---
title: "Amende administrative, poursuite · Cour d&#x27;appel de Gand, 27 avril 2010"
description: "Amende administrative, poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor, disposition pénale. Cour d'appel de Gand (Belgique), 27 avril 2010."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/amende-administrative-poursuite-instance-droits-cour-appel-gand-2010-04-27-a121"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Amende administrative, poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Gand

**Date**

27 avril 2010

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

90 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 27.04.2010

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**Hof van beroep te Gent – 5be Kamer**

Nr. **2009/AR/791**

in de zaak van:

**DE BELGISCHE STAAT**, FOD Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijke Directeur van de BTW te Gent, wiens kantoren gevestigd zijn te 9050 LEDEBERG (GENT), Gaston Crommenlaan 6/601,

**appellant,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **P. M.**, advocaat te …, …

**tegen :**

**I.** NV, met maatschappelijke zetel te …, …; ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer …,

**geïntimeerde,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **V. G.**, advocaat te …, ….

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

## 1. De procedure voor het Hof

Bij verzoekschrift van 25 maart 2009 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, zesde kamer, op 23 december 2008 werd uitgesproken.

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 30 maart 2010, waarna het debat werd gesloten. Het Hof nam vervolgens de zaak in beraad. De partijen hebben verklaard dat het bestreden vonnis niet werd betekend.

Het Hof heeft de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.

## 2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure

De geïntimeerde is wegens haar economische activiteit van groot- en kleinhandel in motor- en tweedehandsvoertuigen als BTW-belastingplichtige geregistreerd.

Op 26 november 1998 heeft de appellant aan de geïntimeerde een bericht gestuurd met de melding dat ter uitvoering van [artikel 8, § 1 KB nr. 24](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-24-decembre-paiement-taxe-valeur-ajoutee-6f3f#ar24-art8) van 29 december 1992 voor het tijdvak van 31 juli 1998 tot 31 oktober 1998 een bijzondere rekening zou worden bijgehouden waarin de door de geïntimeerde ingediende aangiften, bepaalde regularisaties en de door de geïntimeerde overgemaakte betalingen zouden worden opgenomen. In bijlage werd die rekening bijgevoegd met als saldo een bedrag van … frank (… euro) BTW, meer … frank (… euro) interest. Tevens werd toegevoegd dat een verminderde proportionele boete van 10 % of … frank (… euro) zou worden opgelegd met toepassing van artikel 1, 10 en het punt I, 2, A van de eerste afdeling van tabel G bij KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW, genomen ter uitvoering van de artikelen 70, 71 en 84 W.BTW.

Voor de berekening van de verschuldigde BTW werd vertrokken van een openstaand saldo op 31 juli 2008 dat enerzijds vermeerderd werd met de verschuldigde BTW op basis van de eigen aangiften die de geïntimeerde had ingediend en anderzijds verminderd werd met de uitgevoerde betalingen en aanrekeningen.

Er bestaat geen betwisting over dat de geïntimeerde in haar aangifte van 20 augustus 1998 ten onrechte tot een saldo in het voordeel van de Schatkist van … frank (… euro) kwam, terwijl dat in werkelijkheid slechts een saldo van … frank (… euro) mocht zijn; er was dus een verschil van … frank (… euro).

In september 1998 had de geïntimeerde melding gemaakt van de vergissing in de aangifte en de appellant had op 8 oktober 1998 laten weten dat de geïntimeerde het bedrag van … frank (… euro) in de eerstvolgende aangifte mocht recupereren.

Als reactie op de melding van het bijhouden van de bijzondere rekening heeft de accountant van de geïntimeerde zich op 8 december 1998 tot de Gewestelijke Directeur gericht met de vraag om in de bijzondere rekening de hoger vermelde vergissing uit de aangifte van 20 augustus 1998 recht te zetten. De accountant liet ook weten dat de geïntimeerde al op 18 november 1998, nog vóór de opnulzetting van de rekening-courant ter kennis was gebracht, een betaling van … frank (… euro) had uitgevoerd. Hij stelde dat in die omstandigheden een boete van 10 % bijzonder zwaar was. Hij wees op het feit dat de laattijdige betaling van de BTW het gevolg was van betalingsmoeilijkheden door de late betaling van facturen door klanten. Hij vroeg kwijtschelding van boeten en interest, of minstens een vermindering ervan.

