---
title: "Amendes fiscales proportionnelles, Réduction des amendes · Tribunal de première instance de Hasselt, 18 février 2016, 14/680/A"
description: "Amendes fiscales proportionnelles, Réduction des amendes, Intérêts moratoires. Tribunal de première instance de Hasselt (Belgique), 18 février 2016, 14/680/A."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/amendes-fiscales-proportionnelles-reduction-interets-tribunal-hasselt-2016-02-18-f2d1"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Amendes fiscales proportionnelles, Réduction des amendes, Intérêts moratoires

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Hasselt

**Numéro de rôle**

14/680/A

**Date**

18 février 2016

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

**Sens lu par le SPF**

favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

103 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance d’Hasselt dd. 18.02.2016 (14/680/A)

WF : 711-15-14/018415

*Taxe sur la valeur ajoutée – Amendes fiscales proportionnelles – Réduction des amendes – Intérêts moratoires – Remise des intérêts moratoires – Délais de paiement*

## Dispositions légales

[Article 70, § 1er, du Code de la TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70)

[Article 84bis du Code de la TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-84bis)

[Article 91, § 1er, du Code de la TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91)

Arrêté royal n° 41 du 30 janvier 1987 fixant le montant des amendes fiscales proportionnelles en matière de taxe sur la valeur ajoutée

Article 1244 du Code civil

## Résumé

Lors d’un contrôle chez un assujetti, diverses infractions ont été constatées. Un relevé de régularisation a été établi et signé pour accord par le comptable de l’assujetti. Les taxes dues, les amendes et les intérêts n’ont pas été acquittés volontairement et une contrainte avec commandement de payer a été signifiée par exploit d’huissier de justice.

L’assujetti a sollicité la remise ou du moins la réduction des amendes infligées. Le tribunal constate que la Cour de cassation permet seulement un contrôle de proportionnalité en vertu duquel les cours et tribunaux peuvent examiner si l'administration pouvait raisonnablement infliger une sanction administrative de cette importance. Ils peuvent plus spécialement avoir égard à la gravité de l'infraction, au taux des sanctions infligées antérieurement et aux décisions rendues dans des cas similaires. Ce pouvoir d’appréciation n’implique cependant pas que les juges puissent remettre ou réduire les amendes pour de simples motifs d’opportunité ou sur la base d’une appréciation subjective et ce, à l’encontre des dispositions légales. Le juge du fond peut, dans le cadre d’un contrôle de proportionnalité, prendre en compte certaines circonstances propres à la personne de l’assujetti. En l’espèce, le tribunal considère qu’il n’existe aucun élément dont il ressortirait que l’amende infligée serait disproportionnée et qu’elle ne serait pas proportionnelle aux données concrètes de l’affaire.

En vertu de l’[article 84bis du C.TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-84bis), le directeur régional compétent peut accorder, dans les cas spéciaux, l’exonération de tout ou partie des intérêts prévus à l’article 91, §§ 1 er et 2, du même Code. Il ressort de l’[article 84bis du C.TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-84bis) qu’un demandeur ne dispose pas d’un droit subjectif en vertu duquel il pourrait être exonéré de son obligation légale du paiement des intérêts moratoires. Il s’agit d’une mesure de faveur qui, selon le texte légal, ne peut être octroyée que par le directeur régional. Dès lors, le tribunal n’a aucune compétence pour accorder l’exonération des intérêts moratoires et il dispose seulement d’une compétence lui permettant de contrôler la légalité de la décision litigieuse prise par le directeur régional. En l’espèce, ce dernier n’a pas refusé à la demanderesse la remise des intérêts moratoire d’une manière manifestement déraisonnable.

