden bestempeld en met alle middelen moet bestreden worden.

Het is de bedoeling dat de boete een ontradend effect heeft en in verhouding staat tot de ontdoken rechten. Ze is gemotiveerd door de verhouding van de niet aangegeven ontvangsten tot de werkelijke ontvangsten en de kwade trouw van belastingplichtige die geen enkele medewerking heeft verleend bij de regularisatie van zijn fiscale toestand (o.a. het niet voorleggen van de kasrollen). De forfaitaire boete van 5.453,66 € werd anderzijds toegepast omdat belastingplichtige verschillende verplichtingen die zijn voorgeschreven door het BTW-wetboek niet nagekomen is, waardoor de administratie geen kennis had van zijn werkelijke activiteiten en zo een aantal controlemiddelen ontnomen werd.

Uit de aard en de omvang van de vastgestelde overtredingen blijkt dat ze werden begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken en de ontduiking ervan mogelijk te maken.

Appellant brengt dan ook geen enkel argument naar voor dat als verzachtende omstandigheid kan worden aangemerkt. Geïntimeerde stelt tenslotte incidenteel beroep in tegen de beslissing van de eerste rechter aangaande de rechtsplegingsvergoeding. Deze werd door geïntimeerde begroot op 334,67 EUR, doch werd door de rechtbank ambtshalve herleid tot 174,76 EUR.

Geïntimeerde besluit derhalve tot de afwijzing van het hoger beroep als ongegrond, de bevestiging van het bestreden vonnis en de veroordeling van appellant tot terugbetaling van de betaalde kosten van de gerechtsdeskundige, hetzij een bedrag van 2.080,54 €.

Geïntimeerde begroot de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg op een bedrag van 334,67 € en in hoger beroep op een bedrag van 7.700,00 EUR.

## 3. Beoordeling:

3.1.- Een forfaitaire aanslagregeling is *"een methode van bepaling van de belastbare materie of van bestanddelen hiervan door, een schatting die gemaakt wordt op basis van de gegevens die door de belastingplichtige worden verstrekt. Het impliceert een onmogelijkheid of een weigering om* *de werkelijkheid te treffen"* (C. SCAILTEUR, 'Een vorm van deelneming van de belastingplichtige aan het vestigen van de belasting: het forfait’, *AFT* 1977, 259).

Inzake BTW is de mogelijkheid om forfaitaire aanslagregelingen uit te werken, vastgelegd in artikel56, § l van het WBTW, dat als volgt luidt:

> *"Ten aanzien van door Hem te omschrijven kleine ondernemingen regelt de Koning· de wijze. waarop de Administratie, na overleg met de betrokken bedrijfsgroeperingen, forfaitaire grondslagen van aanslag vaststelt, wanneer zulks mogelijk is. ".*

[Artikel 56, § 1 van het WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-56) geeft op zijn beurt uitvoering aan wat bepaald is in [artikel 24; lid 1 van de Zesde BTW-Richtlijn](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-24), waarin wordt gesteld:

> *"Lidstaten die moeilijkheden zouden ondervinden bij het toepassen van de normale belastingregeling op kleine ondernemingen in verband met de activiteit of de structuur van die ondernemingen kunnen binnen de grenzen en onder de voorwaarden die zij vaststellen - maar onder voorbehoud van de in artikel* 29 *bedoelde raadpleging – vereenvoudigde regelingen voor belastingheffing en -inninq, zoals forfaitaire regelingen, toepassen, zonder dat dit mag leiden tot vermindering van de belasting. ".*

In uitvoering van [artikel 56, § 1 van het WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-56) kan de Administratie bij toepassing van het Koninklijk Besluit nr. 2 van 7 november 1969 "met betrekking tot de vaststelling van forfaitaire grondslagen van aanslag voor de belasting over de toegevoegde waarde" per bedrijfssector algemene forfaits vaststellen (zie in dit verband ook H. VANDEBERGH, *BTW-Handboek,* Brussel, Larcier, 2003, 562).

Belastingplichtigen die actief zijn in een bedrijfssector waarvoor een forfaitaire BTW-regeling wordt vastgesteld, zijn evenwel niet verplicht het forfait toe te passen. Ze kunnen .steeds opteren voor de toepassing van de normale aanslagregeling en op grond van hun werkelijke omzet worden belast ([artikel 5, §1, KB nr. 2](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-2-article-2d63)).

De *ratio legis* van de BTW-forfaits is dat ze het mogelijk moeten maken ..de belastbare omzet te bepalen in gevallen waarin de normale toepassing van de BTW-regeling niet mogelijk is, of minstens niet aangewezen is.

Ook inzake directe belastingen kunnen forfaitaire aanslagregelingen worden vastgelegd.

Er dient evenwel een fundamenteel onderscheid te worden gemaakt tussen de forfaitaire aanslagregelingen inzake directe. belastingen en deze inzake BTW.

Inzake directe belastingen gelden de forfaitaire aanslagregelingen als een "bewijsmiddel van de administratie" (zie artikel 342. WIB 1992 dat is opgenomen in Titel VII, Hoofdstuk IV van het WIB 1992, dat de bewijsmiddelen van de Administratie opsomt). Inzake directe belastingen wordt daarom aangenomen dat de administratie ten aanzien van een belastingplichtige die geopteerd heeft voor een forfaitaire aanslagregeling, steeds mag bewijzen dat de inkomsten hoger zijn dan deze die de toepassing van het forfait uitwijzen (Luik, 18 november *1981, FJF* 1982, 31).