Op 5 maart 1999 besliste de Gewestelijke Directie dat met de fout in de aangifte moest worden rekening gehouden waardoor, na herberekening, de geldboete - behouden op 10 % - tot … frank (… euro) werd teruggebracht. De vraag tot kwijtschelding of vermindering van de boete en interest werd afgewezen.

Met een verzoekschrift van 12 augustus 1999 stelde de geïntimeerde haar vordering in voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, waarmee zij de terugbetaling van de ingehouden boete van … frank (… euro) vroeg, meer interest en gerechtskosten.

De zesde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent heeft in zijn vonnis van 23 december 2008 de vordering van de geïntimeerde ontvankelijk en gegrond verklaard en er werd voor recht gezegd dat de door de appellant opgelegde boete ten bedrage van … euro ongegrond is; tevens werd bevel gegeven aan de appellant om over te gaan tot terugbetaling aan de geïntimeerde van de betreffende boete van … euro, te vermeerderen met de verwijlinterest aan de wettelijke rentevoet vanaf de inning of de inhouding. De appellant werd ook in de gerechtskosten verwezen.

Het is tegen dat vonnis dat de appellant hoger beroep heeft ingesteld.

## 3. De grieven, vorderingen en standpunten van de partijen

**3.1.** *Stelling van de appellant*

Het hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis teniet te doen en van het Hof te bekomen dat het de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde als ongegrond afwijst.

De appellant vraagt bovendien dat de geïntimeerde zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen.

In hoofdorde stelt de appellant dat de hoven en rechtbanken niet de macht hebben om de geldboete kwijt te schelden omdat ze van rechtswege verschuldigd is.

De hoven en rechtbanken zouden ook de boete niet kunnen moduleren op basis van subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden of opportuniteitsredenen. Zonder meer afwijken van de schalen voorzien in KB nr. 41 zou niet mogelijk zijn. De appellant laat in dat verband gelden dat de kwijtschelding die kan verleend worden op grond van het Regentsbesluit (van 18 maart 1831, het zgn. Organiek besluit van het bestuur van 's lands middelen) niet belet dat die kwijtschelding objectief in feite en in rechte moet gemotiveerd worden en met respect voor de beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder de gelijke behandeling van de burgers die in dezelfde omstandigheden zijn. De appellant stelt dat, indien de rechter toch meent te moeten afwijken van het KB nr. 41, hij op basis van artikel 159 GW zal moeten aantonen dat het KB niet in overeenstemming is met de wetten. De eerste rechter zou dat niet gedaan hebben.

De appellant benadrukt subsidiair dat hij de toepasselijke schaal van KB nr. 41 heeft toegepast en dat er geen reden is om daar van af te wijken, ook al klopt het dat de geïntimeerde in haar aangifte van 20 augustus 1998 … frank (… euro) teveel te betalen BTW had aangegeven. Dat zou blijken uit de herberekening van de rekening-courant indien het correcte bedrag van de verschuldigde BTW meteen wordt opgenomen; daaruit moet blijken dat in dat geval hoe dan ook een bedrag van … frank verschuldigd was op datum van 31 oktober 1998. Een nadere analyse zou aantonen dat de geïntimeerde gemiddeld ongeveer twee maanden te laat haar betalingen uitvoerde.

Bovendien zou ook moeten worden rekening gehouden met het feit dat de geïntimeerde ook in het verleden herhaaldelijk laattijdige betalingen uitvoerde en ook laattijdige aangiften en intracommunautaire opgaven indiende. Daaruit leidt de appellant af dat hij door de geïntimeerde systematisch als kredietverstrekker werd gebruikt.

