---
title: "24 juin 2003 · Amende administrative, disposition pénale · Tribunal de première instance de Bruges"
description: "Amende administrative, disposition pénale, base d'imposition. Tribunal de première instance de Bruges (Belgique), 24 juin 2003."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/amende-administrative-disposition-penale-base-tribunal-bruges-2003-06-24-1732"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Amende administrative, disposition pénale, base d'imposition · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Bruges

**Date**

24 juin 2003

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

98 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruges du 24.06.2003

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUGGE, VIERDE KAMER, HEEFT HET HIERNAVOLGEND VONNIS VERLEEND**

in de zaak **AR. nr. 95/3337/A** :

van de heer **V. O. E.**, handelaar, wonende te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Brugge onder nummer …,

**eiser,**

vertegenwoordigd door meester **C. D'H.**, advocaat te …

**tegen :**

**de BELGISCHE STAAT**, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, in de persoon van de Ontvanger van het BTW­ontvangkantoor te Brugge, met kantoren gevestigd te 8000 Brugge, G.Vincke-Dujardinstraat nr.4,

verweerder,

vertegenwoordigd door meester **L. D. S.**, advocaat te ….

---

## I. PROCEDURE

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 3 juni 2003, waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.

De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.

De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten :

1\. de gedinginleidende dagvaarding van 26 september 1995 met verzet tegen het dwangbevel van verweerder van 11 augustus 1995;

2\. de conclusie voor verweerder van 9 januari 1996;

3 de conclusie voor eiser van 11 april 1996;

4\. de conclusie voor verweerder van 26 april 1999;

5\. de conclusie voor eiser van 30 september 1999;

6\. de conclusie voor verweerder van 17 april 2001;

7\. de conclusie voor eiser van 22 mei 2001;

8\. de conclusie voor verweerder van 19 oktober 2001;

9\. de conclusie voor eiser van 17 december 2001 en

10\. de conclusie voor verweerder van 19 februari 2002.

Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.

### Il.DE BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

*1.* *De feiten die relevant zijn voor het geschil*

Eiser is een handelaar in voertuigen. In de periode van de tweede helft van 1990 tot en met de eerste helft van 1991 heeft eiser diverse personenwagens ingevoerd vanuit de Verenigde Staten van Amerika (V.S.A.). Nadat uit onderzoek van de Amerikaanse collega's gebleken was dat er een verschil was tussen de prijzen die volgens de Amerikaanse verkopers voor de wagens was betaald en de prijzen die op de invoerdocumenten die eiser overlegde, vermeld waren, ging de Belgische Administratie van Douane en Accijnzen over tot naheffing van de invoerrechten, vermeerderd met een boete.

Van een eerste reeks aankopen, gedaan in de periode van 20 augustus 1990 tot 25 oktober 1990, eiste de douaneadministratie naheffing met betrekking tot vijf personenwagens Porsche. Daartoe maakte die administratie op 30 november 1992 een proces-verbaal op. De BTW-administratie werd door de douaneadministratie over die feiten ingelicht op 18 augustus 1992.

Daarna, op 21 december 1992, kwamen bij de douaneadministratie bijkomende inlichtingen binnen van de Amerikaanse Douane met betrekking tot een tweede reeks ingevoerde voertuigen door eiser, namelijk in de periode van 26 november 1990 tot 25 juli 1991.

Met betrekking tot de invoerrechten en de boete (50%) maakten de douaneadministratie en eiser uiteindelijk een dading op 2 februari 1993.

Reeds in het proces-verbaal van de Douane van 30 november 1992 was ver­ wezen naar de BTW-plicht en de BTW-boetes. Op 14 april 1993 maakte verweerder een correctieopgave over aan eiser met betrekking tot de BTW op de prijstekorten voor de vijf Porsches. Naast … frank (… euro) BTW werd ook nog … frank (… euro) boete, zijnde 10%, gevorderd. Eiser ondertekende die correctieopgave voor akkoord.

