---
title: "Acte d&#x27;exécution, Recouvrement d&#x27;amendes · Cour d&#x27;appel de Bruxelles, 15 septembre 2025"
description: "Acte d'exécution, Recouvrement d'amendes, Enquête du BBI, Contribuable à la TVA, Liste de clients. Cour d'appel de Bruxelles (Belgique), 15 septembre 2025."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/acte-execution-recouvrement-amendes-enquete-cour-appel-bruxelles-2025-09-15-be5e"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Acte d'exécution, Recouvrement d'amendes, Enquête du BBI

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Bruxelles

**Date**

15 septembre 2025

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

Le texte de ce document est en néerlandais.

## Texte

149 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la cour d'appel de Bruxelles du 15.09.2025

\[ Jugement mixte \]

*TVA – Acte d'exécution – Recouvrement d'amendes – Enquête du BBI – Contribuable à la TVA – Liste de clients*

## Résumé

Pas disponible

**Texte intégral**

### Corps de la décision

Ce jugement est publié uniquement dans sa langue originale.

**Arrest van het hof van beroep te Brussel d.d. 15.09.2025**

**(2018/AF/74)**

X.**,** RRN …, wonende te …,

appellant,

vertegenwoordigd door Mr. KELL Livius, advocaat te 1000 BRUSSEL, Verenigingstraat 57-59,

tegen

***DE*** **BELGISCHE STAAT,** Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, in de persoon van de Adviseur van het team invordering natuurlijke personen Vlaams Brabant Noord, met kantoren te 1840 LONDERZEEL, Stationstraat nr. 90 bus 2, ON 0308.357.159,

geïntimeerde,

die in persoon verschijnt, door tussenkomst van een ambtenaar, D.J., attaché,

---

In deze zaak spreekt het hof, na beraad, volgend arrest uit in openbare zitting :

## Voorgaanden en vorderingen

Gelet op de stukken van de rechtspleging inzonderheid :

-het verzoekschrift art. 1385decies Ger. W. neergelegd op 12 januari 2015,

-het tussenvonnis van de Nederlandstalige rechtbank eerste aanleg Brussel van 27 juni 2016,

waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd,

-het vonnis van de Nederlandstalige rechtbank eerste aanleg Brussel van 15 januari 2018,

waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd,

 het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 26 februari 2018,

 de conclusies en syntheseconclusies van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 7/09/2018

en op 17/09/2019,

\- de conclusies van appellant neergelegd ter griffie op 21/03/2019,

\- de stukken (administratief dossier : hierna : "A.D.") van de Belgische Staat neergelegd op

18/09/2019,

\- de stukken van appellant neergelegd ter griffie van het hof op 22/02/2023,

\- het tussenarrest van het hof dd. 30 mei 2023 (prejudiciële vraag),

\- het arrest van het Grondwettelijk Hof dd. 18 juli 2024 (arrest nr. 86/2024).

## Procedure in eerste aanleg

Bij verzoekschrift neergelegd op 12 januari 2015 vorderde appellant het bestreden aan hem op 9/12/2014 betekende (bij schrijven) BTW-dwangbevel nr. 500/1342/61110 nietig te verklaren en te horen zeggen voor recht dat de daarin opgenomen bedragen niet verschuldigd zijn.

In ondergeschikte orde vorderde appellant voor recht te zeggen dat de gevorderde boete van €105.530 niet verschuldigd is en de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling ervan.

Nog meer ondergeschikt vorderde appellant *"de gevorderde boeten gevoelig te verminderen".*

In uiterst ondergeschikte vorderde hij volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen :

> *"Zijn de artikelen* [*70§1*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) *en* [*70§4*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) *van het BTW-wetboek verenigbaar met het Grondwettelijk gelijkheidsbeginsel vervat in de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet wanneer ze dusdanig worden geïnterpreteerd dat de erdoor voorziene boeten verschuldigd zijn zelfs wanneer deze boeten worden opgelopen wegens eenzelfde overtreding, terwijI een dergelijke cumulatie van sancties wordt uitgesloten wanneer gelijktijdig een inbreuk wordt gepleegd op de voldoeningsplicht en een inbreuk op de facturatieplicht of de plicht een invoerdocument op te stellen ?"*

Geïntimeerde concludeerde tot de ongegrondheid van de vordering.