L’assujetti demande au tribunal de lui accorder la possibilité de s’acquitter de la somme due par acomptes hebdomadaires conformément à l’article 1244 du Code civil. Dans son jugement, le tribunal estime que l’article 1244 du Code civil, conformément à la jurisprudence de la Cour de cassation (voir l’arrêt [F.06.0042.N](https://juriel.be/fr/jurisprudence/delais-paiement-facilites-octroyees-receveur-cassation-bruxelles-2008-04-24-16b8) du 24 avril 2008) n’est pas d’application en droit fiscal et qu’il est du domaine de la compétence de l’administration fiscale, s’il y a lieu, de permettre à l’assujetti de payer sa dette par des acomptes mensuels. Par conséquent, le tribunal ne peut pas accorder les facilités de paiement demandées.

**Texte du jugement**

***La décision est publiée uniquement dans la langue originale***

### Corps de la décision

## Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt

**dd. 18.02.2016**

**(14/680/A)**

**IN ZAKE:**

**H.R. BVBA,** met zetel gevestigd te…, met ondernemingsnumme … … …. - eiseres- Ter zitting vertegenwoordigd door mr. J.P.loco mr. D.S., advocaat met kantoor te …

**tegen:**

**DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN,** in de persoon van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12. **ALGEMENE ADMINISTRATIE VAN DE FISCALITEIT, BTW,** in de persoon van de adviseur - eerstaanwezend,inspecteur-dienstchef bij een fiscaal bestuur verbonden aan het Controlecentrum Hasselt-Beringen, met kantoor gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 43. - - verweerder - Ter zitting vertegenwoordigd door zijn gevolmachtigden de heer W.S., adviseur op het Controlecentrum Hasselt-Beringen en de heer R.A., adviseur- dienstchef van de juridische dienst van het Regionaal invorderingscentrum Limburg, met kantoor gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 11.

**VOLGT HET VONNIS:**

Gelet op:

\- het verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op

17.03.2014;

\- het verzoekschrift overeenkomstig art. 747, § 1 Ger.W. van 04.09.2014;

\- de eerste conclusie, syntheseconclusie en stukken van verweerder;

\- de besluiten en stukken van eiseres;

## I. FEITEN EN VOORGAANDEN:

1\. Eiseres, de BVBA H.R.,wordt ingevolge haar economische activiteit beschouwd als belastingplichtige en zodoende onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering ervan getroffen besluiten. Eiseres is als BTW-belastingplichtige geregistreerd onder nummer BE0458.802.476.

2\. Bij eiseres werd een controle op de toepassing van de BTW-wetgeving en deze inzake inkomstenbelastingen uitgeoefend door de heer E.M., fiscaal deskundige, en de heer P.L., attaché-inspecteur bij de Federale Overheidsdienst Financiën en in die hoedanigheid verbonden aan het Controlecentrum Hasselt-Beringen, FAC,Voorstraat, 43, bus 43, 3500 Hasselt. De controle had betrekking op de jaren 2010 en 2011.

Door de administratie werden verschillende inbreuken vastgesteld en na besprekingen werd er op 29.07.2013 een correctieopgave voor akkoord ondertekend door de accountant van eiseres (zie stuk l, bundel verweerder).

In deze correctieopgave erkende eiseres de volgende sommen verschuldigd te zijn aan de Belgische Staat:

\- 7.951,01 euro BTW;

\- 1.420,00 euro geldboete in toepassing van [art. 70, § 1 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) verminderd en afgerond overeenkomstig art. 1 van KB nr. 41 van 31.01.1987;

\- de wettelijke interesten van 0,8% per maand over de rechten vanaf 21.01.2012 overeenkomstig [art. 91§1 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91).

De verschuldigde bedragen werden niet vrijwillig betaald door eiseres derhalve vaardigde de met invordering belaste e.a. inspecteur van het tweede BTW-ontvangkantoor op 16.12.2013 een dwangbevel uit dat op 17.12. 2013 geviseerd en uitvoerbaar verklaard werd door de adviseur-gewestelijke directeur van de BTW te Hasselt (zie stuk 3, bundel verweerder).