Met betrekking tot de ingevoerde wagens uit de periode van 26 november 1990 tot 25 juli 1991, haalde de douaneadministratie uiteindelijk 11 voertuigen (10 personenwagens en een boot) uit de reeks, waarvan zij meende dat objectief bewezen was dat het bedrag van het prijsverschil tussen werkelijk betaalde prijs en door eiser aangegeven prijs, vaststond. Aanvankelijk, in haar brief van 9 december 1993, vroeg de douaneadmin stratie betaling van … frank (… euro) invoerrechten, … frank (… euro) BTW, … frank (… euro) weeldetaks, … frank (… euro) douaneboete (100%) en … frank (… euro) BTW-boete (100%). De berekeningen werden gedaan aan de hand van een lijst per ingevoerd goed.

Nadat de advocaat van eiser deze aanmaning protesteerde en de accountant van eiser een bezoek bracht aan de Administratie van Douane en Accijnzen in Antwerpen, werd de maatstaf van heffing (de waarde of prijs van bepaalde van de ingevoerde goederen) verminderd. Op 26 januari 1994 liet de douaneadministratie weten dat de invoerrechten daardoor teruggebracht werden tot … frank (… euro) en zij besliste om de boete terug te brengen tot … frank (… euro), zijnde 50% van de rechten. Over de BTW en de weeldetaks werd in die brief/beslissing meegedeeld dat het dossier, na afhandeling inzake douane, zou overgemaakt worden aan de BTW-administratie. Ook hier werd een gedetailleerde berekening van de verschuldigde rechten (zowel invoerrechten, BTW als weeldetaks), uitgesplitst per voertuig, bijgevoegd.

Op 7 februari 1994 tekende eiser de transactie die hem was voorgelegd waarin de genoemde bedragen voor de invoerrechten en de douaneboete als verschuldigd werden verklaard.

Op 8 juni 1995 maakte de controledienst van verweerder een proces-verbaal op. Daarin werd verwezen naar de transactie inzake douane van 7 februari 1994 en naar de voorafgaande brief van de douaneadministratie van 26 januari 1994. Naast de overweging dat voor de BTW bij invoer als minimummaatstaf van heffing de douanewaarde moet genomen worden, stelt het proces-verbaal ook uitdrukkelijk: "De douanewaarde van elk voertuig werd bepaald op grond van de bij de betrokken leveranciers vastgestelde transactieprijs van de ingevoerde goederen. De belastingplichtige heeft kennis gekregen van de individuele waarde die inzake douane aan elk vervoermiddel uiteindelijk werd toegekend en heeft zich hiermee akkoord verklaard bij middel van bovengenoemde transactie.".

De gedetailleerde lijsten, opgesplitst voor elk van de elf betreffende goederen, werden als bijlage bij het proces-verbaal gevoegd.

Als BTW (met inbegrip van de weeldetaks) werd een bedrag van … frank (… euro) verschuldigd geacht. Daarnaast werd uiteengezet dat in principe een boete van 200% verschuldigd was, die evenwel herleid zou worden tot 100% op grond van artikel 84, 2de lid (oud) WBTW, met dien verstande dat de boete met 50% zou verhoogd worden indien er een dwangbevel zou moeten betekend worden.

De accountant/volmachtdrager van eiser liet aan verweerder weten met de vordering niet akkoord te kunnen gaan per brief van 22 juli 1995.

Bij gebreke aan betaling en om de nakende verjaring tegen te gaan werd uiteindelijk op 11 augustus 1995 een dwangbevel uitgevaardigd overeenkomstig het proces-verbaal van 8 juni 1995. Na visa en uitvoerbaarverklaring op 11 september 1995, werd dat dwangbevel aan eiser betekend bij exploot van 15 september 1995.

Met de dagvaarding van 26 september 1995 stelde eiser zijn huidige vordering in.

*2.* *De vorderingen van de partijen*

**Eiser** vordert dat de rechtbank zijn verzet ontvankelijk en gegrond zou verklaren, het bestreden dwangbevel zou vernietigen en het daarop volgende bevel onontvankelijk, minstens ongegrond zou verklaren.