De appellant benadrukt nog dat het BTW-stelsel slechts behoorlijk kan functioneren als alle betrokkenen hun verplichtingen nakomen en dat het opleggen van boeten wegens schending van die verplichtingen een middel is om willekeur en chaos te vermijden. Het tijdig betalen van de BTW is volgens de appellant een hoeksteen van het BTW-systeem. De belastingadministratie zou daarin de belastingplichtigen op gelijke manier moeten behandelen, zodat de subjectieve redenen die de geïntimeerde aanvoert, niet zouden volstaan om een kwijtschelding of vermindering van de boete te verlenen.

**3.2.** *Stelling van de geïntimeerde*

De geïntimeerde vordert dat het Hof het hoger beroep als ongegrond zou afwijzen. De geïntimeerde vraagt tevens dat het Hof de appellant zou veroordelen tot het betalen van de gerechtskosten van het hoger beroep.

De geïntimeerde stelt dat de gewestelijke directeur zijn beslissing om de boete niet kwijt te schelden steunde op artikel 84, 2 de lid W.BTW, artikel dat nochtans wel zou toestaan de boete kwijt te schelden.

Met verwijzing naar arrest nr. 79/2008 van 15·mei 2008 van het Grondwettelijk Hof stelt de geïntimeerde dat de artikelen 70 en 84 W.BTW strijdig zijn met de grondwet in de mate dat zij de rechter niet toestaan een toezicht met volle rechtsmacht uit te oefenen op de beslissing van de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde tot weigering om een geldboete kwijt te schelden. De hoven en rechtbanken zouden dan ook in die mate niet gebonden zijn aan KB nr. 41.

De geïntimeerde beroept zich net als de appellant op de cassatierechtspraak maar benadrukt dat de rechter bij de beoordeling van een boete mag acht slaan op de zwaarte van de inbreuk en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld. Zij verwijst naar een concrete uitspraak waarin een volledige kwijtschelding van de geldboete werd verleend hoewel de belastingplichtige vijf maanden te laat had betaald.

De geïntimeerde stelt verder dat de hoven en rechtbanken volgens de rechtspraak hoe dan ook bevoegd zijn om de omvang van administratieve geldboeten te beoordelen. Zij stelt dat de boete onaanvaardbaar hoog is terwijl er geen sprake is van kwade trouw. De eerste rechter zou met reden hebben vastgesteld dat er geen aanleiding bestaat om een sanctie op te leggen van meer dan … euro temeer de geïntimeerde de BTW heeft aangezuiverd binnen een korte termijn en een meer dan royale interest heeft betaald voor het betalingsuitstel. De geïntimeerde stelt dat er bovendien mee rekening moet worden gehouden dat zij in de periode dat ze achterstallig was, zelf ook zat te wachten op een beslissing over teveel geboekte BTW.

De geïntimeerde stelt dat de appellant niet kan inroepen dat hij eenvoudig verplicht is om de boete op te leggen (en te handhaven) vermits de praktijk uitwijst dat het tegendeel het geval is vermits er duizenden voorbeelden zouden zijn uit de administratieve praktijk waarbij boetes worden kwijtgescholden in gevallen die minder evident zijn dan het geval van de geïntimeerde.

De appellant zou zich ten onrechte steunen op laattijdige betalingen en uit het verleden, namelijk de periode 1989 tot 1992, toen de geïntimeerde door andere personen werd geleid.

De geïntimeerde beroept zich op eigen cashproblemen ingevolge laattijdige betalingen door klanten, en stelt dat zij wegens vertraging in haar betalingen al de wettelijke interest betaalde aan 0,80 % per maand, wat ruim de schade zou dekken die door de laattijdige betaling aan de appellant werd veroorzaakt. Zij stelt dat de gemiddelde vertraging slechts 49 dagen duurde, terwijl de appellant zelf drie maanden nodig had om de teruggave van het teveel betaalde te boeken.