Op 24.12. 2013 werd dit dwangbevel bij deurwaardersexploot met bevel tot betaling betekend aan de belastingplichtige (zie stuk 4, bundel verweerder).

Bij brief van 27.12. 2013, toegekomen bij de administratie op 06.01.2014, heeft de zaakvoerder van eiseres een vraag om kwijtschelding van boete en vrijstelling van interesten ingediend bij de heer adviseur-gewestelijk directeur van de BTW te Hasselt.

Bij afzonderlijke brieven van 20.02.2014 en 24.03.2014 werd eiseres ervan in kennis gesteld dat een vermindering van de reeds sterk verminderde boeten kon niet worden toegestaan daar er geen geldige argumenten werden aangebracht (zie stuk 6, bundel verweerder), alsook dat het verzoek tot vrijstelling van interesten werd afgewezen (zie stuk 7, bundel verweerder).

3\. Op 17.03.2014 heeft eiseres een verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van deze rechtbank en stelde zij een vordering in rechte in.

## II. BEOORDELING

\- **Ontvankelijkheid.**

Verweerder werpt geen middelen van niet-ontvankelijkheid op en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.

De vordering is dan ook ontvankelijk.

\- **Ten gronde.**

\- M.b.t. de miskenning van de rechten van verdediging:

De rechtbank stelt geen miskenning van de rechten van verdediging vast nu het dossier ter inzage was van eiseres, alsook aan de raadsman van eiseres werd overgemaakt.

\- M.b.t. het verzoek tot kwijtschelding *I* vermindering van de opgelegde geldboete:

1\. Overeenkomstig de artikelen [70 § 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) *,* en [70, § 1bis](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70), WBTW bedraagt de boete het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting.

Bij toepassing van de rubriek V van de tabel G gevoegd bij het KB nr. 41 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele boete op het stuk van de BTW wordt een boete toegepast van 20 % van de verschuldigde BTW ten aanzien van de inbreuken op het vlak van de niet aangegeven belastbare handelingen (voordelen van alle aard: 1.994,08 euro en omzet: 4.830,00 euro).

Bij toepassing van de tabel H gevoegd bij het KB nr. 41 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele boete op het stuk van de BTW wordt een boete toegepast van 5% van de verschuldigde BTW ten aanzien van inbreuken op het vlak van de aftrekregeling (1.126,93 euro).

2\. Eiseres streeft de kwijtschelding of minstens vermindering van de opgelegde geldboeten na.

De rechtbank wijst er vooreerst op dat de in art. 70 W.B.T.W. opgelegde administratieve boeten van rechtswege worden opgelopen door het loutere feit van de overtreding, ongeacht of er goede of kwade trouwaanwezig was.

In zijn arrest nr. 22/99 van 24 februari 1999 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat de interpreta-tie van de voorheen geldende wettelijke bepalingen, als zou de burgerlijke rechter geen volheid van rechtsmacht hebben om over de administratieve geldboetes te oordelen, ongrondwettelijk is. Het Hof oordeelde het onverenigbaar met de G.W. dat een burgerlijke rechter die een repressieve fiscale boete moet beoordelen, geen rekening zou kunnen houden met bepaalde omstandigheden, terwijl een strafrechter wel verzachtende omstandigheden in rekening kan brengen. Deze rechtspraak impliceert dat de belastingplichtigen de mogelijkheid moeten hebben om door een rechter te laten beoordelen of de repressieve fiscale boete in rechte en in feite verantwoord is, en of de wettelijke bepalingen en algemene beginselen, die de administratie in acht moet nemen, werden geëerbiedigd. Eén van deze beginselen is het evenredigheidsbeginsel.