Bij vonnissen van 27 juni 2016 en van 15 januari 2018 verklaarde de eerste rechter de vordering van appellant ontvankelijk maar ongegrond. Appellant werd veroordeeld tot de kosten.

## Procedure voor het hof

Middels verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie op 26/02/2018 stelde appellant hoger beroep in tegen voormelde vonnissen en vordert de hervorming van de bestreden vonnissen in die zin dat de oorspronkelijke vordering volledig gegrond dient te worden verklaard en dat een herberekening van de nagevorderde BTW dient te worden bevolen, de administratieve sancties vernietigd of minstens gevoelig herleid dienen te worden en de Belgische Staat tot terugbetaling van het teveel geinde.

Daarnaast vordert appellant de veroordeling van geïntimeerde tot de kosten van beide aanleggen.

Geïntimeerde vordert de ongegrondverklaring van het hoger beroep, de bevestiging van de vonnissen en de veroordeling van appellant tot de kosten van het hoger beroep.

Bij tussenarrest dd. 30 mei 2023 stelde het hof een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof m.b.t. de verenigbaarheid van de artikelen [70§1](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) en [70§4](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) van het BTW-wetboek met het Grondwettelijk gelijkheidsbeginsel vervat in de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet.

Bij arrest dd. 18 juli 2024 besliste het Grondwettelijk Hof dat [art. 70,§§1 en 4 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet voor zover het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het de rechter bij wie een verzet tegen een dwangbevel aanhangig is toestaat met voile controle rechtsmacht uit te oefenen op de beslissing om fiscale geldboetes op te leggen.

Feiten

Ingevolge een onderzoek van de administratie van de BBI naar de activiteiten van appellant vanaf 25/03/2014, werd op 21/11/2014 een proces-verbaal opgesteld door de diensten van de BBI. Hierin werd vastgesteld dat appellant zich nooit heeft laten registreren als BTW-belastingplichtige en geen klantenlistings of periodieke aangiften deed. Op 15/04/2014 werd een bankonderzoek uitgevoerd op de bankrekening BE… op naam van appellant waaruit voor een bedrag van €92.087,60 stortingen bleken tussen 12/01/2007-02/07/2013. Ook bleken in dezelfde periode regelmatige betalingen voor aankopen bij doe-het-zelfzaken en bouwzaken. Uit de vermeldingen bij bepaalde overschrijvingen kon afgeleid worden dat deze betrekking hadden op uitgevoerde binnenhuisdecoratiewerken. Op een andere rekening van appellant en een rekening van zijn echtgenote werden beperktere relevante overschrijvingen teruggevonden. Hieruit bleek dus dat eiser, zonder hiervan aangifte te doen, een belastingplichtige activiteit uitoefende.

Op 29/10/2014 werd appellant op de hoogte gebracht van het voornemen om de verjaringstermijn op grond van art. 81bis, §1, 4° W.BTW uit te breiden wegens overtredingen met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden.

Bijgevolg werd vastgesteld dat verschuldigd was:

•BTW: € 17.266,44;

•Geldboete wegens niet aangifte aanvang activiteit: € 500,00;

•Geldboete niet indiening periodieke aangiften: € 51.000,00;

•Geldboete niet indiening jaarlijkse klantenlisting: € 18.500,00;

•Geldboete niet voorlegging stukken: € 1.000,00;

•Proportionele geldboete: € 34.530,00;

•Interesten vanaf 21/01/2014: p.m.

Op 27/11/2014 werd voor deze bedragen een dwangbevel met referentie R.C.I.V. nr. 500/1342/61110 opgesteld, hetwelk werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 02/12/2014.