Eiser vraagt bovendien dat verweerder zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten en dat de rechtbank het vonnis uitvoerbaar zou verklaren bij voorraad, zelfs wanneer een rechtsmiddel zou worden aangewend, zonder dat de uitvoering afhankelijk kan gesteld worden van een borgstelling en met uitsluiting van het kantonnement.

Verweerder vordert dat de vordering van eiser door de rechtbank zou worden afgewezen als ongegrond en dat eiser zou verwezen worden in de gerechtskosten.

## III. BEOORDELING

*1.* *De ontvankelijkheid van de vordering*

Verweerder voert geen redenen aan die tot onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de vordering ontvankelijk.

*2.* *De grond van de vordering*

2.1. Stelling van eiser

Eiser voert vooreerst aan dat verweerder ten onrechte de invoer van de elf voertuigen afgesplitst heeft van de vijf andere voertuigen. Dat zou volgens eiser om redenen van verjaring zijn gebeurd. Eiser stelt dat het nochtans duidelijk is dat het om één en hetzelfde dossier gaat en dat er dan ook geen reden is om een hogere boete (namelijk 100 %) op te leggen voor de betreffende goederen dan voor de eerste reeks voertuigen het geval was (10 %). Eiser ontkent ook dat er sprake zou zijn van 'fraude' of 'recedive'. Hij stelt dat de wijze waarop de douane de boetes heeft bepaald, daarvan het bewijs is. Eiser voert zelfs aan dat hij zelf het slachtoffer is van de praktijken van de tussenpersoon, **A.**, die hogere prijzen zou vermeld hebben op de Amerikaanse verkoopfacturen dan de werkelijk betaalde prijzen.

Ten tweede stelt eiser dat de transacties met de douaneadministratie waarop verweerder zich beroept, niet gesloten zijn op basis van objectief vaststaand hogere bedragen dan de prijzen die hij op zijn invoerdocumenten vermeld had. Hij stelt dat de douaneadministratie ambtshalve de waarde van invoergoederen kan bepalen, maar dat deze bepalingen irrealistisch zijn. Hij verwijst daarvoor naar de vergelijking met de prijzen die in het boekje van **E.** vermeld staan. Voor een bepaald voertuig wijst eiser erop dat de prijs die volgens de stukken waarop verweerder zich beroept, de prijs van een voertuig van 6 jaar hoger zou zijn dan de nieuwwaarde.

Ten derde voert eiser aan dat hij nooit inzage zou gekregen hebben van de stukken waarop de douaneadministratie zich gesteund heeft. Waar verweer­ der zich - ook in zijn proces-verbaal van 8 juni 1995 - beroept op de transacties met en het proces-verbaal van de Douane, acht eiser zijn rechten van de verdediging geschonden.

Hij stelt dat hij immers niet in staat gesteld werd de beweringen met betrekking tot het zogenaamde prijsverschil te weerleggen. In dat verband voert hij aan dat hij naar de V.S.A. getrokken is en daar tot de vaststelling is gekomen dat zijn tussenpersoon, een zekere **A.**, met de noorderzon verdwenen was en dat de leverancier waaraan hij het meeste wagens kocht, failliet verklaard was en of dat het verschepingskantoor verzegeld was. Aldus zou hij zijn gelijk niet hebben kunnen bewijzen.

Met betrekking tot de stukken die verweerder bij zijn dossier voegt en in de Engelse taal zijn opgesteld, roept eiser een schending van de Wet op het Taalgebruik in Gerechtszaken in.

2.2. Stelling van verweerder

Verweerder stelt vooreerst dat de afzonderlijke behandeling van de beide dossiers (enerzijds m.b.t. de 5 Porsches en anderzijds m.b.t. de 11 andere voertuigen) voortkomt van het feit dat deze dossiers afzonderlijk door de douaneadministratie zijn overgemaakt aan de BTW-diensten.