Inzake BTW liggen de zaken evenwel anders. In wezen geldt een BTW-forfait als een afwijking van de normale bepalingen voor de vaststelling van de maatstaf van heffing en heeft het bovendien een Europese grondslag. Het forfait is geen bewijsmiddel (H. VANDEBERGH, K. TREUNEN, 'Het forfait: de toepassing inzake BTW en inkomstenbelasting', *TFR* 2004, afl. 254, (51-76), *74;* P. CAUWENBERGH, 'Kritische bedenkingen m.b.t. de forfaitaire grondslagen van aanslag in het Wetboek van de inkomstenbelastingen (art. 342, par. 1, lid 2 en lid 3 W.I.B.) en in het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (art. 56, par. 1 W.B.T.W)’, *TFR* 1994, 3-21).

3.2.- Appellant werd op zijn verzoek bij de aanvang van zijn economische werkzaamheid op 1 september 1994 aan de forfaitaire regeling voor caféhouders onderworpen. Teneinde de BTW-wetgeving te kunnen naleven werden de toe te passen regels en de berekeningsbladen hem jaarlijks bezorgd.

In de laatste alinea van punt E van de forfaitaire regeling staat vermeld:

*"Indien zou blijken dat de werkelijke ontvangsten gerealiseerd door de belastingplichtige gevoelig zouden afwijken van de forfaitair berekende ontvangsten, is de administratie niet meer gebonden door onderhavige regeling bij het bepalen van de omzet.*

"

Uit de vaststellingen en besluiten van de door het Hof aangestelde deskundige blijkt dat de door de administratie gehanteerde gegevens en methode onvoldoende zekerheid bieden ter staving van het bestaan van een meeromzet, die het toepasselijk BTW-forfait te boven zou gaan. Zij kunnen niet als bewijskrachtige vermoedens gelden. Een correcte taxatie kan evenmin steun vinden in een speculatieve extrapolatie van gegevens.

Het hoger beroep is dan ook gegrond.

### Dispositif

## 4. Beslissing

Het Hof werkt het tussenarrest van 25 november 2008 uit en verklaart het hoger beroep gegrond.

Het Hof hervormt het bestreden vonnis en verklaart de vordering van appellant ontvankelijk en als volgt gegrond.

Het Hof verklaart het dwangbevel, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 18 maart 2002 door ,de e.a, Inspecteur BTW Mechelen *III,* met RCIV-nummer …, betekend op 27 maart 2002, nietig en zonder waarde.

Het Hof veroordeelt de Belgische Staat om aan appellant te betalen alle sommen ten onrechte betaald, te verhogen met de moratoire interesten.

Het Hof verwijst de Belgische Staat in de gedingkosten van beide aanleggen, vereffend zijnde aan de zijde van appellant op 334,67€ voor rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, 7.700,00€ voor rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, en 2.080,54€ voor kosten van deskundigenonderzoek.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 26 maart 2013 door

S.B., Raadsheer

B.C., Raadsheer

M.G., Raadsheer

L. K., Griffier

## Textes cités

3

[CTVA art. 56](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-56) 3 occurrences

[AR no 2 art. 5](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-2-article-2d63) 1 occurrence

[6e directive 77/388 art. 24](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-24) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Bases forfaitaires de taxation, Modalités de fixation](https://juriel.be/fr/jurisprudence/bases-forfaitaires-taxation-modalites-cour-constitutionnelle-bruxelles-2007-10-17-131-2007) 3 dispositions communes

[Règlementation forfaitaire](https://juriel.be/fr/jurisprudence/reglementation-forfaitaire-matiere-tva-petits-conseil-etat-bruxelles-2021-09-17-536e) 2 dispositions communes

[Calcul de la majoration du chiffre d’affaires](https://juriel.be/fr/jurisprudence/calcul-majoration-chiffre-affaires-base-cour-appel-bruxelles-2016-10-05-1fd8) 2 dispositions communes

[Régime particulier, Boucher-charcutier, Bases forfaitaires de taxation](https://juriel.be/fr/jurisprudence/regime-particulier-boucher-charcutier-bases-tribunal-liege-2002-10-22-218c) 2 dispositions communes

[Modalités de taxation forfaitaire, Délégation de compétence au Roi](https://juriel.be/fr/jurisprudence/modalites-taxation-forfaitaire-delegation-competence-cassation-bruxelles-2014-02-20-4003) 2 dispositions communes

[Régime particulier, petite entreprise, preuve, mesure de contrôle](https://juriel.be/fr/jurisprudence/regime-particulier-petite-entreprise-preuve-tribunal-bruges-2010-03-17-4d8c) 2 dispositions communes

[Régime forfaitaire des coiffeurs, Détermination forfaitaire du chiffre d’affaires](https://juriel.be/fr/jurisprudence/regime-forfaitaire-coiffeurs-determination-chiffre-cour-appel-anvers-2014-01-07-5722) 2 dispositions communes

[Régime particulier, petite entreprise, preuve, mesure de contrôle](https://juriel.be/fr/jurisprudence/regime-particulier-petite-entreprise-preuve-cour-appel-gand-2011-09-20-847b) 2 dispositions communes