Verder impliceert deze rechtspraak eveneens dat indien de administratie de mogelijkheid heeft de sanctie te moduleren (in de zin van een gedeeltelijke vermindering of kwijtschelding\], niets wat onder de beoordeling van de administratie valt aan de controle van de rechter mag ontsnappen (Grondwettelijk Hof 24 februari 1999, *A.A.* 1999, 257; *B.S.* 30 april 1999; *Fiscoloog* 1999, afl. 697, 5; *F.J.F.* 1999, 489; *J.L.M.B.* 1999, 532; J.*T.* 1999,45; *T.F.R.* 1999, 385, met noot B. COOPMAN en G. STESSENS, "Mensenrechtelijke waarborgen toepasselijk op de administratieve fiscale boete: reflecties bij de recente rechtspraak van het Hof van Cassatie en het Arbitragehof").

In drie arresten van 24 januari 2002 oordeelde het Hof van Cassatie dat de rechtbanken en hoven de wettelijkheid van de administratieve boetes mogen onderzoeken en mogen nagaan of de feitelijke en wettelijke voorwaarden vervuld zijn voor die sancties, en of die sancties verzoenbaar zijn met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen, waaronder de evenredigheid met de inbreuk (zie Cass.24 januari 2002, *T.F.R.* 2002, 765, met noot B. COOPMAN en K. LAMMENS).

Het Hof van Cassatie aanvaardt alleen een evenredigheidstoetsing, waarbij de rechtbanken en hoven inzonderheid acht mogen slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld. Binnen het kader van deze evenredigheidstoetsing neemt het Hof van Cassatie wel aan dat de rechtbanken en hoven de administratieve boetes kunnen verminderen tot onder het wettelijk bepaald minimum in geval van vastgestelde onevenredigheid (zie VANDENBERGHE,L. "De rechterlijke bevoegdheid inzake administratieve fiscale boeten: een stand van zaken", *Fisc. Act.* 2003, nr. 14, 10 april 2003, nrs. 3 en 4, p. 10).

Daarentegen meent het Hof van Cassatie dat het toetsingsrecht van de rechtbanken en hoven niet inhoudt dat zij om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke voorschriften in de opgelegde boetes kunnen verminderen of kwijtschelden (zie VANDENBERGHE,L. "De rechterlijke bevoegdheid inzake administratieve fiscale boeten een stand van zaken", o.c. 9 e.v.).

Op 4 maart 2004 werd voormelde rechtspraak van het Hof van Cassatie van 24 januari 2002 kritisch benaderd door het E.H.R.M., dat oordeelde dat het Hof van Cassatie op te algemene wijze had beslist dat motieven van billijkheid en opportuniteit niet mogen meespelen in de rechterlijke beoordeling (zie COOPMAN, B. "Rechterlijke toetsing van fiscale boetes: cassatie teruggefloten door Straatsburg", noot onder E.H.R.M. 4 maart 2004, *T.F.R. 2004,* 642).

Toch bleef het Hof van Cassatie bij zijn weigering om de rechterlijke opportuniteitscontrole toe te laten naar analogie met het Regentsbesluit van 18 maart 1831, het zg. Organiek besluyt van het bestuur van 's lands middelen. Het Hof van Cassatie oordeelde dat het toetsingsrecht van de rechtbanken en hoven niet inhoudt dat deze op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boetes kunnen verminderen of kwijtschelden (zie [Cass. 21 januari 2005](https://juriel.be/fr/jurisprudence/sanctions-administratives-caractere-repressif-legalite-cassation-bruxelles-2005-01-21-2739), *Fiscoloog* nr. 969, p. 7; Cass. 30 november 2006, R.G.C.F. 2007,363, met noot M. MORIS, "le pouvoir d'appréciation du juge en matière d'amendes fiscales"; Cass.16 februari 2007 (4 arresten), *T.F.R.* 2007,934, met noot G. GOOSSENS, "Redelijkheid, evenredigheid en proportionaliteit.

Het standpunt van het Hof van Cassatie inzake de rechterlijke toetsing van fiscale geldboetes". Zie ook: B. COOPMAN, "Hof van Cassatie vindt verzachtende omstandigheden te "subjectief"", *Fisc. Act.* 2005, nr. 7, 24 februari 2005, 5).