Verweerder stelt dat de boete gewoon bepaald is volgens het tarief dat in principe 200 % bedraagt. Omdat de douaneadministratie al in haar aanvankelijk voorstel een vermindering naar 100 % gehanteerd had, zou verweerder het daar bij gehouden hebben. Verweerder benadrukt dat de overtredingen vallen onder 'niet-toevallige vergissingen' en dat het niet relevant is of er sprake is van 'fraude' of 'recidive'. Volgens verweerder mag eiser van geluk spreken dat er ook voor de 5 Porsches geen boete van 100 % werd opgelegd. Dat daar slechts 10 % boete werd opgelegd, schept volgens verweerder geen rechten in hoofde van eiser.

Verweerder stelt dat de prijzen die in aanmerking genomen werden, zowel door hem als door de Douane, concrete prijzen zijn die door de Amerikaanse Douane werden vastgesteld als werkelijk betaald aan de verkopers en dus geen ambtshalve vastgestelde douanewaarden. De Eurotaxprijzen zouden slechts richtinggevend zijn en voor bepaalde klassewagens geen goed beeld geven. Verder laat verweerder nog gelden dat er, ingevolge onderhandeling door de volmachtdrager van eiser, door de douaneadministratie verminderingen op de maatstaf van heffing werden toegestaan.

2.3. Beoordeling

2.3.1. De wet op het taalgebruik

De rechtbank heeft een voldoende kennis van de Engelse taal om de stukken 5 en 6 van eiser volledig te begrijpen. De rechtbank heeft dan ook geen vertaling nodig. Er is in die omstandigheden in elk geval geen schending van de Wet op het Taalgebruik in Gerechtszaken.

2.3.2. Over de rechten van de verdediging

Eiser leidt een schending van zijn rechten van de verdediging af op grond van het feit dat hij de bijlagen bij het proces-verbaal van de Doaune niet te zien zou gekregen hebben. Vooreerst is dat gegeven uiteraard niet toe te rekenen aan verweerder. Ten tweede is dat niet met zekerheid vast te stellen, hoewel nog kan aanvaard worden dat in dat verband op eiser een negatieve bewijslast zou rusten.

Verweerder wijst er ook terecht op dat de volmachtdrager van eiser voor bespreking werd uitgenodigd en daar zeker inzage kon nemen van de stukken.

Wat uiteindelijk hier aan de orde is, is te weten of eiser met betrekking tot de gevorderde BTW en boeten zich in de mogelijkheid bevonden heeft om zich te verweren tegen het feitenrelaas dat door verweerder wordt opgehangen. Waar verweerder zich beroept op documenten waaruit uitdrukkelijk de verschillen blijken tussen enerzijds de waarde die eiser bij de invoer heeft opgegeven en de prijs die werkelijk door de verkopers in de V.S.A. ontvangen werd, kan niet gesteld worden dat verweerder in de onmogelijkheid was om daarvan het tegenbewijs te leveren. Terecht laat verweerder gelden dat eiser zelf een bewijskrachtige boekhouding moet bijhouden. Hij zou de betalingsbewijzen kunnen voorleggen; de enige betalingsbewijzen waarop hij zich beroept, worden door verweerder plausibel uitgelegd waardoor de stelling van verweerder niet ontkracht wordt. De faillietverklaring van de leverancier maakt op zich trouwens niet onmogelijk om de bewijzen van de juiste betalingen te bekomen; de boekhouding wordt na faillietverklaring uiteraard niet meteen vernietigd.

De rechtbank ziet in elk geval geen schending van de rechten van de verdediging van eiser.