## 4. Beoordeling

***4.1.*** *Algemeen*

De rechter aan wie gevraagd wordt de sanctie opgelegd op grond van het genoemde [artikel 70 van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70), te toetsen, mag de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken. Hij mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet aan de rechter in het bijzonder toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk. Bijgevolg moet de rechter onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. Hij mag hierbij inzonderheid acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar hij moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie.

Dit toetsingsrecht houdt volgens het Hof van Cassatie niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingschuldige om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen - zoals wel mogelijk is voor de administratie op basis van artikel 9 van het Regentsbesluit van 18 maart 1831 ([Cass. 21 januari 2005](https://juriel.be/fr/jurisprudence/sanctions-administratives-caractere-repressif-legalite-cassation-bruxelles-2005-01-21-2739)).

In zijn arrest van 15 mei 2008 besliste het Grondwettelijk Hof evenwel dat, wanneer bij de rechter een beroep wordt ingesteld tegen een beslissing die de minister van Financiën of diens gedelegeerde op grond van artikel 9 van voornoemd Regentsbesluit heeft genomen, die rechter, zoals de minister van Financiën of diens gedelegeerde, de geldboete moet kunnen kwijtschelden of verminderen (arr.nr. 79/2008, randnrs. B.6.3. en B.8). In dat arrest wordt trouwens in het algemeen (los van de vraag of een beslissing krachtens het Regentsbesluit genomen is) eraan herinnerd dat artikel 70 W.BTW niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM, indien het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het de rechter niet toestaat met volle rechtsmacht toezicht uit te oefenen op de administratieve beslissing tot weigering van de kwijtschelding of de vermindering van een fiscale geldboete en dat dit toezicht het de rechter moet mogelijk maken na te gaan of die beslissing in feite en in rechte verantwoord is en of zij alle wetsbepalingen en algemene beginselen naleeft die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel (randnr. B.6.2.).

**4.2.** *Concreet*

De in [artikel 70 van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) bedoelde fiscale geldboeten hebben tot doel de inbreuken begaan door alle belastingplichtigen, zonder enig onderscheid, die de bij dat Wetboek opgelegde verplichtingen niet naleven, te voorkomen en te bestraffen. Zij hebben dan ook een repressief karakter en zijn strafrechtelijk in de zin van artikel 6 EVRM. De wegens vertraging in de betaling van de aangegeven BTW en het op grond daarvan bijhouden van een bijzondere rekening ten nadele van de geïntimeerde opgelegde boete, heeft dus een strafrechtelijk karakter in de zin van artikel 6 EVRM.

Terecht laat de geïntimeerde gelden dat de appellant er zich niet kan op beroepen dat de appellant zonder meer ertoe gebonden zou zijn om een boete op te leggen volgens de in KB nr. 41 voorziene schalen. Daarmee zou immers tekort worden gedaan aan de verplichting om na te gaan of de in de schalen voorziene boeten in de concrete omstandigheden wel aangepast zijn aan de gepleegde inbreuk, de zwaarte ervan en dit met het oog op het met de boeten beoogde effect. Ook de BTW-ambtenaren gaan in de praktijk op deze manier tewerk, blijk gevend van gezond verstand.

De betreffende boete werd, zoals blijkt uit het bericht van 26 november 1998, bepaald op 10 %, overeenkomstig punt 2, A van afdeling I van tabel G van KB nr. 41, zijnde bij een *Overtreding waarvoor de BTW-hoofdcontroleur een bericht stuurt betreffende : A) Belasting waarvan de opeisbaarheid blijkt uit de ingediende periodieke aangifte bedoeld in* [*artikel 53, eerste lid, 3°*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-53) *van het Wetboek, of uit het opstellen van de bijzondere rekening*.

Gelet op het feitenrelaas is het toegepaste·tarief inderdaad in overeenstemming met wat in KB nr. 41 is voorzien.

Het Hof is nochtans van oordeel dat de concrete boete van 10 %, zijnde voor een bedrag van … frank of … euro, buiten verhouding staat tot de begane overtreding en haar gevolgen in de concrete omstandigheden. Evenwel is er geen reden om de boete volledig kwijt te schelden.