De betekening van dit dwangbevel gebeurde bij aangetekende brief van 09/12/2014.

Middels verzoekschrift neergelegd op 12 januari 2015 ter griffie van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel stelde appellant een verzet tegen dwangbevel in.

Bij tussenvonnis van 27 juni 2016 verklaarde de eerste rechter de vordering ontvankelijk en *"tot op heden niet gegrond"* en zette de zaak wat betreft de grief aangaande de verjaring (de kennisgeving van de verlenging van de verjaringstermijn [art. 81bis§1 lid 2 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-81bis) niet zou zijn gebeurd alvorens onderzoeksdaden werden verricht) in voortzetting.

Bij vonnis van 15 januari 2018 werd de vordering ook op dit punt ongegrond verklaard.

Appellant legde een verzoekschrift hoger beroep neer op 26 februari 2018.

Bij tussenarrest van 30 mei 2023 stelde het hof voormelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof.

Bij arrest van 18 juli 2024 (arrest nr. 86/2024) besliste dit Hof dat [art. 70§§1 en 4 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet voor zover het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het de rechter bij wie een verzet tegen een dwangbevel aanhangig is, toestaat een controle met voile rechtsmacht uit te oefenen op de beslissing om fiscale geldboetes op te leggen.

## In rechte

## Standpunt appellant

Appellant argumenteert thans nog dat :

\- m.b.t. de BTW nagevorderd op basis van een bedrag van €99.487,60 : daarin zit volgens

appellant €5.800, een bedrag dat op rekening van zijn echtgenote werd gestort,

\- m.b.t. de BTW nagevorderd op basis van een bedrag van €99.487,60 : dit bedrag dient

verminderd met €9.694,39 (een bedrag van aankopen bij HUBO, BRICO, MAKRO enz.),

\- er is een schending van het non bis in idem beginsel door de gelijktijdige toepassing van

een proportionele en geldboete en forfaitaire geldboeten,

\- er is een schending van het evenredigheidsbeginsel : de boete bedraagt €105.530 en de

gevorderde BTW bedraagt €17.266,44; m.a.w. de boete bedraagt meer dan 600% van de

BTW,

\- de veroordeling tot de betrokken sancties dient met uitstel te worden uitgesproken.

## Standpunt geïntimeerde

Geïntimeerde argumenteert :

\- de KBC rekening BE… waarop de storting van €5.800 gebeurde is een van

de rekeningen die de KBC bank communiceerde als rekening afkomstig van appellant.

Titularis ervan was mevrouw V., volmachthouder appellant.

Op deze rekening gebeurde slechts een storting. De grootte van de storting en de manier

van storten (via KBC matic te Meise) stemt overeen met de andere cash stortingen op de

andere rekeningen in dezelfde periode.

\- het recht op aftrek is onderhevig aan een specifieke vervaltermijn. Overeenkomstig [art. 4](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c#ar3-art4)

van het KB nr. 3 verstrijkt deze termijn op het einde van het derde kalenderjaar na dat

waarin de BTW opeisbaar is geworden. De termijn is verstreken (appellant vraagt nu pas de

aftrek, de BTW betreft aankopen in de periode 2007-2013),

\- het non bis in idem beginsel is niet geschonden,

\- het evenredigheidsbeginsel is niet geschonden,

\- er is geen reden om de gesuggereerde prejudiciële vraag te stellen,

-er is geen reden om uitstel te verlenen.

## Gegrondheid

Appellant kan niet worden gevolgd waar hij argumenteert dat de door geïntimeerde geraamde omzet van €99.487,60 dient verminderd met €9.694,39 (een bedrag van aankopen bij HUBO, BRICO, MAKRO enz.).

Uit het proces-verbaal blijkt dat geïntimeerde de maatstaf van heffing raamt op €82.221,16 en meent dat er daarop 21% aan BTW verschuldigd is, hetzij €17.266,14, waarbij geïntimeerde ervan uitgaat dat de ontvangen bedragen in kwestie betalingen zijn voor de levering van diensten en voor de levering van goederen.