Op 15 mei 2008 besliste het Grondwettelijk Hof evenwel dat, wanneer bij de rechter een beroep wordt ingesteld tegen een beslissing die de minister van Financiën of diens gedelegeerde op grond van art. 9 van voornoemd Regentsbesluit heeft genomen, die rechter, zoals de minister van Financiën of diens gedelegeerde, de geldboete moet kunnen kwijtschelden of verminderen (zie Grondwettelijk Hof 15 mei 2008, *T.F.R.* 2008, 1027, met noot B. COOPMAN, "Rechtsmacht over fiscale boetes reikt volgens Grondwettelijk Hof zo ver als Regentsbesluit").

Het Hof van Cassatie heeft zich in de arresten van 12 december 2008 en 13 februari 2009 opnieuw uitgesproken over de draagwijdte van de rechterlijke beoordeling van fiscale administratieve sancties (zie [Cass., 12 december 2008](https://juriel.be/fr/jurisprudence/contrainte-opposition-poursuite-penale-juge-cassation-bruxelles-2008-12-c808) en vier arresten van 13 februari 2009, www.cass.be). Drie van de vijf arresten bevestigen de eerdere rechtspraak. In twee andere arresten verfijnt het Hof zijn interpretatie van evenredigheidstoetsing. Het Hof bevestigt dat een evenredigheidstoetsing is toegestaan, ook al beschikt de administratie over een gebonden bevoegdheid bij het opleggen van de sanctie. In het laatste arrest van 13 februari 2009 wordt voor het eerst erkend dat de feitenrechter, mits voldoende motivering, een proportionele BTW-boete kan verminderen. De feitenrechter mag binnen het kader van de evenredigheidstoetsing rekening houden met bepaalde omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingplichtige.

De rechtbank is van oordeel dat er in onderhavig geval geen elementen zijn aangereikt waaruit zou blijken dat de opgelegde boete onevenredig is en niet in verhouding staat met de concrete gegevens van de zaak.

De vordering van eiseres is derhalve ongegrond.

\- M.b.t. de nalatigheidsintresten

Krachtens artikel 84*bis* W.BTW mag de bevoegde gewestelijk directeur van de BTW, registratie en domeinen, onder door hem bepaalde voorwaarden, in bijzondere gevallen vrijstelling verlenen voor alle in artikel 91 § 1 en 2 bedoelde interesten of voor een deel ervan.

Uit artikel 84*bis* W.BTW volgt dat eiseres geen subjectief recht heeft te worden vrijgesteld van haar wettelijke verplichting om nalatigheidsinteresten te betalen en dat de mogelijkheid om deze vrijstelling te bekomen een gunstmaatregel is die, volgens de tekst van dit artikel, enkel kan verleend worden door de gewestelijk directeur.

Alles wat onder de beoordelingsbevoegdheid van de gewestelijk directeur valt, valt met volle rechtsmacht onder de controle van de rechtbank, behoudens wanneer een bijzondere bepaling uitdrukkelijk aan de gewestelijk directeur een discretionaire bevoegdheid toekent omtrent een te nemen beslissing, in welk geval de rechtbank de gewestelijk directeur zijn beoordelingsvrijheid niet mag ontnemen en niet in zijn plaats mag treden (vgl. Cass.4 maart 2004 inzake rolnr. C030346N, http://www.cass.be; Cass.17 april 2000, *Arr. Cass..*2000, 258 en Cass. 2 februari 1998, *R.* W. 1998-99, 1142).

Nu eiseres geen subjectief recht heeft te worden vrijgesteld van haar wettelijke verplichting om nalatigheidsintresten te betalen en nu artikel 84*bis* W.BTW uitdrukkelijk aan de gewestelijk directeur een discretionaire bevoegdheid toekent omtrent de vrijstelling van de nalatigheids-interesten, mag de rechtbank niet in de plaats treden van de gewestelijk directeur.