De geïntimeerde beroept zich op liquiditeitsproblemen; het bestaan van de liquiditeitsproblemen wordt door de appellant op zich niet betwist.

De geïntimeerde beroept zich weliswaar ten onrechte op het feit dat aanvankelijk geen rekening werd gehouden met de materiële vergissing waardoor een bedrag van … frank (… euro) teveel als te betalen BTW werd geboekt. Uit niets blijkt immers dat dit een oorzaak was voor de liquiditeitsproblemen; de geïntimeerde heeft dat bedrag immers nooit moeten betalen; wat niet betaald is, kan niet drukken op de liquiditeitstoestand.

De geïntimeerde kan ook niet ontkennen dat ze de appellant gebruikte als kredietverstrekker, met name door de aangegeven BTW, waarvan ze dus wist dat hij verschuldigd en opeisbaar was, met vertraging te betalen. De verschuldigde interest, namelijk 0,80 % per maand of 9,6 % per jaar is aan de hoge kant, maar niettemin staat vast dat de geïntimeerde haar liquiditeitsprobleem niet aanpakte door een (overbruggings-)krediet aan te gaan bij een kredietinstelling, maar eenvoudig de BTW-schuld liet openstaan. Waar de (wettelijke) interest een compensatie biedt voor de vertraging in de betaling, met name de derving van het genot en gebruik over de gelden die op de vervaldag hadden moeten zijn betaald, ontstaat op die manier in hoofde van de Schatkist nochtans bijkomende schade en ongemak. Het niet-betaald zijn van schulden, vraagt van de belastingadministratie immers de nodige aandacht waardoor zo snel mogelijk de mechanismen worden op gang gebracht om de inning van de belasting te verzekeren. Dat gebeurde in onderhavig geval in het bijzonder door de beslissing om overeenkomstig [artikel 8, § 1 KB nr. 24](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-24-decembre-paiement-taxe-valeur-ajoutee-6f3f#ar24-art8) een bijzondere rekening bij te houden. Dat gaat gepaard met bijkomende administratieve inspanningen en kosten die de appellant niet zou moeten maken mocht de aangegeven en verschuldigde belasting binnen de wettelijke termijn worden betaald. Het BTW-systeem in het bijzonder is gesteund op de inning van de belasting via de belastingplichtige. Het is van cruciaal belang dat de belastingplichtigen deze taak nauwgezet vervullen. Om het besef van de ernst van deze plicht bij te brengen, de naleving ervan voldoende af te dwingen en eventuele herhaling van een overtreding op die plicht te vermijden, is het opleggen van een sanctie een probaat middel.

De omvang van die sanctie moet dan ook van die aard zijn dat ze corrigerend en afschrikkend is en tegelijk op een afdoende wijze de bijkomende kosten en eventuele andere schade ondervangt die door het begaan van de overtreding van de verplichting om de zelf aangegeven en verschuldigde BTW tijdig te betalen werd veroorzaakt.

Die sanctie moet evenwel niet zo zwaar zijn dat ze buiten verhouding staat tot de inbreuk en haar gevolgen.

Het Hof houdt concreet rekening met het feit dat de appellant interest ontvangen heeft en dus een volledige compensatie heeft genoten voor het feit dat hij gedurende de dagen van vertraging over het geld niet heeft kunnen beschikken.

De geïntimeerde laat met reden opmerken dat op het moment van de beslissing tot het bijhouden van de bijzondere rekening en de kennisgeving ervan aan de geïntimeerde, het grootste deel van de openstaande belasting al betaald was. Daaruit kan worden afgeleid dat de geïntimeerde werkelijk het nodige heeft gedaan om uit vrije wil alles te betalen wat ze kon zodra dat volgens haar financiële toestand mogelijk was.