Terecht merkt geïntimeerde op dat appellant nu pas voor het eerst in graad van beroep (niet in het verzoekschrift hoger beroep maar in de conclusies van 21 maart 2019) het recht op aftrek van BTW vraagt voor aankopen gedaan in de periode 2007-2013 en dat hij inzake zijn recht op aftrek niet kan laten gelden nu hij op manifeste en doelbewuste wijze BTW fraude pleegde door niet alleen jarenlang te verzuimen BTW-aangiften in te dienen en een regelmatige boekhouding te voeren, maar ook door zich niet te laten registeren als BTW belastingplichtige in de KBO, omdat dit veel verder gaat dan louter onzorgvuldig gedrag bij het uitoefenen van zijn recht op aftrek (vgl. HvJ 28 juli 2016, zaak [C-332/15](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-332-15-arret), Giuseppe Astone).

Het bedrag van €5.800 werd op een rekening gestort (de KBC rekening BE..) die volgens de KBC bank n.a.v. een vraag om inlichtingen gecommuniceerd werd als een bankrekening van appellant. Appellant is volmachthouder van de rekening, zijn echtgenote hoofdtitularis). Het is de enige verrichting op die rekening (een storting via een KBC Matic te Meise dd. 7 december 2012), verrichting die volledig in lijn ligt met de stortingen op een andere rekening in dezelfde periode en in verband waarmee geïntimeerde voldoende redenen heeft om aan te nemen dat het verband houdt met niet-aangegeven aan de BTW onderworpen leveringen van diensten of van goederen en/of diensten.

\- Wat de grief aangaande de opgelegde en nagevorderde boete betreft dient met geïntimeerde vastgesteld dat elk van de aan de orde zijnde administratieve geldboetes andere gedragingen viseren (met name het niet uitreiken van facturen, het niet indienen van een aangifte van aanvang van activiteit, het niet indienen van periodieke aangiften en het niet voorleggen van boeken) en zodoende opgelegd worden andere gedragingen. De essentiële elementen van de onderscheiden inbreuken die gesanctioneerd worden zijn niet identiek (vgl. GwH 18 juni 2008, 91/2008), zodat het non bis in idem beginsel niet is geschonden.

\- Verder wijst het hof erop dat het Grondwettelijk Hof meent dat de toepassing door de burgerlijke rechter van een regel waarbij, in het geval er tijdens dezelfde periode een overtreding op de voldoeningsplicht wordt gepleegd die wordt bestraft op grond van [artikel 70, § 1 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70), en een overtreding wordt gepleegd die wordt bestraft met een forfaitaire boete, alleen de forfaitaire boete wordt opgelegd, niet verenigbaar zou zijn met het sanctiesysteem van [artikel 70 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) (vgl. GwH 18 juli 2024, 86/2024), en is dan ook van oordeel dat [artikel 70, §§ 1 en 4 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet voor zover het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het de rechter bij wie een verzet tegen een dwangbevel aanhangig is, toestaat een controle met voile rechtsmacht uit te oefenen op de beslissing om fiscale geldboetes op te leggen (vgl. GwH 18 juli 2024, 86/2024).

lnzake wordt een totale boete opgelegd van €105.530 in het kader van de navordering van niet-betaalde BTW ten bedrage van €17.266,44.

Er wordt m.a.w. inzake een "administratieve" BTW boete opgelegd die meer dan het zesvoudige van de verschuldigde belasting bedraagt, verschuldigde belasting die uiteraard eveneens wordt nagevorderd samen met de boete in kwestie.