Bovendien dient te worden opgemerkt dat de verschuldigdheid van nalatigheidsinteresten een loutere schadeloosstelling is wegens de vertraging in de betaling van de BTW-schuld zodat deze verschuldigdheid geenszins een straf is en aldus geen strafrechtelijk karakter heeft in de zin van artikel 6.1. EVRM.

Aangezien fiscale geschillen geen geschillen zijn over burgerlijke rechten en verplichtingen in de zin van artikel 6.1. EVRM en aangezien de verschuldigdheid van nalatigheidsinteresten evenmin een strafrechtelijk karakter heeft in de zin van artikel 6.1. EVRM, heeft de rechtbank over deze verschuldigdheid geen controle met volle rechtsmacht op grond van artikeI6.1. EVRM (vgl. EHRM 14 september 2004, *F.J.F.* No. 2005/126; EHRM 12 juli 2001, *T.F.R.* 2001,94 en Cass. 23 januari 1992, *Pas.* 1992, I, nr. 269, p. 453).

Bijgevolg heeft de rechtbank geen rechtsmacht om vrijstelling van nalatigheidsinteresten te verlenen en heeft zij enkel rechtsmacht om te oordelen over de wettelijkheid van de bestreden beslissing van de gewestelijk directeur.

De beslissing van de gewestelijk directeur dient te beantwoorden aan de motiveringsvereiste van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen.

De bestreden beslissing beantwoordt aan deze motiveringsvereiste wanneer deze beslissing door haar inhoud geen twijfel laat omtrent de juridische en feitelijke overwegingen die hieraan ten grondslag liggen en die op voldoende wijze aan de belastingschuldige kenbaar moeten worden gemaakt teneinde hem toe te laten de gegrondheid ervan te beoordelen.

De gewestelijk directeur beschikt met betrekking tot de "bijzondere gevallen" bedoeld in artikel 84*bis* W.BTW over een zeer ruime beoordelingsbevoegdheid en hij dient zich niet te voegen naar de ministeriële toelichtingen of circulaires, welke slechts als aanbeveling gelden; de beslissing van de gewestelijk directeur moet berusten op rechtens aanvaardbare motieven die steun vinden in werkelijk bestaande feiten.

Uit artikel 84*bis* W.BTW volgt aldus dat de gewestelijk directeur een discretionaire bevoegdheid uitoefent zodat de motivering van zijn beslissing dan ook van belang is en er dan ook meer uitleg moet worden verschaft dan bij een gebonden bevoegdheid.

Dit houdt in dat de beslissing adequaat de juridische en de feitelijke overwegingen vermeldt waarop ze steunt.

Evenwel is geen gedetailleerde uiteenzetting geboden: het volstaat dat de bestemmeling de betekenis van de beslissing begrijpt en inziet waarom het bestuur zo en niet anders beslist heeft. De rechtbank stelt vast dat de directorale beslissing van 24.03.2014 voldoende gemotiveerd werd. In de directorale beslissing wordt naast de toegepaste artikelen, verwezen naar het gegeven dat het feit dat de heer M. vanaf 25 .03.2013 pas zaakvoerder is niet kan worden aangenomen nu de overtredingen begaan werden door de rechtspersoon de BVBA H.R.. Verder werden er geen andere elementen aangereikt door eiseres en werd het verzoek tot vrijstelling afgewezen. De beslissing van de gewestelijke directeur beantwoordt aldus aan de motiverings-vereiste van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurs-handelingen zodat deze beslissing aldus wettelijk is.

De gewestelijk directeur heeft niet op een kennelijk onredelijke manier de kwijtschelding van de nalatigheidsintresten geweigerd.

De vordering van eiseres is derhalve ongegrond.

\- 2.4. M.b.t. het gevorderde gemak van betaling:

Eiseres stelt dat zij de BTW-vordering op zich niet betwist doch zij verzoekt de rechtbank om overeenkomstig art. 1244 B.W. haar toe te laten het nog verschuldigde bedrag af te betalen middels wekelijkse afkortingen van 1.000,00 euro.