2.3.3.De splitsing van de dossiers

Dat de dossiers zouden gesplitst zijn omwille van verjaring, is niet meer dan logisch vermits ze afzonderlijk en gespreid in

2.3.4.0ver de waarde van de ingevoerde goederen

Zoals in het proces-verbaal van 8 juni 1995 verduidelijkt staat, werd de BTW (met inbegrip van de weeldetaks) berekend op basis van de prijzen die werkelijk betaald werden aan de verkopers van de betreffende goederen. De vordering werd overigens gebaseerd op de transactie die eiser met de douane heeft afgesloten op 7 februari 1994. Die transactie werd voorafgegaan door een bericht waarmee op gedetailleerde wijze de in aanmerking genomen prijzen per ingevoerd goed vermeld stonden. Bovendien blijkt dat een aantal prijzen gewijzigd werden na overleg met de accountant van eiser. Eiser kan dus niet stellen dat de transactie eerder op globale bedragen betrekking had. De rechtbank stelt in die omstandigheden vast dat eiser de bepaling van de prijzen door de douaneadministratie aanvaard heeft. De aanvaarding is een vaststaand feit waarop verweerder zich kan beroepen

Nu het proces-verbaal van 8 juni 1995 geldt tot bewijs van het tegendeel wat tonen. Eiser legt geen dergelijke bewijzen voor. De argumenten die hij aanvoert aan de hand van het boekje van Eurotaks overtuigen niet. Overigens wijst verweerder er terecht op dat het voertuig waarvoor eiser wijst op een irrealistische verhouding tussen tweedehandse waarde en nieuwwaarde, geen voertuig is dat onderdeel is van de vordering. Bovendien is het tegenbewijs dat eiser bij uitstek zou kunnen leveren, het feit dat de prijzen die op zijn invoerdocumenten vermeld werden, de werkelijk betaalde prijzen zijn. Dat bewijs wordt niet geleverd.

2.3.5.Over het tarief van de boete

Ten onrechte meent eiser dat slechts een boete van 10 % zou kunnen worden opgelegd.

Het standpunt dat door de douaneadministratie werd ingenomen in het dossier van de 5 Porsches, is niet bindend voor verweerder. Zelfs mocht moeten aangenomen worden dat verweerder daarover niet onwetend kon zijn en dat standpunt tot het zijne moet maken, dan nog blijkt dat verweerder voor de betreffende overtredingen een tarief van 200 % had kunnen toekennen. Daartoe moest verweerder geenszins 'fraude' of 'recedive' bewijzen. Artikel 70 §3 (oud) WBTW voorziet immers een boete van 200 % wanneer het invoerdocument dat krachtens artikel 52 (oud) WBTW moest worden voorgelegd, onjuiste vermeldingen bevat ten aanzien van de prijs van de ingevoerde goederen.

De vermindering naar 100 % was mogelijk overeenkomstig 84, 2de lid (oud) WBTW.

Een boete van 10 % kan volgens Tabel D van het KB nr. 41, verwijzend naar Tabel A, VIII - 1A, slechts ingeval van toevallige vergissingen. In het huidige geval is de vordering gebaseerd op bewust lager aangegeven waarde van de ingevoerde goederen. Het gaat dus niet om 'toevallige vergissingen'.

De boete van 100 % was dan ook gerechtvaardigd.

2.3.6.Conclusie

Op basis van de argumenten die eiser aanvoert, moet de rechtbank de vordering van eiser ongegrond verklaren.

*3.* *De gerechtskosten*

Eiser wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1518 lid van het Gerechtelijk Wetboek, moet hij de gerechtskosten dragen.

*4.* *Uitvoerbaarheid bij voorraad*

Nu de vordering van eiser niet kan ingewilligd worden, heeft een voorlopige tenuitvoerlegging voor hem geen nut. Ook dat deel van de vordering is dus ongegrond.

### Dispositif

## IV.UITSPRAAK

**De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.**

**Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de vordering ontvankelijk maar wijst ze af als ongegrond.**

De rechtbank verwijst eiser in de gerechtskosten van deze procedure en stelt die kosten als volgt vast :

aan de zijde van verweerder :

\- rechtsplegingsvergoeding : … euro

terwijl de kosten aan de zijde van eiser niet moeten vastgesteld worden ver­ mits ze door hem zelf moeten gedragen worden.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op vierentwintig juni tweeduizend en drie

De rechtbank is als volgt samengesteld :

**D. V.**, alleenrechtsprekend rechter

**A. V.**, griffier