De omstandigheid dat een fiscale sanctie of het opleggen van een bijzondere belasting internrechtelijk niet als strafrechtelijk wordt gekwalificeerd, sluit niet uit dat die maatregel strafrechtelijk van aard kan zijn in de zin van artikel 6.1 EVRM. Dit is het geval indien de overtreden bepaling gericht is tot alle burgers in hun hoedanigheid van belastingplichtige, de opgelegde sanctie of bijzondere belasting niet alleen een vergoedende functie heeft, maar in wezen een preventief en bestraffend doel heeft. Opdat een belasting een preventief en bestraffend doel zou hebben, is vereist dat de belasting in wezen een handelen of nalaten wenst te voorkomen en te bestraffen dat door de wetgever als onwettig wordt beschouwd en dat de belasting aldus leed wenst toe te brengen aan de dader van dat handelen of nalaten (vergelijk Cassatie 23 september 2022, F.20.0152.N).

Het bestraffen van een belastingplichtige door de verschuldigde belasting te verzesvoudigen heeft duidelijk een algemeen en bestraffend karakter in de zin van artikel 6 EVRM.

De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opeggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. Hierbij mag hij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met die sanctie. Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (vgl. Cass. 13 februari 2009, nr. [F.06.0108.N](https://juriel.be/fr/jurisprudence/amendes-fiscales-remise-reduction-amende-cassation-bruxelles-2009-02-13-c03f)).

Deze rechterlijke evenredigheidstoetsing afhankelijk maken van de voorafgaande uitputting van het genadeverzoek op grond van artikel 9 van het Regentsbesluit (vgl. Cass. 25 april 2025, [F.22.0162.N](https://juriel.be/fr/jurisprudence/amende-entreposage-biens-cachette-cassation-bruxelles-2025-04-25-9748)) kan niet worden gevolgd.

Er werd geen genadeverzoek ingediend inzake.

De verplichting tot eerbiediging van het EU-recht — dat ook de BTW-wetgeving omvat — gebiedt de rechter om met voile rechtsmacht de evenredigheid van de administratieve BTW-boeten te controleren en om zo nodig een verlaging of wijtschelding toe te staan, zelfs onder het minimum dat door de nationale wetgeving is vastgelegd. (vgl. HvJ 8 mei 2019, [C-712/17](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-712-17-arret), zie ook HvJ 8 mei 2019, [C-712/17](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-712-17-arret)).

De verplichting om een administratieve procedure, zoals de uitputting van het genadeverzoek op grond van art. 9 van het Regentsbesluit, uit te putten ais voorafgaandelijke voorwaarde om zicht tot de rechter te richten vormt een beperking van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte in de zin van artikel 47 van het

Handvest van de grondrechten van de EU.

Dergelijke voorafgaande administratieve procedureverplichting is enkel gerechtvaardigd wanneer ze voldoet aan enkele voorwaarden(vgl. HvJ 27 september 2017, [C-73/16](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-73-16-arret): ze dient o.a. bij wet worden gesteld, beantwoorden aan doelstellingen van algemeen belang en niet leiden tot een wezenlijke vertraging voor het instellen van beroep in rechte) die inzake niet vervuld zijn.

Genadeverzoek ingediend of niet, dit hof is in toepassing van het EU-recht (dat zoals hiervoor uiteengezet ook de BTW-wetgeving omvat) verplicht om met voile rechtsmacht de evenredigheid van de administratieve BTW-boeten te controleren.

Er kan inzake niet aan worden voorbijgegaan dat een verzevenvoudiging (het navorderen van de belasting en van een boete die gelijk is aan meer dan het zesvoud van de belasting) van de belasting wanneer geen aangifte werd ingediend kan leiden tot een grote administratieve boete die een buitensporige last uitmaakt.

Een dergelijke aanslag op de financiële toestand van een persoon of bedrijf leidt ertoe dat dergelijke boete niet meer evenredig is met de inbreuk en met het doel van de administratieve boete.