Verweerder is van oordeel dat het publiekrechtelijke karakter van de belastingschuld zich verzet tegen het verlenen van uitstel door de rechter.

De fiscale wetten, die van openbare orde zijn, primeren immers op art. 1244 BW.

BTW-schulden zijn van rechtswege verschuldigd. [Art. 53 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-53) bepaalt de termijnen waarin de BTW moet worden betaald en geen enkele wettelijke bepaling geeft aan de ontvanger de bevoegdheid om hiervan afte wijken.

Wanneer de ontvanger toch betalingstermijnen aan de belastingschuldige toestaat, dan is dit louter een invorderingsinstrument waarop de ontvanger een beroep kan doen om zijn opdracht van algemeen belang na te leven.

Rekening houdend met de cassatierechtspraak van 24 april 2008 heeft verweerder terecht opgemerkt dat art. 1244 B.W. niet toepasselijk is in fiscale zaken en het tot de bevoegdheid van de fiscus behoort om desgevallend aan de belastingschuldige toe te staan zijn schuld met maandelijkse afkortingen te betalen (zie Cass., 24 april 2008, [F.06.0042.N](https://juriel.be/fr/jurisprudence/delais-paiement-facilites-octroyees-receveur-cassation-bruxelles-2008-04-24-16b8), www.cass.be).

De rechtbank kan derhalve de gevorderde afkortingen niet toestaan.

De vordering is dan ook ongegrond.

---

Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S., 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008 (zie art. 13 en 14).

Partijen hebben ter zake standpunt ingenomen.

---

De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

### Dispositif

## OM DEZE REDENEN:

De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak:

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, vereffent in hoofde van verweerder op 0,00 euro rechtsplegingsvergoeding bij gebreke aan vertegenwoordiging door een raadsman.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de HA kamer, op het gerechtshof te Hasselt op **18.02.2016,** alwaar zetelden:

Mevrouw M. C., rechter, enige rechter, en

De heer L. P., griffier.

## Textes cités

4

[CTVA art. 70](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) 5 occurrences

[CTVA art. 84bis](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-84bis) 4 occurrences

[CTVA art. 91](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91) 3 occurrences

[CTVA art. 53](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-53) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Compte spécial, Légalité formelle de la notification](https://juriel.be/fr/jurisprudence/compte-special-legalite-formelle-notification-tribunal-namur-2020-04-30-2252) 4 dispositions communes

[Amendes, Remise des amendes à titre gracieux, Sursis](https://juriel.be/fr/jurisprudence/amendes-remise-titre-gracieux-sursis-cour-appel-liege-2021-10-26-700b) 4 dispositions communes

[Disposition pénale, amende administrative, sanction pénale, poursuite, instance](https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-sanction-cour-appel-anvers-2013-04-16-53d8) 4 dispositions communes

[Droit à déduction, Frais de nourriture et de boissons](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-frais-nourriture-boissons-cour-appel-liege-2020-09-07-73e3) 4 dispositions communes

[TVA -Impôt des personnes physiques -Article 4bis du Code d'instruction criminelle -Action](https://juriel.be/fr/jurisprudence/tva-impot-personnes-physiques-article-cour-appel-anvers-2025-04-24-09f5) 3 dispositions communes

[Taux réduit, Immeubles neufs, Travaux immobiliers, Travaux de construction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/taux-reduit-immeubles-neufs-travaux-tribunal-bruxelles-2023-05-31-0d52) 3 dispositions communes

[Comptable, Amende, expert-comptable](https://juriel.be/fr/jurisprudence/comptable-amende-expert-tribunal-mons-2026-04-08-22f8) 3 dispositions communes

[Validité de la contrainte, Motivation adéquate](https://juriel.be/fr/jurisprudence/validite-contrainte-motivation-adequate-reference-cour-appel-liege-2022-09-14-234b) 3 dispositions communes