Uit de (herberekende) afrekening van wat door de geïntimeerde verschuldigd was (zie pag. 9, conclusie van de appellant in hoger beroep van 15 september 2009) blijkt dat voor de betreffende periode door de geïntimeerde in het totaal (… + … + … + … =) … frank of … euro interest moest betaald worden. Het is bovenop dat bedrag aan interest dat nog een boete van … frank (… euro) werd aangerekend.

Rekening houdend met de hoger vermelde principes en eisen die aan een administratieve boete gesteld moeten worden, bepaalt het Hof de boete op een bedrag van … euro.

Het bestreden vonnis moet in die zin worden hervormd.

## 5. De gerechtskosten

Gelet op het wederzijds gelijk en ongelijk van de partijen, moeten zij elk de helft van de gerechtskosten dragen.

Voor de vaststelling van de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moeten, bij gebrek aan verzoek en redenen tot afwijking ervan, de basisbedragen gehanteerd worden.

Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. zich in de schijf van 10.000,01 tot 20.000,00 euro bevindt, is het basisbedrag van … euro toepasselijk.

### Dispositif

**OP DIE GRONDEN,**

**HET HOF,**

recht doende op **tegenspraak**;

verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond, vernietigt het bestreden vonnis waar het uitspraak deed over de grond van de zaak;

doet opnieuw recht en zegt voor recht dat de betwiste verminderde proportionele boete verminderd wordt tot een bedrag van … euro (… EUR) in hoofdsom en beveelt de terugbetaling van het eventueel reeds teveel betaalde, te vermeerderen met de moratoriumintresten;

veroordeelt elk van de partijen tot het betalen van de helft van de gerechtskosten van de beide aanleggen, vastgesteld als volgt :

\- aan de kant van de appellant :

• rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg : … EUR

• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : … EUR

\- aan de kant van de geïntimeerde:

• rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg : … EUR

• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : … EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, **vijfde kamer bis**, recht doende in fiscale zaken, op **ZEVENENTWINTIG APRIL TWEEDUIZEND EN TIEN**.

Aanwezig de Heren :

**D. V.**, Raadsheer, waarnemend voorzitter, alleenrechtsprekend,

**M. V.**, griffier.

**M. V.** **D. V.**

## Textes cités

3

[AR no 24 art. 8](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-24-decembre-paiement-taxe-valeur-ajoutee-6f3f) 2 occurrences

[CTVA art. 70](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) 2 occurrences

[CTVA art. 53](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-53) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Redevable, Responsabilité solidaire, Report de paiement, Cocontractant](https://juriel.be/fr/jurisprudence/redevable-responsabilite-solidaire-report-paiement-cour-appel-anvers-2022-02-15-073c) 2 dispositions communes

[Droit à déduction, Charge de la preuve](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-charge-preuve-chiffre-tribunal-bruxelles-2025-04-23-0903) 2 dispositions communes

[TVA -Impôt des personnes physiques -Article 4bis du Code d'instruction criminelle -Action](https://juriel.be/fr/jurisprudence/tva-impot-personnes-physiques-article-cour-appel-anvers-2025-04-24-09f5) 2 dispositions communes

[Taux réduit, Immeubles neufs, Travaux immobiliers, Travaux de construction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/taux-reduit-immeubles-neufs-travaux-tribunal-bruxelles-2023-05-31-0d52) 2 dispositions communes

[Droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-lien-direct-immediat-tribunal-luxembourg-2022-10-12-162a) 2 dispositions communes

[Compte spécial, Conformité au Droit communautaire](https://juriel.be/fr/jurisprudence/compte-special-conformite-droit-communautaire-tribunal-bruxelles-2022-12-21-17dd) 2 dispositions communes

[Compte spécial, Légalité formelle de la notification](https://juriel.be/fr/jurisprudence/compte-special-legalite-formelle-notification-tribunal-namur-2020-04-30-2252) 2 dispositions communes

[Comptable, Amende, expert-comptable](https://juriel.be/fr/jurisprudence/comptable-amende-expert-tribunal-mons-2026-04-08-22f8) 2 dispositions communes