Dit is inzake het geval. Na onderzoek van alle voorliggende stukken en conclusies is het hof, rekening houdend met de feitelijke omstandigheden inzake van oordeel dat dergelijke bestraffing onevenredig is :

\- wanneer de oorspronkelijke BTW-schuld van de belastingplichtige blijft bestaan en daarbovenop een boete van 200% wordt opgelegd leidt dit tot een onevenredige last voor de belastingplichtige (de combinatie van de oorspronkelijke BTW-schuld en de opgelegde boete kan resulteren in een bijna vijfvoudige heffing doordat de belastingplichtige eerst aansprakelijk wordt gesteld voor de BTW vervolgens een boete van 200% krijgt en mogelijk ook zijn recht op BTW-aftrek verliest vanwege zijn betrokkenheid bij fraude waardoor het totaal verschuldigde bedrag kan oplopen tot bijna vijf keer de oorspronkelijke schuld : dit is disproportioneel vooral omdat de werkelijke schade voor de Schatkist waarschijnlijk alleen de toegevoegde waarde betreft (vgl. conclusie van advocaat generaal KOKOTT van 5 september 2024 in de zaak [C-331/23](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-331-23-conclusions)),

\- het totaal aan BTW boeten inzake vormt samen met de belasting zelf (de BTW in hoofdsom) een verzevenvoudiging van de belasting (de BTW in hoofdsom), hetgeen niet proportioneel is met de (omvang van) inbreuk(en) in kwestie in voorliggende zaak,

\- de boete, meer dan het zesvoud van de belasting inzake, overtreft de gerealiseerde omzet in voorliggende zaak,

\- gezien de huidige leeftijd van appellant (geboren in 1949) mag redelijkerwijze worden aangenomen dat de inbreuken in kwestie zich niet zullen herhalen temeer nu hij zijn dagen als gepensioneerde in het Verenigd Koninkrijk doorbrengt.

Het hof oordeelt dat in de gegeven omstandigheden een verzevenvoudiging van de belasting onevenredig is, niet in redelijke verhouding staat met de gepleegde (omvang van de) inbreuk en dat voor deze eerst gepleegde inbreuk de verzevenvoudiging van de belasting dient te worden verminderd tot een verdubbeling van de belasting.

Dit houdt in dat het totaal van de BTW boeten inzake dient te worden herleid tot 100%.

Het hof is tenslotte van oordeel dat rekening houdend met de aard en de ernst van de inbreuken -die anderzijds niet mogen worden geminimaliseerd- er geen reden is om uitstel te verlenen zoals door appellant wordt gevraagd, zelfs indien de wet in die maatregel had voorzien.

Het hoger beroep is deels gegrond.

## De kosten

Rekening houdende met het procedureresultaat waarbij geïntimeerde als deels in het ongelijk gestelde partij dient te worden beschouwd, dient appellant tot 3/4de van de kosten van het geding (kosten m.b.t. de procedure in eerste aanleg en kosten m.b.t. de procedure in hoger beroep) te worden veroordeeld en geïntimeerde tot 1/4de ervan.

*Rechtsplegingsvergoeding*

Betwistingen inzake belastingen hebben geen onbepaalde waarde; ze kunnen gewaardeerd worden naar het bedrag van de betwiste aanslag. In deze zaak betreft dit het bedrag van de gevorderde intresten op de belasting, zijnde het in aanmerking te nemen betwist bedrag voor huidige zaak. De rechtsplegingsvergoeding dient dan ook bepaald te worden volgens het pecuniair bedrag van de vordering (vgl. [Cass., 12 maart 2010](https://juriel.be/fr/jurisprudence/taux-reduit-immeubles-neufs-travaux-cassation-bruxelles-2010-03-12-601b), *F.J.F.,* nr.2010/183, p.720).

Het geschil betreft een in geld waardeerbare vordering, zich —rekening houdend met het verschil in interesten al naargelang de berekening van die interesten— situerend in de schijf €100.000,01 - €250.000, zodat de rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in eerste aanleg op €6.000 dient te worden begroot en de rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in hoger beroep op €7.848,84.

*Rolrecht*

Het rolrecht is vrijgesteld inzake (vgl. artikel 269 '2', §1, tweede lid, artikel 162, 4° en artikel 279 Wb.Reg.).

*Bijdrage Begrotingsfonds juridische tweedelijnsbijstand (Wet 19 maart 2017 (inwerkingtreding 1 mei 2017) BS, 31 maart 2017, blz. 46565*

De bijdrage van €20 voor het begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand die door appellant verplicht werd betaald ter griffie van het hof om zijn zaak op de rol ingeschreven te krijgen dient voor de helft ten laste te worden gelegd van geïntimeerde.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**HET HOF,**

Rechtsprekend op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Verder rechtsprekend na het tussenarrest van 30 mei 2023,

Verklaart het hoger beroep in hierna bepaalde mate gegrond,

Vernietigt het bestreden vonnis behoudens in zoverre het de vordering ontvankelijk verklaart,

Opnieuw rechtsprekend ten gronde,

Vernietigt het dwangbevel met referentie R.C.I.V. nr. 500/1342/61110 opgesteld, op 27 november 2014, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 2 december 2014 en betekend op 9 december 2014 in de mate het totaal van de opgelegde administratieve BTW boeten meer dan 100% bedraagt van het nagevorderde bedrag aan BTW in hoofdsom,

Veroordeelt appellant tot 3/4de van de kosten van het geding, in hoofde van geïntimeerde begroot op €0 rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in eerste aanleg + €0 rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in hoger beroep,

Veroordeelt geïntimeerde tot 1/4de van de kosten van het geding, in hoofde van appellant begroot op €6.000 rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in eerste aanleg + €7.848,84 rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in hoger beroep +€20 bijdrage voor het begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand voor de neerlegging van het verzoekschrift hoger beroep.

Aldus uitgesproken in openbare terechtzitting van de 6N kamer van het hof van beroep te Brussel op 28 OKTOBER 2025

waar aanwezig waren :

M.L., raadsheer

J.V., griffier

## Textes cités

7

[CTVA art. 70](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) 9 occurrences

[AR no 3 art. 4](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c) 1 occurrence

[CTVA art. 81bis](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-81bis) 1 occurrence

[C-712/17, arrêt du 8 mai 2019](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-712-17-arret) 2 occurrences

[C-331/23, conclusions de l'avocat général du 5 septembre 2024](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-331-23-conclusions) 1 occurrence

[C-332/15, arrêt du 28 juillet 2016](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-332-15-arret) 1 occurrence

[C-73/16, arrêt du 27 septembre 2017](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-73-16-arret) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Finalité, Lieu d'établissement, Principe de neutralité](https://juriel.be/fr/jurisprudence/finalite-lieu-etablissement-principe-neutralite-cour-appel-bruxelles-2026-05-13-12b2) 2 dispositions communes

[Séquestre, fraude au domicile, visite domiciliaire](https://juriel.be/fr/jurisprudence/sequestre-fraude-domicile-visite-domiciliaire-tribunal-gand-2024-10-02-1508) 2 dispositions communes

[Droit de déduction, Charge de la preuve](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-charge-preuve-developpement-cour-appel-anvers-2026-01-06-1ac3) 2 dispositions communes

[Validité de la contrainte, Motivation adéquate](https://juriel.be/fr/jurisprudence/validite-contrainte-motivation-adequate-reference-cour-appel-liege-2022-09-14-234b) 2 dispositions communes

[Vente à distance, Renseignements provenant de l'étranger](https://juriel.be/fr/jurisprudence/vente-distance-renseignements-provenant-etranger-cour-appel-bruxelles-2024-11-20-3008) 2 dispositions communes

[Chiffre d'affaires non déclaré, délai de prescription prolongé, Visite](https://juriel.be/fr/jurisprudence/chiffre-affaires-non-declare-delai-cour-appel-anvers-2025-06-24-3862) 2 dispositions communes

[Conseil, Intention frauduleuse, Lieu de prestation](https://juriel.be/fr/jurisprudence/conseil-intention-frauduleuse-lieu-prestation-cour-appel-bruxelles-2025-03-19-39e9) 2 dispositions communes

[Inspection à domicile, Fraude au domicile, visite](https://juriel.be/fr/jurisprudence/inspection-domicile-fraude-visite-cour-appel-gand-2025-02-04-3b64) 2 dispositions communes
